RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen
[eiseres 1] , V-nummer: [V-nummer 1]
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Samenvatting
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.25282 en NL25.38518
[eiseres 2] , V-nummer: [V-nummer 2]
samen: eiseressen
(gemachtigde: mr. I.J.M. Oomen),
en
(gemachtigde: mr. F. Witteman).
Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseressen voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv). Eiseressen zijn het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
[eiseres 1] is geboren op [geboortedag 1] 1995. [eiseres 2] is geboren op [geboortedag 2] 1999. Zij hebben beide de Syrische nationaliteit. [persoon] is de vader van eiseressen en is referent in deze zaak. Referent is vanuit Syrië op 23 november 2021 Nederland ingereisd en heeft in Nederland asiel gekregen. Op 17 november 2022 heeft referent een aanvraag ingediend voor een mvv in het kader van nareis voor eiseressen, zijn echtgenote en zijn twee zoons.
Met een besluit van 14 oktober 2024 is de mvv voor de echtgenote en twee zoons van referent ingewilligd.
Met het primaire besluit van 14 oktober 2024 is de mvv voor eiseressen afgewezen. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiseressen niet vallen onder de toepassing van het jongvolwassenenbeleid. Verweerder heeft zich verder op het standpunt gesteld dat geen sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie tussen eiseressen en hun ouders. Eiseressen komen ook niet ambtshalve in aanmerking voor een verblijfsvergunning.
Eiseressen hebben bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Omdat verweerder niet besliste op het bezwaar van eiseressen, hebben eiseressen op 5 juni 2025 een beroep niet tijdig beslissen ingediend. Het beroep niet tijdig beslissen is geregistreerd onder zaaknummer NL25.25282.
Met het bestreden besluit van 18 juli 2025 heeft verweerder vervolgens het bezwaar van eiseressen ongegrond verklaard. Verweerder heeft zich onverminderd op het standpunt gesteld dat eiseressen niet vallen onder de toepassing van het jongvolwassenenbeleid en dat geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid.
Eiseressen hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Dit beroep is geregistreerd onder zaaknummer NL25.38518. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep niet tijdig beslissen en het beroep tegen het bestreden besluit op 9 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben referent, de moeder van eiseressen, de oudste broer van eiseressen, de gemachtigde van eiseressen, A.M.S. Altemimi als tolk in de Arabische taal en de gemachtigde van verweerder deelgenomen.
Beoordeling van het beroep niet tijdig beslissen
3. De rechtbank beoordeelt het beroep niet tijdig beslissen van eiseressen. De rechtbank stelt daartoe vast dat verweerder op 18 juli 2025 op het bezwaar van eiseressen heeft beslist. Voor het verlenen van een opdracht aan verweerder om alsnog te beslissen is daarom geen reden meer. Omdat er geen procesbelang meer is, is het beroep niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk. Het beroep niet tijdig beslissen is echter wel terecht ingesteld, omdat verweerder inderdaad niet tijdig op het bezwaar van eiseressen heeft beslist. Verweerder moet daarom wel de proceskosten van eiseressen vergoeden, voor zover deze zien op het instellen van het beroep tegen het niet tijdig beslissen. De rechtbank zal aan het einde van deze uitspraak terugkomen op de hoogte van deze proceskostenvergoeding.
Beoordeling van het beroep tegen het bestreden besluit
4. De rechtbank beoordeelt of verweerder de aanvraag van eiseressen voor een mvv terecht heeft afgewezen. De rechtbank beoordeelt daartoe allereerst of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiseressen niet vallen onder de toepassing van het jongvolwassenenbeleid.
Jongvolwassenenbeleid
Verweerder gebruikt het jongvolwassenenbeleid om vast te stellen of tussen een meerderjarig kind en zijn ouder(s) familie- of gezinsleven bestaat als bedoeld in artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) zonder dat daarvoor bijkomende elementen van afhankelijkheid zijn vereist. Het jongvolwassenenbeleid bevat vier cumulatieve voorwaarden:
1. het meerderjarig kind moet jongvolwassen zijn;
2. met zijn ouder(s) in gezinsverband samenleven;
3. niet in zijn eigen onderhoud voorzien; en
4. geen zelfstandig gezin hebben gevormd.
[eiseres 1]
In het bestreden besluit heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat [eiseres 1] niet voldoet aan de tweede voorwaarde van het jongvolwassenenbeleid, namelijk het in gezinsverband samenleven. Hoewel zij altijd met haar gezin heeft samengewoond, zou zij namelijk wel in staat zijn om zelfstandig te wonen. Op de zitting heeft verweerder dit standpunt laten vallen. De gemachtigde van verweerder heeft aangegeven dat moet worden uitgegaan van de feitelijke constatering dat [eiseres 1] altijd thuis heeft gewoond. De rechtbank stelt daarom vast dat [eiseres 1] voldoet aan de tweede voorwaarde van het jongvolwassenenbeleid dat zij altijd met haar ouders in gezinsverband heeft samengeleefd.
Verweerder heeft zich verder op het standpunt gesteld dat [eiseres 1] niet voldoet aan de derde voorwaarde van het jongvolwassenenbeleid; het niet in haar eigen onderhoud voorzien, omdat [eiseres 1] wel in staat zou zijn om te werken. [eiseres 1] heeft namelijk verklaard dat zij naar werk heeft gezocht en dat zij in haar eigen onderhoud zou kunnen voorzien als zij werk heeft. De rechtbank is van oordeel dat verweerder dit [eiseres 1] niet heeft kunnen tegenwerpen. Bij deze voorwaarde gaat het, net zoals bij de hiervoor besproken tweede voorwaarde, om een feitelijke constatering. Voor de vraag of [eiseres 1] voorziet in haar eigen onderhoud, moet dan ook worden gekeken naar de feitelijke situatie. De rechtbank is van oordeel dat de aanname van verweerder dat [eiseres 1] wel in staat zou zijn om te werken als de situatie anders zou zijn, hypothetisch is. Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat [eiseres 1] niet in haar eigen onderhoud voorziet. [eiseres 1] heeft verklaard dat zij geen werk heeft en dat het voor haar lastig is om werk te vinden. De rechtbank vindt deze verklaring aannemelijk, gelet op het feit dat zij een jonge ongehuwde vrouw is in Syrië en de situatie voor jonge ongehuwde vrouwen in Syrië kwetsbaar is. De rechtbank vindt deze verklaring ook aannemelijk, omdat [eiseres 1] afkomstig is uit [plaats 1] en zij daardoor problemen ondervindt met het zoeken naar werk. De rechtbank stelt daarom vast dat [eiseres 1] voldoet aan de derde voorwaarde van het jongvolwassenenbeleid dat zij niet in haar eigen onderhoud voorziet.
De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat [eiseres 1] voldoet aan de vierde voorwaarde van het jongvolwassenenbeleid, namelijk dat zij geen zelfstandig gezin heeft gevormd.
De rechtbank stelt verder vast dat [eiseres 1] op het peilmoment voor de toepassing van het jongvolwassenenbeleid (de datum van de binnenkomst van referent in Nederland) 26 jaar was. Het uitgangspunt in het jongvolwassenenbeleid is dat een jongvolwassene tussen de 18 en 25 jaar oud is. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) volgt echter dat dit geen harde leeftijdsgrens is. Verweerder mag bij de beoordeling of een vreemdeling jongvolwassen is niet volstaan met een enkele verwijzing naar de leeftijd, maar moet steeds een op het geval toegespitste beoordeling maken en daarbij alle van belang zijnde aspecten kenbaar meewegen. Nu de leeftijd voor het voldoen aan het jongvolwassenenbeleid niet doorslaggevend is en nu de rechtbank heeft vastgesteld dat [eiseres 1] wel voldoet aan de overige voorwaarden van het jongvolwassenenbeleid, moet naar het oordeel van de rechtbank worden vastgesteld dat [eiseres 1] valt onder de toepassing van het jongvolwassenenbeleid.
[eiseres 2]
Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat [eiseres 2] niet voldoet aan de tweede voorwaarde van het jongvolwassenenbeleid; het in gezinsverband samenleven, omdat [eiseres 2] tijdens haar studie in een studentenwoning heeft gewoond. Eiseressen voeren aan dat het gezinsverband nooit is verbroken en dat [eiseres 2] , ook tijdens haar studie, altijd onderdeel van het gezin is gebleven. Op de zitting heeft referent in aanvulling hierop toegelicht dat [eiseres 2] tijdens haar studie het grootste deel van de tijd thuis sliep, namelijk 5 á 6 nachten per week. Toen zij klaar was met haar studie is zij weer thuis komen wonen. Referent heeft er op gewezen dat het wonen in een studentenwoning in Syrië niet kan worden vergeleken met het wonen in een studentenwoning in Nederland. In Syrië is het wonen in een studentenwoning meer vergelijkbaar met het wonen op een kostschool. Daarbij is het in Syrië gebruikelijk dat jonge, ongehuwde vrouwen weer thuis komen wonen als zij klaar zijn met hun studie, totdat zij gehuwd zijn. Naar het oordeel van de rechtbank zijn dit aanwijzingen dat [eiseres 2] , ook tijdens haar studie, steeds in gezinsverband is blijven samenwonen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder deze omstandigheden onvoldoende kenbaar heeft betrokken in de beoordeling.
Verweerder heeft zich verder op het standpunt gesteld dat [eiseres 2] niet voldoet aan de derde voorwaarde van het jongvolwassenenbeleid; het niet in haar eigen onderhoud voorzien, omdat [eiseres 2] wel in staat zou zijn om te werken. [eiseres 2] heeft namelijk verklaard dat zij graag wil werken en dat zij op zoek is geweest naar werk. De rechtbank is van oordeel dat verweerder dit, net als bij [eiseres 1] , ook aan [eiseres 2] niet heeft kunnen tegenwerpen. De motivering die de rechtbank in overweging 4.3 ten aanzien van [eiseres 1] heeft gegeven geldt ook voor [eiseres 2] .
De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat [eiseres 2] voldoet aan de vierde voorwaarde van het jongvolwassenenbeleid, namelijk dat zij geen zelfstandig gezin heeft gevormd.
Tussen partijen is ook niet in geschil dat [eiseres 2] binnen de leeftijdsgrens van het jongvolwassenenbeleid valt. Op het peilmoment voor de toepassing van het jongvolwassenenbeleid (de datum van de binnenkomst van referent in Nederland) was zij namelijk 22 jaar oud.
Bijkomende elementen van afhankelijkheid
De rechtbank heeft hiervoor vastgesteld dat [eiseres 1] voldoet aan de voorwaarden van het jongvolwassenenbeleid. Ten aanzien van [eiseres 1] staat dus vast dat sprake is van familieleven in de zin van artikel 8 van het EVRM en komt verweerder niet meer toe aan de vraag of sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Verweerder moet een belangenafweging maken in het kader van artikel 8 van het EVRM.
Ten aanzien van de vraag of [eiseres 2] voldoet aan de voorwaarden van het jongvolwassenenbeleid, moet verweerder nader motiveren waarom [eiseres 2] niet voldoet aan de tweede voorwaarde van het jongvolwassenenbeleid, gelet op hetgeen is overwogen in overweging 4.6. Indien verweerder met deze nadere motivering opnieuw tot de conclusie komt dat [eiseres 2] niet in gezinsverband heeft samengeleefd en dus dat [eiseres 2] geen geslaagd beroep kan doen op het jongvolwassenenbeleid, komt verweerder (opnieuw) toe aan de beoordeling of sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid.
Verweerder heeft in het verweerschrift gesteld dat eiseressen geen gronden hebben aangevoerd tegen het oordeel dat geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid. De rechtbank stelt vast dat deze stelling van verweerder niet juist is. In de beroepsgronden hebben eiseressen op pagina 8 en 9 wel degelijk gronden aangevoerd tegen de beoordeling of sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Eiseressen hebben verwezen naar de situatie in Syrië en naar de persoonlijke omstandigheden van eiseressen, zoals hun afkomst uit [plaats 2] . Indien verweerder opnieuw toekomt aan de beoordeling of sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid, draagt de rechtbank verweerder op om deze omstandigheden nadrukkelijk mee te nemen in die beoordeling. Verweerder moet dan kenbaar meenemen dat [eiseres 2] zich bevindt in een kwetsbare positie, omdat zij een jonge ongehuwde vrouw is in Syrië en omdat zij afkomstig is uit [plaats 2] , waardoor zij discriminatie ervaart, ook bij het zoeken naar werk. Verweerder moet ook kenbaar meenemen dat [eiseres 2] , na haar studie, weer thuis is gaan wonen en dat zij nog steeds in het ouderlijk huis woont.
Trage besluitvorming
6. Eiseressen wijzen erop dat zij door de trage besluitvorming van verweerder inmiddels ouder zijn, maar dat hun persoonlijke situatie niet is veranderd. Eiseressen voeren aan dat hen niet mag worden verweten dat verweerder zo lang heeft gedaan over de besluitvorming. De rechtbank benadrukt dat zij het vervelend vindt dat de procedure al zo lang duurt. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit het bestreden besluit echter voldoende duidelijk dat verweerder bij de beoordeling van de vraag of eiseressen onder het jongvolwassenenbeleid vallen telkens is uitgegaan van de situatie van eiseressen ten tijde van het juiste peilmoment: de inreis van referent in Nederland. De rechtbank is verder niet gebleken dat de trage besluitvorming in het nadeel van eiseressen is geweest.
Reguliere kader
7. Eiseressen voeren aan dat verweerder het reguliere kader heeft toegepast, terwijl verweerder hun aanvragen had moeten zien als ‘asiel-gezinshereniging’. De rechtbank volgt eiseressen niet in dit standpunt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder het juiste toetsingskader gebruikt in de besluitvorming.
Conclusie en gevolgen
Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat verweerder een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft verweerder hiervoor een termijn van zes weken.
Omdat eiseressen geen griffierecht hebben betaald, hoeft verweerder geen griffierecht aan hen te vergoeden. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseressen gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 3.269,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift tegen het bestreden besluit, 1 punt voor het indienen van een verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,-, en een wegingsfactor 1, en 1 punt voor het indienen van het beroepschrift tegen het niet tijdig beslissen, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 0.5).
Beslissing
De rechtbank:
In de zaak NL25.25282:
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
In de zaak NL25.38518:
In beide zaken:
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseressen tot een bedrag van € 3.269,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.D. Arnold, rechter, in aanwezigheid van mr.I.G.A. Karregat, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.