[naam], eiser,
V-nummer: [V-nummer],
(gemachtigde: mr. F.A. Broersma),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
(gemachtigde: mr. S.J. de Vries).
Inleiding
1. De minister heeft op 13 december 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
De minister heeft de maatregel op 16 april 2026 opgeheven. Eiser heeft vervolgens op diezelfde dag het beroep ingetrokken en daarbij verzocht om een proceskostenveroordeling. Op 17 april 2026 heeft eiser een verzoek om schadevergoeding gedaan. De minister heeft op 19 april 2026 op dit verzoek gereageerd.
Eiser heeft op 8 mei 2026 kenbaar gemaakt het beroep onbedoeld te hebben ingetrokken en het verzoek om schadevergoeding te handhaven. Nadat de minister op diezelfde dag heeft aangegeven daar geen bezwaar tegen te hebben, gaat de rechtbank over tot een inhoudelijke behandeling van het beroep.
Met toestemming van partijen doet de rechtbank uitspraak zonder zitting.
De rechtbank heeft het onderzoek op 8 mei 2026 gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank heeft deze maatregel van bewaring tweemaal eerder getoetst, zoals volgt uit de laatste uitspraak van 16 maart 2026. In dit beroep is daarom van belang wat er sinds het sluiten van het vorige onderzoek op 10 maart 2026 is gebeurd.
3. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest.
Wat vindt eiser?
4. Eiser stelt dat de bewaring eerder dan op 16 april 2026 opgeheven had moeten worden. Eiser heeft, weliswaar afgewisseld met strafdetentie, sinds 13 oktober 2025 op deze grondslag in bewaring gezeten. De minister heeft sinds 13 oktober 2025 de tijd gehad om uitzettingshandelingen te verrichten. Desondanks is het niet gelukt eiser uit te zetten, ook niet nadat een lp is aangevraagd voor zowel Marokko als Algerije. De minister is dus al eerder dan op 16 april 2026 gestopt met voortvarend handelen en ook het zicht op uitzetting ontbrak al voor deze datum.
Oordeel van de rechtbank
5. De beroepsgronden slagen niet. Met de minister is de rechtbank van oordeel dat er voldoende voortvarend aan de uitzetting van eiser is gewerkt. Zo is er sinds het sluiten van het vorige onderzoek op 12 maart 2026 en op 2 april 2026 bij zowel de Algerijnse als de Marokkaanse autoriteiten gerappelleerd op de lp-aanvraag van eiser. Daarnaast is op 25 maart 2026 een vertrekgesprek met eiser gevoerd, waaruit blijkt dat eiser nog altijd geen medewerking verleende. De minister heeft in het verweerschrift terecht opgemerkt dat eiser het voortduren van de maatregel daarmee deels aan zichzelf te wijten heeft. Dat eiser sinds 13 oktober 2025 in de macht van de minister is, maakt dit niet anders. Die periode ligt nu immers niet ter toetsing voor.
In de eerdergenoemde uitspraak op het vorige volgberoep is geoordeeld dat zicht op uitzetting naar zowel Marokko als Algerije in het algemeen en ook specifiek voor eiser, niet ontbrak. De rechtbank ziet in deze procedure geen aanleiding voor een ander oordeel. De lp-aanvragen zijn niet zodanig lang geleden verstuurd dat zicht op uitzetting daarom zou ontbreken. Daarnaast is er geen aanleiding voor het vermoeden dat de lp-aanvragen niet in behandeling zouden zijn genomen. Daar komt bij dat eiser geen medewerking heeft verleend aan zijn uitzetting, waardoor het zicht op uitzetting in principe een gegeven is.
6. De rechtbank ziet ook voor het overige geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring in de periode tussen het sluiten van het vorige onderzoek en het sluiten van het onderhavige onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Omdat de maatregel heeft mogen voortduren tot het moment dat zij werd opgeheven, is met de opheffing van de maatregel niet aan het beroep tegemoetgekomen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat daarom geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A.G. van Dijk, rechter, in aanwezigheid van mr. H.A. van der Wal, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.