Ontkenning vaderschap, gerechtelijke vaststelling vaderschap en geslachtsnaam
Beschikking op het op 10 juni 2025 ingekomen verzoek van:
[de vrouw],
de vrouw/de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. R.G. Groen te Den Haag.
Als belanghebbenden worden aangemerkt:
[de juridische vader],
de juridische vader,
zonder bekende woon- of verblijfplaats binnen en buiten Nederland,
[de man],
de man,
wonden op een bij de rechtbank bekend adres,
[minderjarige], geboren op [geboortedatum 1] 2025 te [geboorteplaats 1],
de minderjarige,
in rechte vertegenwoordigd door mr. A.A.G. Balkenende, advocaat te Katwijk,
in de hoedanigheid van bijzondere curator.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
Op 23 maart 2026 heeft ter zitting van deze rechtbank een gecombineerde behandeling plaatsgevonden van zowel onderhavig verzoek als het verzoek van de vrouw tot echtscheiding (C/09/680163 / FA RK 25-1071). Op dit laatste verzoek wordt bij afzonderlijke beschikking beslist.
Op de zitting zijn verschenen:
De juridische vader is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet op de zitting verschenen.
Verzoek en verweer
De vrouw verzoekt:
ten aanzien van de ontkenning van het vaderschap:
ten aanzien van de gerechtelijke vaststelling van het ouderschap:
(onder de opschortende voorwaarde dat voormelde beslissing tot gegrondverklaring van de ontkenning van het vaderschap in kracht van gewijsde is gegaan):
De man heeft ingestemd met het verzoek.
De juridische vader heeft geen verweer gevoerd.
De bijzondere curator verzoekt:
Feiten
- Bij beschikking van deze rechtbank van 10 april 2026 (C/09/680163 / FA RK 25-1071) is de echtscheiding uitgesproken tussen de vrouw en de juridische vader.
Beoordeling
Ontkenning vaderschap
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Nu verzoekster in Nederland woont, heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht op grond van artikel 3 aanhef en onder a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).
Op grond van artikel 10:93 lid 1 juncto artikel 10:92 lid 1 en 2 BW wordt de vraag of en onder welke voorwaarden het vaderschap van een man kan worden ontkend in beginsel bepaald door het recht dat van toepassing is op het ontstaan van de familierechtelijke betrekking, te weten het recht van de staat van de gemeenschappelijke nationaliteit van de vader en de moeder ten tijde van de geboorte van het kind, of, indien dit ontbreekt, door het recht van de staat van hun gemeenschappelijke gewone verblijfplaats ten tijde van de geboorte van het kind, of, indien ook dit ontbreekt, door het recht van de staat van de gewone verblijfplaats van het kind.
De moeder stelt dat zij en de juridische vader de Filipijnse nationaliteit gemeenschappelijk hebben, hetgeen ondersteund wordt door de stukken. De rechtbank past daarom het Filipijnse recht toe op het verzoek.
Filipijns recht
Artikel 164 van ‘The family code’ van [land] bepaalt dat tijdens het huwelijk van de ouders geboren kinderen wettige kinderen zijn. [de juridische vader] is vanwege het huwelijk met de vrouw de juridische vader van [minderjarige].
De mogelijkheid tot ontkenning van het vaderschap is in het [land] recht opgenomen. Ingevolge artikel 166 van ‘The family code’ van [land] kan het vaderschap worden ontkend op de grond dat:
Ontvankelijkheid
De rechtbank overweegt dat uit de tekst van bovengenoemd artikel 166 niet expliciet volgt aan welke personen de mogelijkheid wordt geboden een verzoek tot ontkenning van het vaderschap in te dienen. Wel volgt uit artikel 167 van ‘The family code’ van [land] dat de ontkenning van de wettigheid van het kind niet door de moeder kan worden verzocht. Nu een dergelijke beperking voor de minderjarige niet is opgenomen, gaat de rechtbank ervan uit dat [minderjarige] kan worden ontvangen in haar verzoek tot ontkenning van het vaderschap. Daarbij komt dat in artikel 173 van ‘The family code’ van [land] is opgenomen dat een kind om wettigheid kan verzoeken, op grond waarvan de rechtbank aanneemt dat een minderjarige ook de ontkenning van het vaderschap kan verzoeken.
Verder overweegt de rechtbank dat zij geen termijn in acht zal nemen waarbinnen [minderjarige] het verzoek zou moeten hebben ingediend. In voormeld artikel 173 is immers geen termijn opgenomen. De rechtbank verwijst ook naar de uitspraak in de meervoudige kamer van deze rechtbank van 15 augustus 2016 (ECLI:NL:RBDHA:2016:11471).
De rechtbank zal de vrouw gelet op het bepaalde in artikel 167 van ‘The family code’ niet-ontvankelijk verklaren in haar verzoek. De rechtbank verklaart de bijzondere curator namens [minderjarige] wel ontvankelijk in het verzoek.
Inhoudelijke beoordeling
Voor de vraag in hoeverre de ontkenning naar [land] recht mogelijk is, zal de rechtbank aansluiten bij de vereisten die zijn genoemd in het voormelde artikel 166. Daarbij is het volgende van belang. Uit het verwantschapsonderzoek van Verilabs van 30 september 2025 blijkt dat met een waarschijnlijkheid van meer dan 99.99% is aangetoond dat de persoon geïdentificeerd als [de man] de biologische vader is van [minderjarige]. Dit is medisch bewijs dat de juridische vader onmogelijk de vader van [minderjarige] kan zijn.
Onder deze omstandigheden zal de rechtbank het verzoek tot gegrondverklaring van de ontkenning van het vaderschap van de juridische vader over [minderjarige] toewijzen.
De rechtbank zal het verzoek om de griffier te gelasten een afschrift van deze beschikking aan de ambtenaar van de burgerlijke stand te zenden afwijzen bij gebrek aan belang, omdat deze verplichting op grond van artikel 1:20e lid 1 BW al uit de wet voortvloeit.
Gerechtelijke vaststelling vaderschap
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Nu verzoekster in Nederland woont, heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht op grond van artikel 3 aanhef en onder a Rv.
Of en onder welke voorwaarden ouderschap van een persoon gerechtelijk kan worden vastgesteld, wordt krachtens artikel 10:97 BW bepaald door het recht van de staat van de gemeenschappelijke nationaliteit van die persoon en de moeder of, indien dit ontbreekt, door het recht van de staat waar die persoon en de moeder elk hun gewone verblijfplaats hebben of, indien ook dit ontbreekt, door het recht van de staat van de gewone verblijfplaats van het kind.
De moeder en de man hebben geen gemeenschappelijke nationaliteit. De moeder en de man hebben wel beiden de gewone verblijfplaats in Nederland. De rechtbank zal daarom Nederlands recht toepassen op het verzoek.
Ontvankelijkheid
Op grond van artikel 1:207 lid 1 BW kan een verzoek tot gerechtelijke vaststelling vaderschap worden gedaan door de moeder, tenzij het kind de leeftijd van zestien jaar heeft bereikt, of door het kind.
Op grond van artikel 1:207 lid 3 BW wordt het verzoek door de moeder ingediend binnen vijf jaren na de geboorte van het kind of, in geval van onbekendheid met de identiteit van de vermoedelijke verwekker dan wel van onbekendheid met zijn verblijfplaats, binnen vijf jaren na de dag waarop de identiteit en de verblijfplaats aan de moeder bekend zijn geworden.
De moeder heeft het verzoek ingediend binnen de gestelde termijn. De rechtbank zal haar ontvankelijk verklaren in het verzoek.
Inhoudelijke beoordeling
Op grond van artikel 1:207 lid 1 BW kan het ouderschap van een persoon door de rechtbank worden vastgesteld op de grond dat deze de verwekker is van het kind of op de grond dat deze persoon als levensgezel van de moeder ingestemd heeft met een daad die de verwekking van het kind tot gevolg kan hebben gehad.
De moeder benadrukt haar belang bij gerechtelijke vaststelling van het vaderschap van de man in plaats van het vaderschap door de man te laten erkennen. De moeder verblijft in Nederland zonder verblijfstitel. Vanuit [land] zal zij geen ‘verklaring van ongehuwd zijn’ kunnen verkrijgen die nodig is voor een erkenning. Zij kan die verklaring niet krijgen omdat de Nederlandse echtscheiding op [land] niet zal worden erkend. [land] kennen nog steeds geen echtscheiding. De moeder beschikt dus niet over de benodigde [land] stukken om in Nederland [minderjarige] door de man te laten erkennen.
De man heeft verder op de zitting aangegeven dat hij al vanaf voor de geboorte van [minderjarige] betrokken is. In totaal is de man met de moeder acht keer bij de gemeente geweest voor de erkenning van [minderjarige]. Iedere keer is dat niet gelukt. Maar het was de bedoeling om vanaf het begin als juridisch vader van [minderjarige] geregistreerd te staan.
De rechtbank zal in dit geval niet van de vrouw verlangen om de route van erkenning te bewandelen. De gerechtelijke vaststelling vaderschap heeft, in tegenstelling tot erkenning, immers terugwerkende kracht. De gerechtelijke vaststelling van het vaderschap doet in de situatie van [minderjarige] meer recht aan de feitelijke situatie waarbij de man vanaf het begin af aan betrokken was bij [minderjarige] en ook geprobeerd heeft zijn vaderschap juridisch vastgesteld te zien.
Zoals hiervoor reeds overwogen blijkt uit het overgelegde verwantschapsonderzoek van Verilabs van 30 september 2025 dat met een waarschijnlijkheid van meer dan 99.99% is aangetoond dat de persoon geïdentificeerd als [de man] de biologische vader is van [minderjarige]. Nu van overige bezwaren als bedoeld in artikel 1:207 BW niet is gebleken ligt het verzoek van de moeder – onder de voorwaarde dat de beslissing tot de gegrondverklaring van de ontkenning van het vaderschap onherroepelijk is geworden – voor toewijzing gereed.
De rechtbank komt hiermee niet meer toe aan het verzoek dat namens [minderjarige] door de bijzondere curator is gedaan, omdat de moeder al ontvankelijk is in haar verzoek.
Het verzoek om de ambtenaar van de burgerlijke stand te gelasten de latere vermelding van het door de rechtbank vastgestelde ouderschap aan de daarvoor in aanmerking komende akte toe te voegen, zal de rechtbank afwijzen bij gebrek aan belang. Dit volgt immers reeds uit de wet.
Geslachtsnaam
Rechtsmacht en toepasselijk recht
De Nederlandse rechter heeft op grond van artikel 3 aanhef en onder a Rv rechtsmacht om te beslissen op het verzoek tot wijziging van de geslachtsnaam van [minderjarige].
Op grond van artikel 10:20 BW worden de geslachtsnaam en de voornamen van een persoon die de Nederlandse nationaliteit bezit, ongeacht de vraag of hij nog een andere nationaliteit heeft, bepaald door het Nederlandse recht. Dit geldt ook indien vreemd recht van toepassing is op de familierechtelijke betrekkingen waarvan het ontstaan of het tenietgaan gevolg kan hebben voor de geslachtsnaam.
Inhoudelijke beoordeling
De gegrondverklaring van de ontkenning van het ouderschap van de juridische vader over de minderjarige heeft, nadat deze beslissing in kracht van gewijsde is gegaan, terugwerkende kracht op grond van artikel 1:202 lid 1 BW. De juridische vader wordt geacht nooit de vader van de minderjarige te zijn geweest.
Uit artikel 1:5 lid 2 BW volgt dat indien een kind door gerechtelijke vaststelling van het vaderschap in familierechtelijke betrekking tot de vader komt te staan, het de geslachtsnaam houdt van de moeder, tenzij de moeder en de man, wiens vaderschap is vastgesteld, ter gelegenheid van de vaststelling gezamenlijk verklaren dat het kind de geslachtsnaam van de vader zal hebben of van beide ouders in een vrij te bepalen volgorde. De rechterlijke uitspraak inzake de vaststelling van het vaderschap vermeldt de verklaring van de ouders omtrent de geslachtsnaamkeuze.
De moeder en de man hebben een verklaring naamskeuze ex voornoemd artikel ingediend, door hen ondertekend op 4 november 2025. Zij verklaren gezamenlijk dat [minderjarige] ter gelegenheid van de gerechtelijke vaststelling van het ouderschap de geslachtsnaam ‘[geslachtsnaam]’ zal dragen.
De rechtbank zal deze beoogde geslachtsnaam in het dictum van deze beschikking opnemen.
Ontslag bijzondere curator
Uit de te nemen beslissing volgt dat de vertegenwoordiging van de [minderjarige] door de bijzondere curator niet meer nodig is. De rechtbank zal de bijzondere curator daarom ontslaan uit zijn functie.
Beslissing
De rechtbank:
*
verklaart de vrouw niet-ontvankelijk in haar verzoek tot gegrondverklaring van de ontkenning van het vaderschap;
*
verklaart gegrond het verzoek van de bijzondere curator tot ontkenning van het vaderschap van:
- [de juridische vader], zonder bekende geboortedatum- en plaats;
over de minderjarige:
- [minderjarige], geboren op [geboortedatum 1] 2025 te [geboorteplaats 1],
uit:
- [de vrouw], geboren op [geboortedatum 2] 1992 te [geboorteplaats 2], [land];
*
stelt – onder de voorwaarde dat de beslissing tot gegrondverklaring van de ontkenning van het vaderschap onherroepelijk is geworden – vast het vaderschap van [de man], geboren op [geboortedatum 3] 1991 te [geboorteplaats 3], over voornoemde [minderjarige], geboren op [geboortedatum 1] 2025 te [geboorteplaats 1];
*
stelt vast dat de verklaring van de man en de moeder luidt dat de [minderjarige] de geslachtsnaam van de man zal dragen: ‘[geslachtsnaam]’;
*
beschouwt de werkzaamheden van de bijzondere curator voor deze procedure als beëindigd;
*
wijst af het meer of anders verzochte.