Gezag en verdeling van de zorg- en opvoedingstaken c.q. omgang
Beschikking op het op 18 oktober 2023 ingekomen verzoek van:
[de vader] ,
de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. W.D. van Doorn te Amsterdam.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de moeder] ,
de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
mr. D.K.P.K. el Fadili te Oegstgeest.
Procedure
Bij beschikking van 18 maart 2025 van deze rechtbank is bepaald dat:
en is een beslissing ter zake van het gezag en de zorgregeling aangehouden in afwachting van het traject Ouderschapsbemiddeling bij Jeugdformaat.
De rechtbank heeft wederom kennis genomen van de stukken, waaronder nu ook:
Op 9 maart 2026 is de behandeling ter zitting voortgezet. Hierbij zijn verschenen:
Van de zijde van de moeder zijn nadere stukken, inhoudende de brief van 4 maart 2026, met bijlagen, overgelegd. De rechtbank heeft hier na afloop van de zitting kennis van genomen. Van de zijde van de vader zijn pleitnotities overgelegd.
Verzoek en verweer
Het verzoek van de vader strekt er, na wijziging, nog toe dat:
- een zorgregeling wordt vastgesteld, in die zin dat [minderjarige] bij de vader is:
- de ene week van vrijdag 16.00 uur tot zondag tussen 17.00 uur en 18.00 uur, waarbij het halen en brengen door de ouders wordt gedeeld;
- de andere week op woensdag van 10.00 uur tot tussen 17.00 uur en 18.00 uur;
- de helft van de vakanties, feestdagen en verjaardagen,
- waarbij geldt dat het halen en brengen door de ouders wordt verdeeld;
een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.
De moeder voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Daarnaast strekt het zelfstandige verzoek van de moeder er, na aanvulling, nog toe dat:
een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.
De vader voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Beoordeling
De rechtbank handhaaft al hetgeen bij genoemde beschikking is overwogen en beslist, voor zover in deze beschikking niet anders wordt overwogen of beslist.
Gezag
Wettelijk kader
Op grond van artikel 1:253n, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of één van hen het gezamenlijk gezag worden beëindigd, indien nadien de omstandigheden zijn gewijzigd. Zoals blijkt uit artikel 1:253n, tweede lid, BW zijn de gronden van artikel 1:251a, eerste lid, BW, van overeenkomstige toepassing. Het gezamenlijk gezag kan derhalve worden beëindigd, indien: (a) er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of (b) wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
Inhoudelijke beoordeling
De moeder heeft verzocht om haar voortaan met het eenhoofdig gezag over [minderjarige] te belasten. De communicatie tussen de ouders verloopt moeizaam en de moeder ervaart dat afspraken niet altijd worden nagekomen. Tijdens de overdrachtsmomenten en telefonisch contact ontstaan met regelmaat discussies. Als de gezamenlijke gesprekken in het kader van de ouderschapsbemiddeling wederom geen resultaten geven, ziet de moeder alleen nog een traject als Parallel Solo Ouderschap zitten.
Volgens de vader verloopt de communicatie weliswaar moeizaam, maar hebben de ouders wel stappen gezet in hun communicatie. Dat heeft er onder meer toe geleid dat zij de voorlopige zorgregeling in onderling overleg hebben uitgebreid. Een definitieve zorgregeling zal bovendien duidelijkheid en rust brengen en dit zal van positieve invloed zijn op de onderlinge relatie en communicatie.
De rechtbank stelt bij de beoordeling voorop dat het uitgangspunt van de wetgever is dat ouders gezamenlijk het gezag uitoefenen en dat slechts in uitzonderingsgevallen één ouder met het gezag is belast. Zowel uit de stukken als hetgeen op de zitting is besproken, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gebleken van contra-indicaties voor het gezamenlijk gezag van beide ouders.
De ouders zijn het erover eens dat hun communicatie nog te wensen overlaat, maar zij zijn beiden bereid om hieraan te werken. Op de zitting is besproken dat zowel de vader als de moeder inmiddels individuele coaching hebben gehad en dat de ouderschapsbemiddeling bij Jeugdformaat binnenkort zal worden hervat. De moeder stuurt daarnaast maandelijks een e-mail aan de vader met belangrijke informatie. Wel heeft zij op de zitting aangegeven dat de vader daar niet op reageert, terwijl zij dat wel graag zou zien. Verder kunnen de ouders belangrijke informatie over [minderjarige] opnemen in een overdrachtsschriftje. De vader heeft voorafgaand aan de zitting zijn toestemming gegeven voor een vakantie van de moeder met [minderjarige] naar [land] , zodat ook geen sprake is van het blokkeren van gezagsbeslissingen door de vader.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het verzoek van de moeder om eenhoofdig gezag afwijzen. De rechtbank ziet daarnaast geen aanleiding om een raadsonderzoek te gelasten, zodat zij het subsidiaire verzoek van de moeder ook zal afwijzen.
Verdeling van de zorg- en opvoedingstaken
Wettelijk kader
Op grond van artikel 1:253a tweede lid onder a van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechtbank op verzoek van de ouders of van één van hen een zorgregeling vaststellen. De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt.
Inhoudelijke beoordeling
De vader heeft verzocht om de vaststelling van een zorgregeling. Er zijn geen zorgen over de veiligheid van [minderjarige] bij hem. Hij houdt zich aan het advies van de diëtiste en verzorgt haar goed. [minderjarige] heeft bij hem geen last van overgeefklachten. Het is voor de vader van belang dat hij een actieve rol kan spelen in het dagelijks leven van [minderjarige] . Daar hoort bij dat hij ook de dagelijkse zorgtaken zoals het naar bed brengen en in bad doen op zich kan nemen. Hij zou daarom graag zien dat er een definitieve zorgregeling wordt vastgesteld, waarbij [minderjarige] om de week van vrijdag 10.00 uur tot zondag 18.30 uur bij hem verblijft. Bij een weekendregeling kan [minderjarige] langer achter elkaar bij de vader verblijven, zodat de hechting tussen vader en [minderjarige] wordt bevorderd. Ook is een weekendregeling beter te combineren met zijn werk. Volgens de vader is het redelijk dat de moeder ook een bijdrage levert aan het halen en brengen van [minderjarige] , zodat de kosten daarvan worden gedeeld. De ouders verkeren immers in een ongeveer gelijke financiële positie.
De moeder staat wel open voor contact tussen de vader en [minderjarige] , maar volgens haar is het nog te vroeg voor onbegeleid contact bij de vader thuis. Zij heeft zorgen over de veiligheid van [minderjarige] in de woning van de vader. Bovendien lijkt de vader onvoldoende in te zien dat [minderjarige] kwetsbaar is in haar ontwikkeling. Daarom is het van belang dat het contact tussen de vader en [minderjarige] wordt opgebouwd, waarbij aandacht is voor de belastbaarheid van [minderjarige] . Eind 2025 is de moeder genoodzaakt geweest om de zorgregeling tijdelijk stop te zetten, omdat zij merkte dat de uitbreiding van de zorgregeling in combinatie met het starten op de peuterspeelzaal te veel was voor [minderjarige] . Hierdoor moest [minderjarige] vaker overgeven. De zorgregeling kan pas verder worden uitgebreid wanneer [minderjarige] een stabieler gewicht heeft en meer draagkracht heeft.
De rechtbank stelt voorop dat zij geen zorgen over de veiligheid van [minderjarige] bij de vader heeft. De rechtbank gaat ervan uit dat de vader in zijn woning zorg draagt voor een veilige omgeving en dat hij de adviezen van de diëtiste opvolgt. De rechtbank acht het in het belang van [minderjarige] dat een definitieve zorgregeling wordt vastgelegd, zodat duidelijkheid ontstaat en de ouders zich in het traject bij Jeugdformaat kunnen richten op het verbeteren van hun communicatie.
Gelet op de jonge leeftijd van [minderjarige] verdient een regeling waarbij sprake is van frequent contact in beginsel de voorkeur. De rechtbank heeft echter ook oog voor de beperkte mogelijkheden doordeweeks vanwege het werk van de vader en de afstand tussen de woonplaatsen van de ouders en de kosten die daarmee gepaard gaan. Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat [minderjarige] eens in de twee weken van vrijdag 16.00 uur tot zondag 17.00 uur bij de vader zal verblijven. De rechtbank zal hierin een opbouw bepalen, zodat [minderjarige] de gelegenheid krijgt om aan de uitbreiding van het contact met haar vader te wennen. Ten aanzien van het halen en brengen, overweegt de rechtbank dat dit voor rekening van de vader zal komen. De moeder is lichamelijk niet in staat om [minderjarige] te brengen of te halen en draagt bovendien al het grootste gedeelte van de zorg voor [minderjarige] .
Voor zover de moeder heeft aangevoerd dat [minderjarige] op de vrijdag naar de peuterspeelzaal gaat, overweegt de rechtbank dat het contact met haar vader belangrijker is dan de peuterspeelzaal. Daarnaast overweegt de rechtbank dat zij ervan uit gaat dat als de moeder nog geen reis naar [land] heeft geboekt, zij bij het kiezen van de exacte data rekening houdt met de zorgregeling tussen de vader en [minderjarige] .
Ten aanzien van de vakanties zal de rechtbank bepalen dat deze met ingang van de herfstvakantie 2026 in onderling overleg bij helfte zullen worden verdeeld. De ouders kunnen in het kader van het traject bij Jeugdformaat concrete afspraken maken over de exacte wijze van verdeling.
Vervangende toestemming
De vader heeft voorafgaand aan de zitting het benodigde toestemmingsformulier ingevuld. De rechtbank beschouwt het verzoek van de moeder tot vervangende toestemming daarom als ingetrokken.
Beslissing
De rechtbank – met wijziging in zoverre van de beschikking van deze rechtbank van
18 maart 2025 –:
stelt ten aanzien van de vader en de [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2023 te [geboorteplaats] de volgende verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vast:
bepaalt dat de vakanties, feestdagen en verjaardagen met ingang van de herfstvakantie 2026 in onderling overleg bij helfte worden gedeeld;
stelt vast dat de opdracht aan de hulpverleningsinstantie om te rapporteren over het hulpverleningstraject en de voorwaardelijke opdracht aan de Raad voor de Kinderbescherming om te bezien of een onderzoek noodzakelijk is, met deze beschikking is komen te vervallen;
beveelt de griffier binnen twee dagen na heden een afschrift van (de kennisgeving van) deze beschikking te zenden naar:
Kenniscentrum Kind en Scheiding, Albertus de Oudelaan 1, 2273 CW Voorburg;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders verzochte.