Scheiding
Beschikking op het op 12 februari 2025 ingekomen verzoek van:
[de vrouw] ,
de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. R.G. Groen te Den Haag.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de man] ,
de man,
zonder bekende woon- of verblijfplaats binnen en buiten Nederland.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
Op 23 maart 2026 heeft ter zitting van deze rechtbank een gecombineerde behandeling plaatsgevonden van zowel onderhavig verzoek als het verzoek van de vrouw tot ontkenning van het vaderschap en tot gerechtelijke vaststelling van het vaderschap (C/09/685741 / FA RK 25-3880). Op dit laatste verzoek wordt bij afzonderlijke beschikking beslist.
Op de zitting zijn verschenen:
De man is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet op de zitting verschenen.
Verzoek
De vrouw verzoekt de echtscheiding uit te spreken tussen partijen.
Feiten
Beoordeling
Echtscheiding
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Op de zitting is de rechtsmacht van de Nederlandse rechter met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding besproken. De vrouw en de man hebben de Filipijnse nationaliteit. Het verzoek is ingediend op 12 februari 2025. Volgens de Registratie Niet Ingezetenen verbleef de vrouw op dat moment in [land 2] . Volgens de Basisregistratie Personen staat de vrouw sinds 3 juli 2025 ingeschreven in Nederland. De rechtbank stelt echter op basis van hetgeen op de zitting is besproken vast dat de vrouw in ieder geval sinds oktober 2023 in Nederland woont, bij de heer [naam] in [plaats 2] . De vrouw heeft dit op de zitting verklaard en de heer [naam] heeft dit bevestigd.
De vrouw heeft dus sinds meer dan een jaar voor de indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding haar gewone verblijfplaats in Nederland gehad. Daarom komt, gelet op het bepaalde in artikel 3 Brussel II ter aan de Nederlandse rechter met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding rechtsmacht toe. De rechtbank zal op grond van artikel 10:56, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek Nederlands recht op het verzoek tot echtscheiding toepassen.
Ontvankelijkheid
Door de vrouw is geen ouderschapsplan overgelegd overeenkomstig artikel 815 tweede lid van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Nu het ouderschapsplan in de wet geformuleerd is als een processuele eis bij een verzoek tot echtscheiding waarbij minderjarige kinderen zijn betrokken, heeft de rechtbank de bevoegdheid de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoek tot echtscheiding, tenzij er redenen zijn om aan te nemen dat het ouderschapsplan redelijkerwijs niet kan worden overgelegd (artikel 815, zesde lid, Rv).
De vrouw heeft aangegeven dat de [minderjarige 1] ten tijde van de indiening van het verzoekschrift haar gewone verblijfplaats op [land 1] had en nu nog heeft. Ten aanzien van de in het ouderschapsplan te regelen onderwerpen die doorgaans worden aangeduid met de term ‘ouderlijke verantwoordelijkheid’, komt de Nederlandse rechter ingevolge artikel 7 Brussel II-ter geen rechtsmacht toe. Naar het oordeel van de rechtbank kan van de vrouw daarom niet worden verlangd dat zij een ouderschapsplan overlegt. De rechtbank zal de vrouw ontvangen in haar verzoek.
Inhoudelijke beoordeling
De vrouw heeft gesteld dat het huwelijk duurzaam is ontwricht. De man heeft dit niet betwist, zodat het verzoek tot echtscheiding als op de wet gegrond kan worden toegewezen.
Beslissing
De rechtbank:
spreekt uit de echtscheiding tussen de vrouw en de man, gehuwd op [datum] 2016 te [plaats 1] , [land 1] .