ECLI:NL:RBDHA:2026:11316

ECLI:NL:RBDHA:2026:11316

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 10-04-2026
Datum publicatie 11-05-2026
Zaaknummer C/09/699408 / FA RK 26-1379
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Gezagsuitoefening

Uitspraak

Gezagsuitoefening

Beschikking op het op 11 februari 2026 ingekomen verzoek van:

[de vader] ,

de vader,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. A.L. Weterings te Oegstgeest.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de moeder] ,

de moeder,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. B.S. van Haeften te Den Haag.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

Op 24 maart 2026 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:

Verzoek en verweer

De vader heeft in het kader van artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (BW) verzocht:

- primair: de hoofdverblijfplaats van de minderjarige vast te stellen bij de vader;

- subsidiair: te bepalen dat de moeder met de minderjarige dient terug te verhuizen naar Nederland, dan wel de verblijfplaats naar Nederland dient te wijzigen, althans dat wordt bevolen om de minderjarige binnen de landsgrenzen van Nederland te brengen binnen een nader te stellen termijn ter uitvoering van een zorgregeling welke met een opbouw uiteindelijk kan worden opgebouwd naar de in het lichaam verzochte regeling, waarbij de minderjarige [minderjarige] en de vader met een opbouwregeling gerechtigd zijn om contact met elkaar te hebben iedere woensdag vanaf 13.00u tot vrijdagavond 17.00u, alsmede, met een opbouwregeling een weekend per twee weken van vrijdagavond 17.00u tot zondagavond 17.00u, alsmede de helft van de vakanties en feestdagen;

- meer subsidiair: te bepalen dat zolang de moeder in Curaçao verblijft, de minderjarige de helft van de schoolvakanties bij de vader verblijft, waarbij de kosten voor het reizen door de moeder worden betaald;

- een informatie- en videobelregeling vast te stellen, waarbij de moeder verplicht

wordt om wekelijks via e-mail een statusupdate te geven, met foto's en vermelding

van belangrijke ontwikkelingen in het leven van de minderjarige, zo mogelijk onderbouwd met correspondentie betreffende de minderjarige, waarbij de vader ook dagelijks videobelcontact heeft met zijn dochter zonder aanwezigheid van derden;

- althans een zodanige beslissing te nemen als de rechtbank juist acht;

een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad en kosten rechtens.

De moeder heeft verweer gevoerd, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Tevens heeft de moeder zelfstandig verzocht te bepalen:

een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

Feiten

- Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.

- Zij zijn de ouders van het volgende thans nog minderjarige kind:

- [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2019 te [geboorteplaats] . (6 jaar)

- Partijen oefenen het gezamenlijk gezag over de minderjarige uit.

- De vader heeft de Nederlandse nationaliteit en de moeder heeft de Poolse nationaliteit.

- De moeder verblijft sinds 27 december 2025 met de minderjarige op Curaçao.

Beoordeling

Rechtsmacht

Zoals tijdens de mondelinge behandeling besproken is de eerste vraag die in deze zaak moet worden beantwoord of de vader toestemming heeft gegeven voor het meenemen van [minderjarige] naar Curaçao. De moeder stelt van wel. Zij heeft een formulier overgelegd dat volgens haar door de vader is ondertekend. Als de vader inderdaad toestemming blijkt te hebben gegeven, dan is de gewone verblijfplaats van [minderjarige] met de verhuizing gewijzigd naar Curaçao. De rechtbank heeft dan geen rechtsmacht en kan niet beslissen op de verzoeken van de vader. De vader stelt zich echter op het standpunt dat hij geen toestemming heeft gegeven. Hij ontkent stellig dat de handtekening onder het formulier van hem is. Volgens hem is [minderjarige] ongeoorloofd naar Curaçao overgebracht in de zin van het Haagse Verdrag inzake de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen van 25 oktober 1980 (het Verdrag). Nederland en Curaçao zijn allebei aangesloten bij het Verdrag.

Het Verdrag heeft – voor zover hier van belang – tot doel de onmiddellijke terugkeer te verzekeren van kinderen die ongeoorloofd zijn overgebracht naar of worden vastgehouden in een Verdragsluitende staat. Het Verdrag beoogt hiermee een zo snel mogelijk herstel van de situatie waarin het kind zich bevond direct voorafgaand aan de ontvoering of vasthouding.

Het belangrijkste middel uit het Verdrag om de terugkeer te bereiken is neergelegd in artikel 12 van het Verdrag. In dat artikel is bepaald dat de bevoegde rechterlijke of administratieve autoriteit van het land waar het kind zich bevindt de onmiddellijke terugkeer gelast. Een vordering om die teruggeleiding vanuit Curaçao te gelasten is door de vader in gang gezet, zo heeft hij in zijn verzoekschrift en tijdens de mondelinge behandeling kenbaar gemaakt.

De beslissing op een op het Verdrag gebaseerde vordering tot onmiddellijke teruggeleiding heeft het karakter van een ordemaatregel. Een snel herstel van de aan de ontvoering of vasthouding voorafgaande situatie wordt geacht de schadelijke gevolgen hiervan voor het kind te beperken. Vervolgens kunnen partijen in het land van herkomst van het kind (in dit geval Nederland) een bodemprocedure aanspannen om te beslissen waar de hoofdverblijfplaats van het kind zal zijn.

De systematiek van het Verdrag is dus dat de autoriteiten in Curaçao zullen moeten beslissen op het teruggeleidingsverzoek, en dus ook op de vraag of [minderjarige] met of zonder toestemming van de vader is overgebracht naar Curaçao. De rechtbank meent dat zij de systematiek van het Verdrag doorkruist als zij nu een oordeel zou vellen over de vraag of de vader toestemming heeft gegeven voor het meenemen van [minderjarige] naar Curaçao. Zij zou de autoriteiten in Curaçao voor een voldongen feit kunnen plaatsen terwijl het aan hen is om eerst te beslissen op de teruggeleiding.

De rechtbank ziet daarin aanleiding om de behandeling van de verzoeken van de vader aan te houden, in afwachting van het verloop van de teruggeleidingsprocedure in Curaçao.

Consultatie

Artikel 24 lid 2 van de Uitvoeringswet internationale kinderbescherming (de Uitvoeringswet) biedt de rechtbank de mogelijkheid om via een Nederlandse liaisonrechter de rechter in Curaçao te consulteren in verband met de teruggeleidingsprocedure daar. Artikel 24 lid 5 van de Uitvoeringwet bepaalt dat de rechtbank partijen in kennis stelt van een dergelijke consultatie. Dat doet de rechtbank door middel van deze beschikking. De rechtbank zal de Nederlandse liaisonrechter de volgende vragen stellen:

Beslissing

De rechtbank:

zal de vragen als genoemd in deze beschikking stellen aan de Nederlandse liaisonrechter;

bepaalt dat de behandeling van de verzoeken wordt aangehouden tot 1 juli 2026.

Deze beschikking is gegeven door mr. E. Boot, (kinder)rechter, in tegenwoordigheid van mr. L.E. Visser als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 april 2026.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. L.E. Visser

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand