ECLI:NL:RBDHA:2026:11336

ECLI:NL:RBDHA:2026:11336

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 07-05-2026
Datum publicatie 11-05-2026
Zaaknummer NL26.12447 en NL26.12448
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Asiel Libië, identiteit, nationaliteit en herkomst niet geloofwaardig. Asielrelaas niet inhoudelijk beoordeeld. De rechtbank is van oordeel dat de minister onvoldoende deugdelijk gemotiveerd waarom eiser zijn nationaliteit en herkomst niet geloofwaardig zijn geacht. De conclusies die de minister heeft verbonden aan de bevindingen van TOELT kan de rechtbank niet volgen. Ook heeft de minister nagelaten te beoordelen of uitzetting naar Libië in strijd is met artikel 3 van het EVRM. Beroep gegrond

Uitspraak

[eiser] ,

geboren op [geboortedag] 1995, stelt van Libische nationaliteit te zijn, eiser/verzoeker, hierna te noemen: eiser

(gemachtigde: mr. E.W.B. van Twist),

en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. E.J.M.C. Jansen).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag en het verzoek om een voorlopige voorziening.

De minister heeft met het bestreden besluit van 5 maart 2026 deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond. Daarbij heeft de minister een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van twee jaar uitgevaardigd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt dat hij niet zal worden uitgezet totdat op het beroep is beslist.

De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op

28 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en zijn gemachtigde, A. Fawzy als tolk in de taal Libisch-Arabisch en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.

3. Naar het oordeel van de rechtbank is het beroep gegrond. De rechtbank wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Asielrelaas

4. Eiser heeft verklaard dat hij Libië in 2018 heeft verlaten omdat hij tegen zijn wil in gerekruteerd werd door de gewapende groepering [naam] . Eiser is gevangengezet omdat hij niet meer aangesloten wilde zijn en is daarna ontsnapt. Daarnaast heeft eiser deelgenomen aan demonstraties, zowel in Europa als in Libië, tegen de huidige Libische overheid en de gewapende groepering [naam] . Eiser werd hierdoor mondeling bedreigd. Bij terugkeer vreest eiser door de gewapende groepering te worden vermoord.

Besluitvorming

5. Volgens de minister bestaat het relaas uit het volgende asielmotief:

1. Identiteit, nationaliteit en herkomst.

De minister acht eiser zijn identiteit, nationaliteit en herkomst niet geloofwaardig. Eiser heeft geen (objectieve) documenten ingediend en onvoldoende inspanning verricht om deze wel te verkrijgen. Verwacht had mogen worden dat eiser had geprobeerd via de Libische ambassade nieuwe identificerende documenten te verkrijgen. Dat eiser bezig was met het laten opsturen van zijn geboorteakte en dat dit niet is gelukt vanwege de ziekte van zijn moeder in Libië, vormt volgens de minister geen verschoonbare verklaring. Hierbij weegt mee dat eiser zich al circa acht jaar op EU-grondgebied bevindt. Volgens de minister dragen eiser zijn wisselende verklaringen over zijn vader en broers bij aan de ongeloofwaardigheid van het asielmotief. Verder acht de minister van belang dat eiser zijn asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk heeft ingediend. Eiser zijn laatste aanvraag is op

3 maart 2022 buiten behandeling gesteld nadat eiser met onbekende bestemming was vertrokken. Allerlaatst weegt de minister mee dat eiser in grote lijnen niet als geloofwaardig kan worden beschouwd. Dat eiser eerder met onbekende bestemming is vertrokken omdat hij landgenoten was tegengekomen met wie hij problemen had, volgt de minister niet. Ook verblijft eiser inmiddels al een lange periode op EU-grondgebied, zonder asiel te hebben aangevraagd in de andere lidstaten.

Nu eiser zijn identiteit, nationaliteit en herkomst ongeloofwaardig acht, wordt er geen waarde gehecht aan eisers verklaringen over de problemen in Libië. De minister beoordeelt eiser zijn asielrelaas, onder verwijzing naar de uitspraken van de Afdeling van

7 april 2012 en 6 februari 2017, daarom niet inhoudelijk.

De minister wijst de aanvraag af als kennelijk ongegrond omdat eiser de minister heeft misleid over zijn identiteit en nationaliteit.

Standpunt eiser

6. Ten aanzien van zijn identiteit, meent eiser dat hem niet verweten kan worden dat hij geen identificerende documenten heeft overgelegd. Hij heeft nooit eerder dergelijke documenten gehad en is voor verkrijging afhankelijk van zijn ernstig zieke en beperkte moeder. Hierbij wijst eiser erop dat het overleggen van documenten niet dwingendrechtelijk in de wet is neergelegd. Overigens is eiser zijn reisdocument, en niet zijn paspoort zoals hij eerder heeft verklaard, ingenomen door de mensensmokkelaar. Dat eiser zich zou kunnen wenden tot de autoriteiten vindt eiser ongepast, nu hij juist te vrezen heeft voor de autoriteiten. Hoe in Libië de verschillende autoriteiten zich met elkaar verhouden, ligt volgens eiser veel genuanceerder. Ook meent eiser dat uit het enkele feit dat hij eerder met onbekende bestemming is vertrokken niet de conclusie kan worden getrokken dat hij geen asiel meer nodig had. Eiser stelt zich op het standpunt dat de minister zijn asielrelaas ten onrechte niet inhoudelijk heeft beoordeeld.

Herkomstonderzoek

7. Tijdens de zitting heeft de gemachtigde van de minister toegelicht dat de ongeloofwaardigheid van de door eiser gestelde identiteit, nationaliteit en herkomst mede is gebaseerd op een taalindicatie uitgevoerd door TOELT, evenals op het onderzoek van TOELT van 21 november 2021 naar de herkomstvragen tijdens het aanmeldgehoor. Uit de taalindicatie is naar voren gekomen dat eiser geen Libisch-Arabisch spreekt. Bovendien volgt uit het onderzoek van 21 november 2021 dat eiser zijn antwoorden op vragen over zijn herkomst tijdens het aanmeldgehoor meerdere onjuistheden bevatten. De gehoormederwerker heeft eiser meerdere vragen gesteld over het gebied waar eiser vandaan zegt te komen en de stad [stad] waar eiser zegt geboren te zijn. De minister werpt aan eiser tegen dat hij in twee van zijn antwoorden een onjuiste aantal kilometerafstand noemt. Zo vroeg de gehoormedewerker aan eiser: “Hoever is [stad] ongeveer verwijderd van [stad] ?”, waarop eiser antwoordde: “Het is heel ver, ik denk 140 kilometer.”, terwijl het juiste antwoord 880 kilometer is. Ook antwoorde eiser op de vraag of de stad [stad] of die regio een vliegveld heeft: “Ja, naast [stad] . Ik schat dat het op 15 kilometer ten westen van ons ligt.”, terwijl er volgens TOELT direct naast de stad ook een landingsbaan ligt. Ook werpt de minister tegen dat eiser op de vraag: “Als u vanuit [stad] naar de kust reisde, welke plaats lag er dan daar aan de kust?”, eiser antwoorde: “ [steden 1, 2 en] .”, terwijl door TOELT wordt opgemerkt dat er niks ten westen van [stad] zit. In samenhang bezien met de overige omstandigheden, waaronder het feit dat eiser zich al acht jaar in Europa bevindt, wel beschikt over een Libische geboorteakte maar in die periode geen andere identificerende documenten heeft verkregen, heeft de minister geconcludeerd dat nader onderzoek niet noodzakelijk is.

Oordeel van de rechtbank

7. De rechtbank ziet aanleiding zich eerst te buigen over de vraag of de minister de door eiser gestelde herkomst en nationaliteit ongeloofwaardig heeft kunnen achten.

8. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister niet met de vereiste zorgvuldigheid gehandeld. Door pas op de zitting te komen met de bevindingen van TOELT heeft de minister eiser de mogelijkheid ontnomen om betekenisvol op deze bevindingen te kunnen reageren. Ook heeft de minister in strijd met zijn eigen beleid eiser in het nader gehoor niet geconfronteerd met de door TOELT aangegeven onjuistheden in eisers antwoorden op de herkomstvragen.

Voorts heeft de minister onvoldoende deugdelijk gemotiveerd waarom eiser zijn nationaliteit en herkomst niet geloofwaardig zijn geacht. De conclusies die de minister heeft verbonden aan de bevindingen van TOELT van 21 november 2021 kan de rechtbank, gelet op het verhandelde ter zitting, niet zonder meer volgen. Het feit dat eiser heeft verklaard dat er vijf steden zijn wanneer men vanaf [stad] naar de kust reist, acht de rechtbank niet per se onjuist. Eiser heeft ter zitting immers toegelicht dat hij de vraag zo heeft begrepen dat werd gevraagd naar welke steden ten westen van [stad] aan de kust liggen. Eiser heeft daarop vijf steden genoemd die ten westen van [stad] liggen, in de richting van [stad] . De rechtbank acht deze interpretatie niet onbegrijpelijk, nu de minister immers niet heeft gevraagd óf er een plaats aan de kust ligt maar wélke plaats aan de kust ligt, en de kust vanuit [stad] het snelst is te bereiken door naar het westen te gaan. De rechtbank heeft ter zitting aan de hand van een kaart van Libië vastgesteld dat de door eiser genoemde steden inderdaad aan de westkust van [stad] liggen. Daarnaast is van belang dat eiser op de overige herkomstvragen, waaronder over de verschillende wijken in [stad] , de moskeeën in de stad en de ligging van het [ziekenhuis] , antwoorden heeft gegeven die door TOELT niet als onjuist zijn aangemerkt.

Dat eiser op twee herkomstvragen niet het juiste aantal kilometers heeft gegeven en hij volgens de taalindicatie geen Libisch-Arabisch spreekt, betekent naar het oordeel van de rechtbank niet dat hij niet uit het gebied zou kunnen komen. De rechtbank acht hiervoor van belang dat eiser tijdens het nader gehoor niet is geconfronteerd met de onjuistheid van zijn antwoorden op het aantal kilometers. Eiser had dan eventueel met een verklaring kunnen komen. En ten aanzien van de taalindicatie merkt de rechtbank op dat TOELT concludeert: “Betrokkene spreekt geen Libisch-Arabisch. De gestelde herkomst kan niet aannemelijk gemaakt worden door de spraak. TOELT raadt met klem aan om een volledige taalanalyse op te starten.” TOELT geeft dus zelf met klem aan dat de bevindingen uit de taalindicatie eerst nog gevalideerd moeten worden via een uitgebreide taalanalyse. De rechtbank acht het daarbij relevant dat eiser tijdens beide gehoren in het Libisch-Arabisch is gehoord, dat hij beide keren heeft verklaard de tolk goed te begrijpen en dat er ook geen opmerkingen van de tolk zijn geweest over communicatieproblemen.

9. Het beroep is dan ook gegrond en de minister dient met inachtneming van deze uitspraak opnieuw te kijken naar de door eiser gestelde herkomst en nationaliteit. En in het verlengde daarvan naar eisers gestelde identiteit nu de minister, indien een vreemdeling zijn identiteit niet met stukken onderbouwt, naar alle (overige) relevante feiten en omstandigheden uit het dossier kijkt teneinde te beoordelen of van de door de vreemdeling gestelde identiteit kan worden uitgegaan.

10. De rechtbank merkt voorts nog op dat het bestreden besluit ook om de volgende reden niet in stand kan blijven. In het besluit staat vermeld dat eiser naar Libië dient terug te keren, terwijl in het bestreden besluit niet kenbaar is afgewogen of uitzetting naar Libië in strijd is met artikel 3 van het EVRM. De rechtbank herinnert de minister eraan dat hij zich ingevolge artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn bij iedere stap in het terugkeerproces ervan dient te vergewissen of uitzetting in overeenstemming is met dit artikel.

Conclusie en gevolgen

11. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing te nemen, nu de minister geen deugdelijk onderzoek heeft verricht naar de nationaliteit en herkomst van eiser, en in het verlengde daarvan zijn identiteit. Het bestreden besluit wordt vernietigd en de minister wordt opgedragen nader onderzoek te verrichten alvorens hij een nieuw besluit neemt. Ook dient de minister bij een nieuw te nemen besluit een actuele beoordeling van het risico bij een terugkeer op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM te verrichten. Hierbij dient rekening te worden gehouden met hetgeen in deze uitspraak staat. De minister krijgt hiervoor een termijn van acht weken.

12. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.802,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, één punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1). Indien aan eiser een toevoeging is verleend, moet de minister de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.

Beslissing

De rechtbank,

in de zaak geregistreerd onder nummer: NL26.12447,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met inachtneming van deze uitspraak.

De voorzieningenrechter,

in de zaak geregistreerd onder nummer: NL26.12448,

- wijst het verzoek af.

De rechtbank/ voorzieningenrechter,

in alle zaken,

- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.802,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H.G. Odink, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. I.I. Mooij, griffier.

Informatie over hoger beroep

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. I.I. Mooij

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand