Omgang
Beschikking op het op 23 juni 2025 ingekomen verzoek van:
[de moeder] ,
de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. R.W. de Gruijl in Rotterdam.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling;
[de pleegmoeder] ,
de pleegmoeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres;
[de pleegvader] ,
de pleegvader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres.
Procedure
De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken waaronder:
De minderjarige [de minderjarige] heeft in een gesprek met de kinderrechter haar mening over de verzoeken kenbaar gemaakt.
Op 11 maart 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de moeder met haar advocaat, de pleegvader en C. Sanchez Martinez namens de gecertificeerde instelling.
Feiten
- De moeder is de ouder van het volgende nu nog minderjarige kind:
- [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2013 in [geboorteplaats] .
- [de minderjarige] verblijft sinds 2015 feitelijk bij haar pleegouders.
Verzoek en verweer
De moeder verzoekt – na wijziging – :
voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De gecertificeerde instellingen en de pleegvader hebben op de zitting mondeling verweer gevoerd.
Beoordeling
Omgang
Wettelijk kader
Op grond van artikel 1:377a, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) heeft een kind het recht op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat. De niet met het gezag belaste ouder heeft het recht op en de verplichting tot omgang met zijn kind. Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat de rechter op verzoek van de ouders of van een van hen of degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vaststelt dan wel, al dan niet voor bepaalde tijd, het recht op omgang ontzegt.
Inhoudelijke beoordeling
[de minderjarige] en de moeder hebben in februari 2022 voor het laatst contact gehad. Dit contact is op een vervelende manier verlopen. Sindsdien is er geen contact meer geweest tussen [de minderjarige] en de moeder. De moeder is bekend met psychische problemen. [de minderjarige] heeft in het kindgesprek aangegeven open te staan voor contact met haar moeder. Ze is nieuwsgierig naar haar moeder en is benieuwd hoe het met haar gaat. Ook heeft ze aangegeven dat ze het fijn vond om een kaartje te ontvangen van haar moeder. [de minderjarige] vindt het tegelijk ook spannend om weer contact met haar moeder te hebben. Ook vindt [de minderjarige] het belangrijk dat het contact niet te snel wordt opgebouwd en niet te intensief is omdat zij verwacht dat contact met haar moeder impact op haar zal hebben en omdat ze bang is dat ze teleurgesteld wordt.
De moeder stelt zich op het standpunt dat het nu al geruime tijd heel goed met haar gaat en dat er weer omgang met [de minderjarige] kan zijn.
Op de zitting is gebleken dat alle betrokken partijen onderschrijven dat herstel van het contact in het belang van [de minderjarige] en de moeder is. Duidelijk is echter ook dat het laatste contact vier jaar geleden heeft plaatsgevonden en dat dit op een voor [de minderjarige] vervelende wijze is geëindigd. [de minderjarige] en haar moeder zullen vanwege de lange tijd dat zij elkaar niet hebben gezien weer aan elkaar moeten wennen. Contactherstel dient plaats te vinden in het tempo dat het beste aansluit bij [de minderjarige] . Dat betekent dus dat de rechtbank niet nu al zal bepalen dat er wekelijks omgang zal zijn of dat er nu al sprake zal zijn van overnachtingen. Daar komt bij dat de rechtbank er niet omheen kan dat er in ieder geval in het verleden ernstige zorgen waren over de psychische gesteldheid van de moeder. De moeder heeft ter zitting aangevoerd dat het nu goed met haar gaat en dat zij geen behandeling meer krijgt maar wel af en toe gesprekken voert met haar psychiater. De rechtbank heeft geen enkele recente informatie over de situatie van de moeder anders dan wat zij zelf verklaart, een toelichting van bij de moeder betrokken behandelaren ontbreekt. De rechtbank heeft dan ook onvoldoende mogelijkheid om vast te stellen op welke wijze, in welke vorm en met welke frequentie er veilig contact tussen [de minderjarige] en de moeder kan plaatsvinden. Het is ook onduidelijk of het wel of niet verantwoord is om [de minderjarige] onbegeleid contact met haar moeder te laten hebben en op welke manier het contactherstel moet worden vormgegeven. De rechtbank acht het in het belang van [de minderjarige] en ook in het belang van haar moeder dat deze duidelijkheid er wel snel komt zodat het herstel van contact bestendig is, plaatsvindt in een tempo dat aansluit bij [de minderjarige] en het contact veilig en prettig voor [de minderjarige] verloopt. Om die reden zal de rechtbank de beslissing over een omgangsregeling voor de duur van zes maanden pro forma aanhouden. In deze zes maanden dient er tussen de gecertificeerde instelling en de moeder te worden onderzocht op welke manier contactherstel kan plaatsvinden en een begin te worden gemaakt met dat contactherstel. De rechtbank vindt het belangrijk dat de gecertificeerde instelling hierin voortvarendheid betracht en ook de pleegouders hierbij betrekt. Gedacht kan worden aan eerste contactmomenten tussen [de minderjarige] en haar moeder die door de gecertificeerde instelling worden begeleid zoals zij voorheen ook deden. Van de moeder wordt verwacht dat zij open is over de behandeling die ze volgt, de klachten die ze heeft en haar mentale gesteldheid. Het is belangrijk dat ze hier niet alleen over vertelt maar dat een en ander ook door bij haar betrokken deskundigen wordt toegelicht.
Informatieregeling
Op de zitting heeft de gecertificeerde instelling aangegeven dat het voor hen haalbaar is om de moeder op elke eerste maandag van de maand te informeren over hoe het met [de minderjarige] gaat, bijvoorbeeld ten aanzien van school, sport en eventuele medische aangelegenheden. De moeder heeft daarmee ingestemd. De rechtbank acht deze informatieregeling ook in het belang van [de minderjarige] , omdat dit er aan kan bijdragen dat de moeder meer zicht krijgt op hoe het met [de minderjarige] gaat en wat er in haar leven speelt, wat een positief effect kan hebben op het contactherstel. Gelet hierop zal de rechtbank deze informatieregeling vastleggen. De rechtbank zal het meer of anders verzochte ten aanzien van de informatieregeling afwijzen.
Beslissing
De rechtbank:
*
bepaalt dat de gecertificeerde instelling de moeder elke eerste maandag van de maand via e-mail informeert over gewichtige aangelegenheden in het leven van [de minderjarige] waaronder schoolresultaten, sport, en eventuele medische aangelegenheden van [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2013 in ’s-Gravenhage;
*
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
*
houdt iedere verdere beslissing ten aanzien van de omgang aan tot 15 oktober 2026 pro forma.