RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser,
de minister van Asiel en Migratie, verweerder,
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.23474
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. R.W. Koevoets),
en
(gemachtigde: mr. K. Bruin).
Procesverloop
Bij besluit van 21 april 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Eiser heeft zich, daarnaar gevraagd, akkoord verklaard met schriftelijke afdoening van het beroep. Op 1 mei 2026 heeft eiser beroepsgronden ingediend. Tevens op 1 mei heeft verweerder een reactie op de beroepsgronden ingediend. De rechtbank heeft het onderzoek
gesloten op 8 mei 2026.
Overwegingen
1. Eiser stelt de Marokkaanse nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [datum] 2000.
Maatregel van bewaring
2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
En als lichte gronden zijn in de maatregel vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid; 4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft; 4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag liggen niet betwist. De rechtbank is van oordeel dat de zware en lichte gronden feitelijk juist zijn en voor zover nodig ook voldoende zijn gemotiveerd. De gronden kunnen de maatregel van bewaring dragen, zodat het risico op onttrekking reeds daarmee is gegeven.
Lichter middel
4. Verweerder heeft voldoende gemotiveerd dat in dit geval geen lichter middel volstond. Eiser heeft aangevoerd dat hij een verblijfsrecht heeft in Spanje en dat verweerder als lichter middel aan hem een verwijderingsbesluit naar Spanje had kunnen opleggen. Echter niet is gebleken dat eiser een verblijfsrecht heeft in Spanje. Anders dan eiser stelt ligt het op zijn weg om dit gestelde verblijfsrecht te onderbouwen. Dat eisers paspoort zich in Spanje bevindt, hij mogelijk een NIE-nummer en een adres heeft in Spanje is daarvoor onvoldoende. Uit de gronden van de maatregel volgt dat sprake is van een risico dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Eiser heeft verder geen feiten en omstandigheden gesteld die maken dat de inbewaringstelling onevenredig bezwarend voor hem is of waarin verweerder aanleiding had moeten zien een lichter middel toe te passen.
Ambtshalve toets
5. Ook overigens is niet gebleken van enige omstandigheid op grond waarvan de maatregel van bewaring op het moment van het opleggen ervan onrechtmatig was.
Conclusie
6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 8 mei 2026 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S.J.I. Hendrickx, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.