RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam eiser] , eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.46508
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. N. van Bremen),
en
(gemachtigde: mr. E. de Jong).
Procesverloop
Bij besluit van 18 september 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (asielaanvraag) afgewezen als ongegrond.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Nadat beide partijen hebben laten weten niet ter zitting te zullen verschijnen, heeft de rechtbank bepaald dat de geplande behandeling van het beroep op de zitting van 22 januari 2026 geen doorgang vindt en het onderzoek gesloten.
Overwegingen
Inleiding 1.1. Eiser heeft de Gambiaanse nationaliteit en stelt te zijn geboren op [geboortedatum] 2006. Hij heeft op 27 september 2023 een asielaanvraag in Nederland ingediend.
Eiser heeft aan zijn asielaanvraag – samengevat – het volgende ten grondslag gelegd. Eisers vader is in 2019 of 2020 overleden. Kort daarna heeft [persoon A] , een militair van de Jola-stam, de compound van eisers vader toegeëigend. Eiser was het hier niet mee eens. Hij heeft de compound vervolgens verkocht aan de zoon van de burgemeester. [persoon A] heeft eiser daarna telefonisch bedreigd. In het zomerseizoen van 2022 heeft eiser Gambia verlaten. Hij vreest dat [persoon A] of andere leden van de Jola-stam hem zullen vermoorden als hij terugkeert naar Gambia. Eiser heeft bij terugkeer verder niemand die hem kan ondersteunen.
Het bestreden besluit 2.1. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende relevante elementen:
- identiteit, nationaliteit en herkomst;
- problemen met [persoon A] .
Verweerder heeft de nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig geacht, maar de identiteit (meer specifiek de geboortedatum) van eiser niet, omdat in zoverre niet is voldaan aan de voorwaarden van artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c en e, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Ook eisers problemen met [persoon A] heeft verweerder ongeloofwaardig geacht, omdat in dit verband niet is voldaan aan de voorwaarden van artikel 31, zesde lid, aanhef en onder b, c en e, van de Vw.
Het deels geloofwaardig geachte eerste element levert volgens verweerder geen asielgrond op als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vw. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser daarom afgewezen als ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw. Het bestreden besluit omvat tevens een terugkeerbesluit.
Gronden van beroep 3. Eiser voert aan dat zijn relaas consistent is. Verweerder heeft ten onrechte geen gewag gemaakt van zijn geboorteakte en deze niet onderzocht op echtheid. Hoewel het document niet identificerend is, werkt het wel in positieve zin mee ten aanzien van zijn geloofwaardigheid. Verder heeft verweerder niet aan de samenwerkingsplicht voldaan, die inhoudt dat eventuele tegenstrijdige of bevreemdende verklaringen tijdens het gehoor moeten worden bevraagd. Eventuele tegenstrijdigheden of onduidelijkheden in het relaas kunnen daarom niet zonder meer aan eiser worden tegengeworpen. Verweerder heeft ook op verschillende vlakken zijn eigen mening verwerkt in het voornemen en in de beschikking.
Het oordeel van de rechtbank
Identiteit (geboortedatum)
Eiser stelt dat hij geboren is op 23 juli 2006, wat zou betekenen dat hij op het moment van indienen van zijn asielaanvraag op 27 september 2023 minderjarig was. Eiser heeft bij het indienen van zijn asielaanvraag echter geen authentieke identificerende documenten overgelegd. Eiser is daarom door medewerkers van de AVIM en de IND geschouwd. Zowel de AVIM als de IND heeft geconcludeerd dat eiser evident meerderjarig is. Verder is nader onderzoek gedaan bij de Griekse autoriteiten. Daaruit is naar voren gekomen dat eiser in Griekenland staat geregistreerd met de geboortedatum 23 december 2004. Gelet op het voorgaande heeft verweerder de door eiser opgegeven geboortedatum 23 juli 2006 niet geloofd.
Eiser heeft in dit verband als enige beroepsgrond aangevoerd dat verweerder ten onrechte zijn geboorteakte niet op echtheid heeft onderzocht en heeft betrokken. Daargelaten dat een geboorteakte geen identificerend document is, overweegt de rechtbank dat tot op heden niet is gebleken dat eiser in het bezit is van een originele geboorteakte én dat hij deze aan Bureau Documenten heeft toegestuurd voor onderzoek op echtheid. Dit, terwijl hij hiervoor voldoende tijd en gelegenheid heeft gehad, aangezien hij reeds in de correcties en aanvullingen van 15 september 2025 heeft gemeld dat hij het document zal toesturen aan Bureau Documenten. Gelet hierop leidt hetgeen eiser in beroep heeft aangevoerd niet tot het oordeel dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de gestelde geboortedatum van eiser, en daarmee zijn identiteit, ongeloofwaardig is. De beroepsgrond treft geen doel.
Problemen met [persoon A]
Verweerder heeft eisers gestelde problemen met [persoon A] ongeloofwaardig geacht. Hieraan heeft verweerder ten grondslag gelegd dat eiser op dit punt niet heeft voldaan aan de voorwaarde van artikel 31, zesde lid, aanhef en onder b, van de Vw, omdat hij niet het document van de verkoop van de compound aan de burgemeesterszoon heeft overgelegd en geen bevredigende verklaring heeft gegeven voor het ontbreken van dat document. Verder heeft verweerder hieraan ten grondslag gelegd dat eisers verklaringen hierover geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen, in de zin van artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c, van de Vw. Hiervoor heeft verweerder in het voornemen, gehandhaafd bij het bestreden besluit, zes gemotiveerde argumenten gegeven, te weten: (1) eiser heeft dit asielmotief niet tijdens het aanmeldgehoor benoemd, (2) eisers verklaringen over zijn verblijfplaats tot aan zijn vertrek uit Gambia zijn wisselend, (3) eisers verklaringen over het gebrek aan interesse in de compound zijn ongerijmd, (4) eisers verklaringen over het al dan niet inschakelen van hulp zijn ongerijmd, (5) het is ongerijmd dat eiser twee jaar na het ontstaan van de problemen Gambia heeft verlaten en (6) eiser heeft wisselend verklaard over de vluchtbehoefte van zijn zus.
Uit het voorgaande volgt dat verweerder zijn standpunt dat eisers problemen met [persoon A] ongeloofwaardig zijn uitvoerig en concreet heeft gemotiveerd. Eiser, op zijn beurt, heeft hiertegen in beroep slechts summiere en algemene gronden aangevoerd. Zo heeft hij slechts gesteld dat zijn relaas consistent is, zonder uit te leggen welke van de hiervoor weergegeven argumenten van verweerder hij hiermee betwist. Ook zijn stelling dat verweerder op verschillende vlakken zijn eigen mening heeft verwerkt in het voornemen en het bestreden besluit is niet concreet toegespitst op één of meerdere van de hiervoor weergegeven argumenten van verweerder. Hetzelfde geldt voor zijn stelling dat verweerder hem tijdens het nader gehoor niet heeft geconfronteerd met tegenstrijdige of bevreemdende verklaringen. Eiser licht immers niet toe op welke in het besluit tegengeworpen tegenstijdige of bevreemdende verklaringen hij hier doelt. De rechtbank merkt hierbij op, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 22 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:182, dat eiser tijdens het nader gehoor wel degelijk met diverse tegenstrijdige verklaringen (waaronder die over de vluchtbehoefte van zijn zus) is geconfronteerd en dat hij daarnaast met zijn zienswijze de gelegenheid heeft gehad om te reageren op de tegenwerpingen die in het voornemen zijn vermeld.
Gelet op het voorgaande kan hetgeen eiser in beroep heeft aangevoerd niet leiden tot het oordeel dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eisers gestelde problemen met [persoon A] ongeloofwaardig zijn. De beroepsgrond slaagt niet.
Slotsom
6. De slotsom is dat de door eiser aangevoerde beroepsgronden niet leiden tot het oordeel dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat er zich geen asielgrond als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vw voordoet. Er bestaat dan ook geen grond voor het oordeel dat verweerder ten onrechte heeft gesteld dat eiser niet in aanmerking komt voor een asielvergunning.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is gezien het voorgaande ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F.A. Groeneveld, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. Mercelina, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.