RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam 1], eiser,
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
Samenvatting
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.54127
geboren op [geboortedatum],
van Gambiaanse nationaliteit,
V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. T. Bruinsma),
en
(gemachtigde: mr. J. Kamphuis).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Dit betekent dat het beroep ongegrond is en eiser geen gelijk krijgt. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 10 oktober 2025 deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 9 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, een tolk en de gemachtigde van de minister. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
Het asielrelaas
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser werd in Gambia mishandeld door zijn vader en zijn broer omdat hij niet naar de Koranschool wilde. Eisers vader is streng islamitisch. Eiser spijbelde van de Koranschool en ging dan naar [naam 2]’s huis toe. [naam 2] is een vriend van eiser. Gedurende hun vriendschap ontwikkelde zich een verliefdheid en kregen [naam 2] en eiser een relatie met elkaar. Eisers vader kwam achter de relatie en sloeg eiser. Ook eisers broer sloeg eiser omdat hij niet naar de Koranschool ging. Na een ruzie ging eiser naar het huis van [naam 3] (een andere vriend van eiser). Eisers broer kwam erachter dat eiser bij [naam 3] was, is naar het huis van [naam 3] gegaan en heeft eiser vervolgens bedreigd met de dood. Eiser heeft hierop na overleg met zijn moeder besloten te vluchten. Eiser vreest dat hij bij terugkeer zal worden vermoord door zijn broer en vreest te worden mishandeld door zijn vader.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
De minister stelt zich hierover op het standpunt dat het eerste en derde asielmotief geloofwaardig zijn. De minister vindt het tweede asielmotief niet geloofwaardig. Eiser heeft zijn verklaringen niet onderbouwd met objectieve documenten die zijn asielmotieven volledig onderbouwen en heeft daarvoor geen goede verklaring. De minister vindt verder dat eisers verklaringen over dit asielmotief geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. De minister concludeert dat eiser geen vluchteling is in de zin van het Vluchtelingenverdrag. De minister concludeert ook dat eiser bij terugkeer naar Gambia geen reëel risico op ernstige schade loopt. De minister vindt ook dat eiser voor adequate opvang terecht kan in Gambia. Eisers asielaanvraag wordt daarom afgewezen.
Is het bestreden besluit voldoende zorgvuldig tot stand gekomen?
5. Uit rechtspraak van de Afdeling volgt dat de minister in alle individuele asielzaken een integrale geloofwaardigheidsbeoordeling verricht, waarbij hij rekening houdt met de persoonlijke omstandigheden, achtergrond en leeftijd van de vreemdeling. Dit blijkt ook uit Werkinstructie 2024/6. De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende rekening heeft gehouden met de persoonlijke omstandigheden van eiser. De minister heeft het referentiekader uiteengezet in het voornemen, waarbij is vermeld dat uit het medisch advies is gebleken dat eiser last heeft van hoofdpijnklachten. De minister heeft er terecht op gewezen dat uit het medisch advies niet is gebleken dat eiser stottert en dat dit invloed zou hebben op het vermogen om te verklaren. Eiser heeft in beroep een verklaring van een logopedist overgelegd, waaruit blijkt dat hij stottert en broddelt. Zoals eiser terecht opmerkt volgt uit de verklaring dat het spraakgebrek invloed heeft op het tempo en het vloeiend spreken. Dat eiser stottert, staat tussen partijen niet ter discussie. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit hetgeen eiser heeft aangevoerd en de verklaring van de logopedist alleen niet dat het stotteren effect heeft op het vermogen om te verklaren. Daarbij betrekt de rechtbank ook dat eiser niet heeft uitgelegd wat hij anders of meer had willen verklaren. De minister is ingegaan op de verschillende verklaringen van eiser en waarom deze ondanks het referentiekader onvoldoende zijn. Zo zijn de verklaringen oppervlakkig, wisselend en vaag. De rechtbank is daarom van oordeel dat zonder nadere toelichting niet valt in te zien dat de minister op deze wijze onvoldoende rekening heeft gehouden met het stotteren van eiser. Eisers stellingen geven daar ook geen aanknopingspunten voor. De beroepsgrond slaagt niet.
Heeft de minister asielmotief 2 niet ten onrechte ongeloofwaardig geacht?
6. De rechtbank is van oordeel dat de minister eisers seksuele gerichtheid en de daaruit voortvloeiende problemen niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. Hiertoe overweegt de rechtbank dat de minister eiser heeft kunnen tegenwerpen dat het niet geloofwaardig is dat zijn vader wist van zijn relatie met [naam 2]. Zo heeft de minister er terecht op gewezen dat eiser heeft verklaard dat hij niemand had verteld over de relatie met [naam 2]. Ook heeft eiser verklaard dat de seksuele handelingen enkel werden verricht bij [naam 2] thuis en dat daar niemand thuis was. Daarnaast heeft de minister erop kunnen wijzen dat eiser voor de relatie ook al werd mishandeld door zijn vader en dat er tijdens de relatie niets is veranderd. Eisers stelling dat het voor zijn vader duidelijk was dat hij vaker en anders omging met [naam 2] dan met [naam 3] volgt de rechtbank niet. Eiser heeft deze stelling niet met zijn verklaringen onderbouwd. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
7. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. K.E. Mulder, griffier en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.