ECLI:NL:RBDHA:2026:11386

ECLI:NL:RBDHA:2026:11386

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 07-05-2026
Datum publicatie 11-05-2026
Zaaknummer NL25.21738
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Middelburg

Samenvatting

Asielaanvraag – nieuw besluit na eerder gegrond beroep – beoordeling in samenhang – geen reëel risico op ernstige schade of gegronde vrees voor vervolging – beroep ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.21738

(gemachtigde: mr. A.K.E. van den Heuvel),

en

(gemachtigde: mr. S. Kuster).

Procesverloop

Bij besluit van 15 april 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser afgewezen als ongegrond.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft het beroep op 15 april 2026 op zitting behandeld in Breda. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [tolk] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedag] 1997 en de Afghaanse nationaliteit te hebben. Hij heeft op 3 juni 2023 een asielaanvraag ingediend.

2. Aan de asielaanvraag heeft eiser het volgende ten grondslag gelegd. Eiser kreeg koranlessen van een lid van de Taliban. Hij werd door deze persoon gevraagd om zich bij de Taliban aan te sluiten, maar dat wilde hij niet. Toen zijn [geboorteplaats] in 2019/2020 in handen kwam van de Taliban is het gezin van eiser naar [plaats] vertrokken. Toen eiser zes of zeven maanden in [plaats] verbleef, heeft hij telefonisch van zijn [vriend] gehoord dat de Taliban hem zocht en wilde doden. Eiser durfde daarna niet meer naar buiten en niet meer naar school te gaan. Ongeveer zes maanden later heeft eiser Afghanistan verlaten. Eiser vreest voor ernstige schade bij terugkeer naar Afghanistan, ook vanwege zijn Oezbeekse afkomst.

3. Verweerder heeft bij besluit van 12 november 2024 de asielaanvraag van eiser afgewezen als ongegrond. Verweerder heeft de nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig geacht, maar zijn identiteit ongeloofwaardig geacht. De problemen met de Taliban heeft verweerder eveneens ongeloofwaardig geacht. De problemen vanwege de Oezbeekse etniciteit zijn wel geloofwaardig bevonden. Dit leidt er volgens verweerder niet toe dat eiser een gegronde vrees voor vervolging heeft dan wel een reëel risico loopt op schade.

4. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 12 november 2024. Bij uitspraak van 26 maart 2025 heeft deze rechtbank en zittingsplaats het beroep van eiser gegrond verklaard, het besluit van 12 november 2024 vernietigd en verweerder opgedragen om een nieuw besluit te nemen op de asielaanvraag. De rechtbank heeft geoordeeld dat verweerder de identiteit en de problemen met de Taliban niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. Verweerder heeft echter onvoldoende gemotiveerd waarom eiser geen reëel risico loopt op vervolging of ernstige schade bij terugkeer. Verweerder heeft geen belangenafweging gemaakt zoals de Afdeling in de uitspraak van 20 november 2024 heeft voorgeschreven. De individuele omstandigheden van eiser en de omstandigheid dat hij terugkeert vanuit een westers land heeft verweerder onvoldoende in samenhang beoordeeld.

5. Bij het bestreden besluit heeft verweerder opnieuw beslist op de asielaanvraag van eiser en deze afgewezen als ongegrond. Verweerder heeft in het bestreden besluit wederom geconcludeerd dat eiser geen gegronde vrees voor vervolging heeft en geen reëel risico loopt op schade.

6. Eiser voert aan dat verweerder met het bestreden besluit niet voldaan heeft aan de opdracht die de rechtbank aan verweerder heeft gegeven in de uitspraak van 26 maart 2025. In het bestreden besluit ontbreekt een inhoudelijke, actuele en samenhangende beoordeling van het reële risico op ernstige schade. Verweerder heeft nog altijd de etniciteit van eiser, zijn gebrek aan baardgroei en zijn verblijf in het westen niet in samenhang met elkaar beoordeeld. Dit is in strijd met de uitspraak van de Afdeling van 20 november 2024. Eiser wijkt als Oezbeek zichtbaar af van de Pashtun-norm door zijn uiterlijk en de taal die hij spreekt. Daarbij komt dat hij vanuit Europa zal terugkeren naar Afghanistan. Deze omstandigheden verhogen het risico op negatieve aandacht van de Taliban. Eiser verwijst naar het Country Guidence-rapport van EUAA over Afghanistan van mei 2024, waarin bevestigd wordt dat etnische minderheden, zoals Oezbeken, risico lopen op vervolging of ernstige schade door de Taliban of Islamitische Staat. Ook verwijst eiser naar de brief van Human Rights Watch van 6 september 2024, waarin staat dat sprake is van systematische uitsluiting van religieuze en etnische minderheden door de Taliban. Verder verwijst eiser naar een rapportage van UNAMA waarin vastgesteld wordt dat terugkeerders uit voornamelijk Pakistan en India in Afghanistan onderworpen worden aan mensenrechtenschendingen. Tot slot voert eiser aan dat verweerder in het bestreden besluit niet heeft vermeld krachtens welke wettelijke voorschriften hij het besluit heeft genomen, zodat het bestreden besluit ook daarom in strijd met het motiveringsbeginsel is genomen.

De rechtbank oordeelt als volgt.

7. De rechtbank stelt voorop dat het aan eiser is om aannemelijk te maken dat hij bij terugkeer een gegronde vrees voor vervolging heeft of reëel risico loopt op schending van artikel 3 van het EVRM. In dit kader heeft eiser aangevoerd dat hij geen baardgroei heeft, een Oezbeekse etniciteit heeft en vanuit het westen zal terugkeren naar Afghanistan.

8. Anders dan eiser meent, heeft verweerder zich terecht en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer een gegronde vrees voor vervolging heeft of een reëel risico op ernstige schade loopt. Verweerder heeft de door eiser aangevoerde individuele omstandigheden zowel afzonderlijk als in samenhang met elkaar bezien. Over de Oezbeekse etniciteit heeft verweerder terecht overwogen dat uit het algemeen ambtsbericht Afghanistan van juni 2023 niet blijkt dat Afghanen met een Oezbeekse etniciteit worden vervolgd vanwege hun etniciteit of dat zij vanwege hun etniciteit te vrezen hebben voor de Taliban. Daarnaast heeft verweerder terecht gewezen op de verklaringen van eiser zelf, waaruit niet blijkt dat hij te maken heeft met ernstige discriminatie of fysieke mishandeling vanwege zijn Oezbeekse etniciteit. De rapportages van EUAA en Human Rights Watch waar eiser in beroep naar heeft verwezen geven geen ander beeld. De door eiser geciteerde informatie uit deze rapporten zijn dan ook onvoldoende voor de conclusie dat Afghanen met een Oezbeekse etniciteit een reëel risico lopen op ernstige schade. Dat eiser weinig baardgroei heeft, en dat dit samenhangt met zijn etniciteit, is eveneens onvoldoende. Verweerder heeft terecht overwogen dat uit het algemeen ambtsbericht niet blijkt dat Oezbeken enkel vanwege het hebben van weinig tot geen baardgroei problemen krijgen met de Taliban. Daarbij heeft verweerder ook kunnen overwegen dat uit het algemeen ambtsbericht volgt dat het niet zo is dat iedereen vanwege het niet dragen van een baard problemen krijgt met de Taliban. De etniciteit van eiser en zijn baardgroei heeft verweerder ook in samenhang beoordeeld met de terugkeer vanuit het westen. Daarbij heeft verweerder overwogen dat geen gedwongen terugkeer vanuit Nederland naar Afghanistan plaatsvindt en dat eiser dus via een buurland zal terugkeren naar Afghanistan, waardoor minder opvalt dat hij vanuit het westen terugkeert. Gelet daarop heeft verweerder kunnen overwegen dat niet ingezien wordt hoe de Taliban van eisers verblijf in Europa op de hoogte is. Verweerder heeft kunnen overwegen dat eiser, ook met zijn gebrek aan baardgroei, kan opgaan in de menigte van Oezbeken die in de noordelijke provincies woonachtig zijn, nu de Taliban niet op de hoogte is van eisers terugkeer vanuit het westen.

9. Uit het voorgaande volgt dat verweerder het bestreden besluit heeft genomen met inachtneming van de uitspraak van de rechtbank van 26 maart 2025 en daarmee ook in overeenstemming met de uitspraak van de Afdeling van 20 november 2024.

10. Ten aanzien van het UNAMA-rapport wat eiser in beroep heeft overgelegd, wordt overwogen dat dit onder meer informatie bevat over de behandeling van Afghanen die vanuit Pakistan of Iran gedwongen terugkeerden naar Afghanistan. Dat geconcludeerd zou moeten worden dat eiser bij terugkeer vanuit het westen eenzelfde risico als of een ernstiger risico zou lopen dan terugkeerders uit Pakistan en India wordt niet gevolgd. Dit blijkt namelijk niet uit dit rapport. De rechtbank merkt bovendien op dat in de opsomming van specifieke bevolkingsgroepen die in het bijzonder risico lopen op mensenrechtenschendingen door de Taliban Afghanen met een Oezbeekse etniciteit niet benoemd zijn.

11. Eiser wordt tot slot niet gevolgd in zijn betoog dat verweerder de wettelijke grondslag van het bestreden besluit niet heeft vermeld. Verweerder heeft immers in het bestreden besluit, onder verwijzing naar het voornemen, overwogen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn situatie recht geeft op een verblijfsvergunning asiel en daarbij gewezen op artikel 31, eerste lid, van de Vw. Verder heeft verweerder in het bestreden besluit overwogen dat in het voornemen ook de wettelijke grondslag is benoemd voor de ambtshalve beoordeling van een reguliere verblijfsvergunning, uitstel van vertrek, het terugkeerbesluit en de vertrektermijn. Verweerder heeft dan ook voldoende kenbaar gemaakt wat de wettelijke grondslag is van het bestreden besluit.

12. Het beroep is ongegrond.

13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 7 mei 2026 door mr. E.F. Bethlehem, rechter, in aanwezigheid van mr. W. van Loon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De uitspraak is bekendgemaakt op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. E.F. Bethlehem

Griffier

  • mr. W. van Loon

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand