RECHTBANK DEN HAAG
Team handel
Zaak- / rolnummer: C/09/685840 / HA ZA 25-456
Vonnis van 4 februari 2026
in de zaak van
WEBACTUEEL B.V. te Rijswijk,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: Webactueel,
advocaat: mr. O.R. van Hardenbroek van Ammerstol,
tegen
[partij B] , handelend onder [handelsnaam], te [woonplaats],
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [partij B],
advocaat: mr. N. Claassen.
1. Waar gaat de zaak over?
Webactueel en [partij B] hebben overeenkomsten met elkaar gesloten. Webactueel zou op basis van deze overeenkomsten websites bouwen en online marketingwerkzaamheden verrichten voor [partij B]. Webactueel vordert betaling van deze werkzaamheden. [partij B] beroept zich op vernietiging van de overeenkomsten, omdat deze volgens hem tot stand zijn gekomen onder invloed van bedrog, misbruik van omstandigheden of dwaling. Ook vindt [partij B] dat Webactueel tekortgeschoten is in haar verplichtingen uit hoofde van de overeenkomsten.
Het vonnis is als volgt opgebouwd. De rechtbank noemt eerst welke stukken door partijen zijn ingediend en hoe de procedure is verlopen. Dan volgt een beschrijving van de feiten en omstandigheden die voor de beoordeling van de zaak relevant zijn en waarover partijen het eens zijn. Vervolgens vat de rechtbank de vorderingen samen die zijn ingesteld. Daarna volgt de beoordeling van die vorderingen en de juridische argumenten die partijen over en weer naar voren hebben gebracht. Het vonnis wordt afgesloten met de beslissingen op de vorderingen.
2. De procedure
Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken:
- de dagvaarding van 9 mei 2025 met producties 1-8;
- de conclusie van antwoord in conventie tevens conclusie van eis in reconventie met producties 1-2;
- de conclusie van antwoord in reconventie;
- het tussenvonnis van 8 oktober 2025 waarin een mondelinge behandeling is bevolen.
Op 12 januari 2026 heeft de mondelinge behandeling (hierna: zitting) van de zaak plaatsgevonden. Namens Webactueel is de heer [naam] (directeur Webactueel, hierna: [naam]) verschenen met de advocaat van Webactueel. Van de zijde van [partij B] is alleen zijn advocaat verschenen. Tijdens de zitting hebben partijen hun standpunten toegelicht en vragen van de rechtbank beantwoord.
3. De feiten
[partij B] drijft een eenmanszaak. Webactueel verzorgt online marketing en ontwikkelt websites op maat.
Tussen [partij B] en Webactueel zijn een aantal overeenkomsten tot stand gekomen. Webactueel zou op grond van deze overeenkomsten websites bouwen, en SEO-, Google Ads- en social media marketingwerkzaamheden verrichten voor [partij B].
[partij B] heeft in totaal zeven offertes (overeenkomsten) ondertekend. Het betreft de volgende overeenkomsten:
[partij B] heeft de aan hem verzonden facturen over de periode 30 mei 2024 tot en met 19 juli 2024 niet betaald. De vervaldata op deze facturen zijn 6 juni 2024, respectievelijk 26 juni 2024, 18 juli 2024 en 25 juli 2024.
Op 21 augustus 2024 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [naam] en [partij B] op het kantoor van Webactueel. In dit gesprek hebben partijen afspraken met elkaar gemaakt over het beëindigen van de samenwerking en de door [partij B] aan Webactueel verschuldigde bedragen.
De afspraken zijn op schrift gesteld (in een e-mail van [naam] aan [partij B]). Deze e-mail is vervolgens geprint. Beide partijen hebben op de geprinte e-mail hun handtekeningen geplaatst met daarbij geschreven “Hierbij akkoord”. In de e-mail is het volgende opgenomen:
“[...] Zoals vandaag gesproken bij ons op kantoor op 21-08-2024 om 15.00 uur stuur ik je hieronder de door ons gemaakte afspraken.
1 - Alle Google Ads contratcten voor alle bedrijven zeg ik per vandaag op, zodat je geen extra kosten hiervoor maakt. Het gaat om offerte nummer 31052559 – SEA.
2 - Alle Social Media contracten voor alle bedrijven zeg ik per vandaag op, zodat je geen extra kosten hiervoor hoef te maken. Het gaat om offerte nummer 31052560 – Social Media.
3 - We gaan je SEO contracten niet 1 jaar verder laten lopen, maar we houden dit nog komende 4 maanden aan, zodat we de kosten zo minimaal mogelijk houden voor je. Het gaat hierbij om offerte nummers 31052558 – SEO en Offerte 31052566 – SEO comfoclime.nl.
Het totaal openstaand bedrag tot en met vandaag is in totaal € 83.261,46.
Los hiervan zal ik je voor komende 4 maanden SEO kosten doorbelasten van komende 4 maanden. Dit komt uit op 4x 11.250 = € 45.000 excl btw.
Hiermee hoop ik je tegemoet te komen en je te helpen in je huidige moeilijke financiële situatie.
Ik ontvang graag je akkoord, zodat we dit goed afsluiten en hopelijk de werkzaamheden ook snel zullen hervatten zodra het wat beter gaat financiële gezien. [...]
Met vriendelijke groet,
[naam]
Directeur & Online Marketing Expert [...]”
Op 28 mei 2025 heeft Webactueel de Voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag verzocht om verlof tot het leggen van conservatoir derdenbeslag ten laste van de bankrekeningen van [partij B] (en de bankrekeningen waarvan [partij B] de wettelijke vertegenwoordiger is) onder de ING Bank N.V., de ABN AMRO Bank N.V., de Coöperatieve Rabobank U.A. en de Volksbank N.V. Het verlof is op 29 april 2025 verleend zoals verzocht. De beslagen zijn op 1 mei 2025 gelegd.
4. Het geschil
in conventie
Webactueel vordert - na vermindering van eis ter zitting met de wettelijke rente over de incassokosten en de proceskosten - dat [partij B] bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, wordt veroordeeld tot betaling van:
1. € 137.711,46 aan hoofdsom;
2. € 2.152,09 aan buitengerechtelijke incassokosten;
3. de proces- en nakosten.
Webactueel legt daaraan - samengevat - nakoming van de betalingsverplichtingen die voortvloeien uit de tussen partijen gesloten overeenkomsten en de tussen partijen op 21 augustus 2024 gemaakte betalingsafspraak ten grondslag. Subsidiair beroept Webactueel zich op wanprestatie.
[partij B] voert verweer dat strekt tot afwijzing van de vorderingen en met veroordeling van Webactueel in de proces- en nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.
Op de standpunten van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
in reconventie
[partij B] vordert - zakelijk weergegeven - bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
1. de vernietiging van de met Webactueel gesloten overeenkomsten;
2. Webactueel te veroordelen in de proces- en nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente.
[partij B] legt daaraan - samengevat - ten grondslag dat de overeenkomsten tot stand zijn gekomen onder invloed van bedrog, misbruik van omstandigheden of dwaling.
Webactueel voert verweer dat strekt tot afwijzing van de vorderingen en met veroordeling van [partij B] in de proces- en nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente.
Op de standpunten van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
5. De beoordeling
De rechtbank zal hierna eerst de reconventionele vordering tot vernietiging van de overeenkomsten bespreken. Daarna zal de rechtbank de vorderingen in conventie bespreken en afsluiten met een beslissing op de gevorderde proces- en nakosten (in conventie en reconventie).
in reconventie
[partij B] vordert vernietiging van de overeenkomsten omdat deze volgens hem tot stand zijn gekomen onder invloed van een wilsgebrek. Hij beroept zich in dit kader op bedrog, misbruik van omstandigheden en dwaling (de artikelen 3:44 lid 3, respectievelijk 3:44 lid 4 en 6:228 van het Burgerlijk Wetboek, hierna: BW).
Omdat [partij B] zich op het in bovenstaande artikelen opgenomen rechtsgevolg (de vernietiging) beroept, rusten de stelplicht en bij voldoende betwisting de bewijslast van feiten en omstandigheden waaruit volgt dat sprake is van bedrog, dan wel misbruik van omstandigheden of dwaling op hem. Dit volgt uit artikel 150 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv). Concreet betekent dit dat [partij B] niet alleen moet aanvoeren dat de overeenkomsten tot stand zijn gekomen onder invloed van een wilsgebrek, maar ook dat hij zijn stellingen op dit punt moet concretiseren, aanvullen en - zo nodig - nader moet onderbouwen: met algemeenheden kan niet worden volstaan.
Geen sprake van bedrog
Ter onderbouwing van het beroep op bedrog voert [partij B] aan dat [naam] zich - ten onrechte - als betrouwbaar en gelovig individu heeft voorgedaan. Hij heeft ten onrechte doen voorkomen alsof [partij B] als startende ondernemer baat zou hebben bij de geoffreerde werkzaamheden. Webactueel had moeten inzien dat de aangeboden diensten niet passend waren bij de bestedingsruimte en het bedrijf van [partij B]. Uit online recensies volgt bovendien dat ook andere partijen in ernstige financiële problemen zijn geraakt door Webactueel, aldus [partij B].
Webactueel betwist dat sprake is van bedrog. [naam] heeft zijn geloof niet gebruikt om [partij B] te bewegen tot het aangaan van de overeenkomsten. Het stond [partij B] bovendien vrij om - al dan niet - akkoord te gaan met de geoffreerde werkzaamheden en de daaruit voortvloeiende verplichtingen. Voor zover er sprake is geweest van optimistische verwachtingen of aanprijzingen over de effectiviteit van de aangeboden diensten, betreft dit toelaatbare commerciële uitingen en geen opzettelijke misleiding. [partij B] wilde zelf (te) hard van stapel lopen en [naam] heeft hem daarin nog geremd. [partij B] zou [naam] bovendien hebben verteld dat hij goede omzetten had en plannen had om “Europa te veroveren”, aldus Webactueel.
Het beroep op bedrog faalt. De rechtbank overweegt daartoe als volgt. Artikel 3:44 lid 3 BW bepaalt dat bedrog aanwezig is wanneer iemand een ander tot het verrichten van een bepaalde rechtshandeling beweegt door enige opzettelijk daartoe gedane onjuiste mededeling, door het opzettelijk daartoe verzwijgen van enig feit dat de verzwijger verplicht was mede te delen, of door een andere kunstgreep. Aanprijzingen in algemene bewoordingen, ook al zijn ze onwaar, leveren op zichzelf geen bedrog op.
De rechtbank stelt voorop dat de ervaringen die andere (derde) partijen met Webactueel hebben gehad, niet kunnen leiden tot het aannemen van bedrog in de onderhavige zaak. Relevant is hoe Webactueel zich jegens [partij B] heeft gedragen. Uit door [partij B] naar voren gebrachte feiten en omstandigheden blijkt niet van enige opzettelijke onjuiste mededeling, het opzettelijk verzwijgen van relevante informatie of een andere kunstgreep. Daarbij weegt de rechtbank mee dat Webactueel ter zitting (onweersproken) heeft verklaard dat [partij B] zou hebben gezegd dat hij goede omzetten had en grote plannen had met zijn bedrijf. Voor zover Webactueel (te) optimistisch is geweest over de doeltreffendheid van haar diensten, valt dit onder de in artikel 3:44 lid 3 BW opgenomen “aanprijzingen” die niet leiden tot bedrog. De rechtbank overweegt voorts dat de maandelijkse kosten van de door Webactueel geoffreerde diensten op iedere overeenkomst expliciet staan vermeld. Het lag op de weg van [partij B], als zelfstandig ondernemer, om zelf een inschatting te maken van zijn draagkracht voordat hij de overeenkomsten ondertekende. Dat hij financiële verplichtingen is aangegaan zonder de overeenkomst (goed) te lezen, komt voor zijn eigen rekening en risico.
Geen sprake van misbruik van omstandigheden
[partij B] doet ook een beroep op misbruik van omstandigheden en stelt in dit verband dat hij is misleid doordat [naam] tijdens het moment van ondertekenen van de overeenkomsten is gaan bidden. Hierdoor ontstond een situatie waarin [partij B] zich verplicht voelde om de overeenkomsten te ondertekenen en heeft hij zijn onderzoeksplicht verzuimd. Daarbij speelde ook mee dat [partij B] de overeenkomsten al tijdens het eerste kennismakingsgesprek moest ondertekenen, aldus [partij B].
Webactueel betwist dat sprake is van misbruik van omstandigheden. Het stond [partij B] vrij om de overeenkomsten - al dan niet - te ondertekenen. Het enkele feit dat [naam] tijdens het gesprek is gaan bidden en/of zich anderszins religieus heeft geuit, leidt niet tot misbruik van omstandigheden in de zin van artikel 3:44 lid 4 BW. De overeenkomsten zijn bovendien op verschillende momenten ondertekend, aldus Webactueel.
Ook het beroep op misbruik van omstandigheden slaagt niet. Dit licht de rechtbank als volgt toe. Artikel 3:44 lid 4 BW bepaalt dat misbruik van omstandigheden aanwezig is wanneer iemand die weet of moet begrijpen dat een ander door bijzondere omstandigheden, zoals noodtoestand, afhankelijkheid, lichtzinnigheid, abnormale geestestoestand of onervarenheid, bewogen wordt tot het verrichten van een rechtshandeling, het tot stand komen van die rechtshandeling bevordert, ofschoon hetgeen hij weet of moet begrijpen hem daarvan zou behoren te weerhouden. Het enkele feit dat [naam] [partij B] verteld heeft dat hij moslim is en tijdens het gesprek is gaan bidden, levert onvoldoende grond op om te kunnen aannemen dat [naam] [partij B] onder bijzondere omstandigheden heeft bewogen tot het ondertekenen van de overeenkomsten zonder deze eerst te lezen. Ook anderszins blijkt nergens uit dat Webactueel [partij B] onder druk heeft gezet om de overeenkomsten te ondertekenen. Het feit dat [partij B] de overeenkomsten heeft ondertekend zonder deze (goed) te lezen, komt - ook hier - voor zijn eigen rekening en risico.
Geen dwaling bij totstandkoming overeenkomsten
Ter onderbouwing van het beroep op dwaling stelt [partij B] dat Webactueel het heeft doen voorkomen alsof de geoffreerde werkzaamheden de beste oplossing waren voor het bedrijf van [partij B]. Als [partij B] bekend was geweest met de daadwerkelijke situatie (een financiële strop en geen resultaten), had hij de overeenkomsten niet gesloten.
Webactueel betwist dat sprake is van dwaling. Zij voert aan dat Webactueel geen onjuiste mededelingen heeft gedaan. Zij heeft slechts aangeboden om het online bereik van [partij B] te vergroten. Dat dit resultaat (vooralsnog) is uitgebleven en dat [partij B] hierover ontevreden is, maakt niet dat sprake was van een onjuiste voorstelling van zaken op het moment dat de overeenkomsten werden gesloten. Ook is niet gebleken dat Webactueel enige informatie heeft achtergehouden. [partij B] heeft zijn onderzoeksplicht geschonden en dit komt voor zijn eigen rekening en risico, aldus Webactueel.
De rechtbank verwerpt het beroep op dwaling en overweegt daartoe als volgt. Artikel 6:228 lid 1 BW bepaalt dat een overeenkomst die tot stand is gekomen onder invloed van dwaling en bij een juiste voorstelling van zaken niet zou zijn gesloten, onder meer vernietigbaar is als (a) de dwaling te wijten is aan een inlichting van de wederpartij; of (b) indien de wederpartij in verband met hetgeen zij omtrent de dwaling wist of behoorde te weten, de dwalende had behoren in te lichten. [partij B] heeft allereerst niet duidelijk gemaakt op welke dwalingsgrond (a) of (b) hij zich beroept. Voor zover [partij B] heeft bedoeld zich te beroepen op een door Webactueel verstrekte inlichting (sub a), overweegt de rechtbank dat Webactueel gemotiveerd heeft weersproken dat zij [partij B] onjuiste inlichtingen heeft verstrekt. Ter onderbouwing van haar betwisting heeft Webactueel aangevoerd dat [partij B] zelf zou hebben aangegeven dat zijn bedrijf goede omzetten had en dat hij grote plannen had. Gelet hierop, waren de door Webactueel aangeboden diensten volgens haar passend. Aan het (eventuele) standpunt van [partij B] dat Webactueel hem onjuiste inlichtingen heeft verstrekt (sub a), gaat de rechtbank daarom als onvoldoende onderbouwd voorbij. Voor zover [partij B] heeft bedoeld zich te beroepen op een schending van de mededelingsplicht (sub b), overweegt de rechtbank dat [partij B] zijn stellingen ook op dit punt onvoldoende heeft onderbouwd. Het lag op de weg van [partij B] om zich te verdiepen in de door Webactueel aangeboden diensten, deze kritisch te bekijken en zich te vergewissen van de hieruit voortvloeiende financiële verplichtingen voor het ondertekenen van de overeenkomsten. Dat [partij B] dit niet (of onvoldoende) heeft gedaan, komt voor zijn eigen rekening en risico (zie in dit kader ook lid 2 van artikel 6:228 BW). De rechtbank overweegt tot slot dat het enkele feit dat de resultaten achteraf bezien tegenvallen, geen grond oplevert voor dwaling in de zin van artikel 6:228 BW.
Conclusie
De slotsom van het voorgaande is dat de reconventionele vordering tot vernietiging van de overeenkomsten wordt afgewezen.
in conventie
Geen wanprestatie
[partij B] stelt dat Webactueel tekortgeschoten is in de nakoming van haar verplichtingen. Hij voert daartoe - samengevat - aan dat Webactueel gebrekkige websites gecreëerd heeft die niet aan de overeenkomsten voldoen en niet werden gedraaid. Er is geen werkende webshop. Webactueel heeft geen SEO, SEA of social media gerelateerde werkzaamheden verricht. Ook is Webactueel tekortgeschoten in haar communicatie en het terugkoppelen van de werkzaamheden aan [partij B]. De werkzaamheden hebben bovendien niets opgeleverd, aldus [partij B]. Ter onderbouwing van zijn stellingen overlegt [partij B] twee rapporten van door hem geraadpleegde deskundigen.
Webactueel betwist dat sprake is van een tekortkoming aan haar zijde. Zij voert in dit kader aan dat met SEO-trajecten al kan worden gestart voordat een website operationeel is. Webactueel betwist daarnaast dat zij in verzuim is komen te verkeren, omdat [partij B] volgens haar al eerder in verzuim verkeerde. Webactueel betwist tot slot dat [partij B] schade heeft geleden.
[partij B] heeft desgevraagd ter zitting toegelicht dat de tekortkoming aan de zijde van Webactueel er volgens hem toe zou moeten leiden dat Webactueel “schadeplichtig wordt”. Op grond hiervan hoeft [partij B] het openstaande bedrag niet langer te betalen, aldus [partij B]. Uit het betoog van Webactueel begrijpt de rechtbank dat zij zich onder meer beroept op schuldeisersverzuim (artikel 6:59 BW). De rechtbank overweegt ten aanzien van deze standpunten als volgt. Voor een geslaagd beroep op wanprestatie door [partij B] moet aan de in artikel 6:74 BW opgenomen voorwaarden zijn voldaan. Dit betekent dat er sprake moet zijn van (a) een verbintenis; (b) een tekortkoming; (c) verzuim (tenzij de nakoming blijvend onmogelijk is) en (d) causaal verband tussen de tekortkoming en de schade. De rechtbank is van oordeel dat [partij B] zich in dit geval niet met succes op wanprestatie kan beroepen, omdat niet aan het vereiste onder (c) (het verzuim) is voldaan. Dit vindt zijn oorzaak in het volgende. Artikel 6:61 lid 2 BW bepaalt dat een schuldenaar (Webactueel in dit geval) niet in verzuim kan raken zolang de schuldeiser ([partij B] in dit geval) in verzuim is. De rechtbank volgt Webactueel in haar (onweersproken) betoog dat [partij B] als eerste in verzuim is komen te verkeren. Er kon hierdoor geen verzuim meer ontstaan aan de zijde van Webactueel. Gebleken is namelijk dat [partij B] de facturen over de periode van 30 mei 2024 tot en met 19 juni 2024 onbetaald heeft gelaten (zie ook randnummer 3.4). [partij B] heeft vanaf het verstrijken van de betalingstermijnen op die facturen doorlopend in verzuim verkeerd. Een hieraan voorafgaande ingebrekestelling van de zijde van Webactueel was niet vereist, omdat de facturen een betalingstermijn vermelden (artikel 6:83 sub a BW). Niet gesteld of gebleken is bovendien dat [partij B] op enig moment voor het starten van de onderhavige procedure een beroep heeft gedaan op een tekortkoming van Webactueel, laat staan dat hij daar gevolgen aan heeft verbonden. Sterker nog, partijen zijn - nadat [partij B] al in verzuim verkeerde met de betaling van de facturen - op 21 augustus 2024 in onderling overleg tot een beëindiging van hun samenwerking gekomen waarbij zij ook overeenstemming hebben bereikt over het door [partij B] te betalen bedrag.
Voor zover [partij B] onder verwijzing naar een uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 12 juni 2019 (ECLI:NL:RBMNE:2019:2674) in zijn algemeenheid nog een beroep heeft gedaan op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid, slaagt dit beroep niet. Anders dan in de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland, waarin de rechtbank overwoog dat sprake was van een ernstige wanprestatie, slaagt het beroep op wanprestatie in de onderhavige zaak niet. Zoals hiervoor al is geoordeeld verkeerde [partij B] zelf al in verzuim met zijn betalingsverplichtingen als gevolg van het verstrijken van de betalingstermijnen op de facturen, waardoor er geen verzuim kon ontstaan aan de zijde van Webactueel. Tot slot overweegt de rechtbank dat het beroep op wanprestatie ook los van het ontbreken van verzuim aan de zijde van Webactueel niet slaagt, omdat [partij B] op geen enkele wijze heeft onderbouwd dat hij schade heeft geleden als gevolg van de vermeende tekortkoming van Webactueel.
Zoals hiervoor onder randnummer 3.5 overwogen, zijn partijen op 21 augustus 2024 tot overeenstemming gekomen over het door [partij B] te betalen bedrag. Dit bedrag is in de onderhavige procedure niet weersproken. Op basis van de onder randnummer 3.6 opgenomen e-mail heeft de rechtbank de totale verschuldigde hoofdsom berekend op [€ 83.261,46 inclusief btw + (45.000 exclusief btw x 1,21 =) € 54.450,00 inclusief btw =] € 137.711,46 inclusief btw. Dit bedrag komt overeen met de door Webactueel gevorderde hoofdsom en zal de rechtbank toewijzen.
De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten worden toegewezen
Webactueel vordert betaling van buitengerechtelijke incassokosten van € 2.152,09. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De rechtbank stelt vast dat Webactueel voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten komt op twee cent na overeen met het in het Besluit bepaalde tarief. Omdat de rechtbank niet meer mag toewijzen dan gevorderd, zal zij het gevorderde bedrag van € 2.152,09 toewijzen.
Proceskosten
in conventie
[partij B] zal in conventie als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten (inclusief nakosten) worden veroordeeld. Webactueel heeft desgevraagd ter zitting toegelicht dat onder de gevorderde proces- en nakosten ook de beslagkosten moeten worden verstaan. De gevorderde beslagkosten zijn gelet op het bepaalde in artikel 706 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering toewijsbaar. De kosten aan de zijde van Webactueel worden begroot op een bedrag van € 14.753,65 in totaal, bestaande uit:
- € 6.861,00 voor betaald griffierecht (voor zowel het beslagrekest als de bodemprocedure),
- € 119,40 voor kosten dagvaardingsexploot,
- € 0,57 voor overige explootkosten,
- € 1.423,68 voor kosten beslag- en betekeningsexploten,
- € 6.153,00 voor forfaitair salaris advocaat, uitgaande van 3 punten x tarief V ad € 2.051,00 (waaronder 1 punt voor het beslag),
- € 196,00 nakosten (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing).
in reconventie
Ook in reconventie zal [partij B] als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten (inclusief nakosten) worden veroordeeld. De rechtbank begroot deze kosten aan de zijde van Webactueel op een bedrag van € 753,00 in totaal, bestaande uit de volgende posten:
- € 653,00 aan salaris advocaat (2 punten x tarief II ad € 653,00 x 0,5 gelet op de samenhang tussen het geschil in conventie en in reconventie)
- € 100,00 aan nakosten (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing).
6. De beslissing
De rechtbank
in conventie
veroordeelt [partij B] tot betaling van een bedrag van € 137.711,46 inclusief btw,
veroordeelt [partij B] tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten van € 2.152,09.
veroordeelt [partij B] in de proceskosten van € 14.753,65, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 49,00 plus de kosten van betekening als [partij B] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
in reconventie
wijst de vorderingen af,
veroordeelt [partij B] in de proceskosten van € 753,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 49,00 plus de kosten van betekening als [partij B] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart de onder 6.6 opgenomen proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.E. Povel, rechter, bijgestaan door mr. L. Klink, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 4 februari 2026.