ECLI:NL:RBDHA:2026:11344

ECLI:NL:RBDHA:2026:11344

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 08-05-2026
Datum publicatie 11-05-2026
Zaaknummer NL25.50222 en NL25.50223
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Beroep ongegrond. Aanvraag om te verblijven onder de Richtlijn Tijdelijke Bescherming terecht afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

[eiser] , eiser en verzoeker

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

Samenvatting

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

zaaknummers: NL25.50222 (beroep) en NL25.50223 (voorlopige voorziening)

V-nummer: [V-nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen

(gemachtigde: mr. A.W. IJland),

en

(gemachtigde: mr. N.F. van der Gouw).

Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser om in Nederland te verblijven onder de Richtlijn Tijdelijke Bescherming (de RTB). Eiser is het niet eens met deze afwijzing. Hij heeft daarom beroep ingesteld en heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt de rechtbank/de voorzieningenrechter (de rechtbank) de afwijzing van de aanvraag.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder de aanvraag van eiser om in Nederland te verblijven onder de RTB terecht heeft afgewezen. Eiser krijgt dus geen gelijk, het beroep is ongegrond en de rechtbank wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

Eiser is geboren op [geboortedag] 1987 en heeft de Oekraïense nationaliteit. Eiser heeft zich op 31 maart 2025 ingeschreven bij de gemeente [plaats] en daarbij een aanvraag ingediend om in Nederland te verblijven onder de RTB.

Met het primaire besluit van 14 april 2025 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser geen recht heeft op verblijf onder de RTB. Hij heeft wel de Oekraïense nationaliteit, maar hij is na 27 november 2021 uit Oekraïne vertrokken en is naar Panama gegaan. Gelet op artikel 3.9a van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 behoort hij daarom niet tot één van de groepen ontheemden uit Oekraïense die recht hebben op tijdelijke bescherming in Nederland.

Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Hij heeft ook op 22 mei 2025 de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzieningenrechter van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, heeft in een uitspraak van 10 juni 2025 het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.

Met het bestreden besluit van 19 september 2025 heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard en is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Verweerder stelt zich onverminderd op het standpunt dat eiser geen recht heeft op verblijf onder de RTB.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Hij heeft ook opnieuw de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Verweerder heeft gereageerd met een verweerschrift.

De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 27 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser, de gemachtigde van eiser, [persoon 1] (de moeder van eiser), [persoon 2] (de partner van eiser), E. Unguryan (tolk in de Oekraïense taal) en de gemachtigde van verweerder deelgenomen.

Toetsingskader

3. In het Uitvoeringsbesluit staat dat aan bepaalde categorieën personen tijdelijke bescherming toekomt als gevolg van het gewapende conflict in Oekraïne. Welke categorieën personen in Nederland tijdelijke bescherming kunnen verkrijgen, is nader uitgewerkt in artikel 3.1a, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) en het Voorschrift Vreemdelingen 2000 (VV). Verweerder heeft op 17 augustus 2022 in het VV een nieuwe bepaling, artikel 3.9a, opgenomen. Uit dit artikel volgt dat tijdelijke bescherming wordt toegekend aan vreemdelingen met de Oekraïense nationaliteit die na 26 november 2021 uit Oekraïne zijn ontvlucht of die in de periode van 27 november 2021 tot en met 23 februari 2022 naar het grondgebied van de Europese Unie zijn gereisd (eerste lid, onder a) en familieleden van deze personen (eerste lid, onder c). Om als overig familielid bescherming te hebben onder de RTB, moet sprake zijn van afhankelijkheid en samenwoning op de peilmomenten 27 november 2021 of 23 februari 2022. In Werkinstructie 2025/6 staat dat het, naast samenwoning en afhankelijkheid, moet gaan om een situatie waarin achterlating tot een schrijnende situatie zou leiden.

Beoordeling door de rechtbank

Verblijf in de Europese Unie

Eiser voert aan dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat hij rechtstreeks naar Panama is gereisd zonder in de Europese Unie te hebben verbleven. Uit de stukken blijkt namelijk dat eiser eerst in Parijs is aangekomen voordat hij naar Panama is gereisd. Volgens eiser kan de vlucht naar Panama hem niet worden tegengeworpen, omdat hij zijn zeevarende beroep heeft uitgeoefend en omdat hij altijd voornemens is geweest om samen met zijn moeder te vluchten uit Oekraïne.

De voorzieningenrechter heeft over dit punt geoordeeld dat weliswaar is gebleken dat eiser op 3 december 2021 vanuit Oekraïne naar Parijs is gereisd, maar dat uit het dossier volgt dat het hierbij ging om een korte tussenstop, omdat eiser op het vliegveld in Parijs enkel moest overstappen voor zijn vlucht naar Panama. Het reisdoel van eiser was Panama. Daarna heeft hij een lange periode in Panama verbleven voordat hij zich op 5 april 2025 in Nederland heeft gemeld. De rechtbank ziet geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen dan de voorzieningenrechter en neemt de motivering van de voorzieningenrechter op dit punt over.

Samenwoning en afhankelijkheid tussen eiser en zijn moeder

Eiser voert aan dat hij moet worden beschouwd als een gezinslid dat een afgeleid recht heeft op tijdelijke bescherming op grond van de RTB. Eiser wijst erop dat hij ten tijde van het uitbreken van de oorlog samenwoonde met zijn moeder. Volgens eiser was op dat moment ook sprake van afhankelijkheid, omdat eiser in juridische zin als mede-eigenaar van de woning afhankelijk was van zijn moeder. Eiser en zijn moeder waren elkaars enige directe familie en waren volledig op elkaar aangewezen.

In de uitspraak van 23 januari 2025 heeft de meervoudige kamer van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, geoordeeld dat het oogmerk van de RTB was om schrijnende situaties vanwege in Oekraïne achterblijvende hulpbehoevende familieleden te voorkomen. De rechtbank neemt de overwegingen van die uitspraak over en stelt vast dat het dus moet gaan om de situatie waarin de achterblijvende persoon in Oekraïne afhankelijk is van de persoon die nu valt onder de RTB. In het geval van eiser is sprake van de omgekeerde situatie, nu eiser heeft betoogd dat zijn moeder afhankelijk is van hem. De rechtbank stelt vast dat eiser daarmee niet kan worden beschouwd als gezinslid dat een afgeleid verblijfsrecht toekomt op grond van de RTB.

De rechtbank is verder van oordeel dat geen sprake is van een situatie waarin achterlating van eiser tot een schrijnende situatie zou leiden. Gebleken is dat eiser een baan heeft en dat eiser zelf op 5 december 2021 naar Panama is gegaan, waar hij ook langdurig kon verblijven. Dat kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden gezien als een schrijnende situatie.

Voor zover eiser heeft aangevoerd dat verweerder in zijn beoordeling had moeten meenemen dat eisers huidige partner afhankelijk van hem is, omdat zij zwanger is van zijn kind, volgt de rechtbank hem niet. De rechtbank ziet daar in de RTB namelijk geen aanknopingspunten voor. Voor de situatie van eiser bestaan andere mogelijkheden om een verblijfsrecht te verkrijgen.

Conclusie en gevolgen

Het beroep is ongegrond. Verweerder heeft de aanvraag van eiser om in Nederland te verblijven onder de RTB terecht afgewezen. Eiser krijgt daarom geen vergoeding van zijn proceskosten.

Omdat de rechtbank nu beslist op het beroep, is er voor het treffen van een voorlopige voorziening geen reden meer. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening daarom af.

Beslissing

De rechtbank, in de zaak geregistreerd onder zaaknummer NL25.50222:

- verklaart het beroep ongegrond.

De voorzieningenrechter, in de zaak geregistreerd onder zaaknummer NL25.50223:

- wijst het verzoek af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.Z. Achouak El Idrissi, rechter, in aanwezigheid van mr.I.G.A. Karregat, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand