Kinderalimentatie
Beschikking op het op 21 maart 2025 (bij de rechtbank Noord-Holland) ingekomen verzoekschrift van:
[de man] ,
de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. E.B. Warmerdam-Wolfs te Alkmaar.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de vrouw] ,
de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. J. de Koning te Lisse.
Procedure
Bij beschikking van 29 juli 2025 van deze rechtbank is – voor zover hier van belang –:
- bepaald dat de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2023 te [geboorteplaats] , bij de man zal zijn:
- met ingang van 29 juli 2025 de eerste zes weken: op zaterdag van 09.30 uur tot 14.30 uur;
- de daaropvolgende zes weken: van zaterdag 09.30 uur tot zondag 10.00 uur;
- daarna om de week van zaterdag 09.30 uur tot zondag 17.00 uur;
- waarbij de man [minderjarige] zal halen en brengen;
- aan de vrouw toestemming verleend – welke toestemming die van de man vervangt – voor de vakantie met [minderjarige] naar Spanje van 14 september 2025 tot 21 september 2025;
- aan de vrouw toestemming verleend – welke toestemming die van de man vervangt – voor het plaatsen van buisjes in de oren van [minderjarige] ;
- het verzoek van de vrouw te bevelen dat de man de laatste vastgestelde drie jaarrapporten van het bedrijf van de man en de laatste drie aangiften inkomstenbelasting met de daarbij behorende aanslagen aan de vrouw dient te verstrekken afgewezen;
- iedere verdere beslissing ten aanzien van de kinderalimentatie tot 1 november 2025 aangehouden.
De rechtbank heeft wederom kennisgenomen van de stukken, waaronder nu ook:
Gelet op de inhoud van de stukken ziet de rechtbank aanleiding om de zaak zonder nadere mondelinge behandeling op de stukken af te doen. Beide partijen hebben daarmee ingestemd.
Beoordeling
De rechtbank handhaaft alles wat in de vorige beschikking is overwogen en beslist, voor zover in deze beschikking niet anders wordt overwogen of beslist.
Aan de rechtbank ligt uitsluitend nog voor het verzoek van de vrouw tot vaststelling van een kinderalimentatie voor [minderjarige] van € 200,- (geïndexeerd € 226,21 per maand) vanaf oktober 2023. De man heeft hiertegen verweer gevoerd.
De rechtbank overweegt als volgt. De man is bij beschikking van 23 juni 2025 van de kantonrechter van de rechtbank Noord-Holland onder bewind gesteld tot 22 mei 2030. Uit het e-mailbericht van 28 november 2025 van de bewindvoerder van de man is gebleken dat de schuldenlast van de man ongeveer € 90.000,- bedraagt met meer dan vijftien verschillende schuldeisers. De bewindvoerder heeft aangegeven dat de belastingaangifte van het bedrijf van de man de afgelopen jaren niet is gedaan, waardoor de schuldenlast mogelijk nog hoger zal uitvallen. Daarbij heeft de bewindvoerder toegelicht dat de man in beginsel niet meer dan € 50,- per week kan besteden. De man heeft aangevoerd dat hij sinds oktober 2025 inkomsten uit loondienst genereert, maar zijn gehele inkomen naar de bewindvoerder gaat en de man daar dus niet de beschikking over heeft. Ook heeft de man gesteld dat hij luiers, kleding en andere benodigdheden voor [minderjarige] moet aanschaffen ondanks dat de man hiervoor geen draagkracht heeft, omdat de vrouw geen spullen voor [minderjarige] meegeeft. De vrouw heeft dit betwist. Zij heeft zich op het standpunt gesteld dat de man in staat is om een minimale bijdrage aan kinderalimentatie voor [minderjarige] te voldoen. De rechtbank overweegt dat de omvang van de schuldenlast van de man niet precies vaststaat. Op basis van de overgelegde stukken en de door de bewindvoerder geschatte hoogte van de schulden is de rechtbank echter van oordeel dat voldoende gebleken is dat de man geen draagkracht heeft. De rechtbank ziet bij deze stand van zaken geen aanleiding om een behoefte- en draagkrachtberekening te maken. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het verzoek van de vrouw afwijzen.
Beslissing
De rechtbank:
wijst het verzoek van de vrouw tot vaststelling van kinderalimentatie voor [minderjarige] af.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.F. Baaij, rechter, tevens kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. E.X.R. Yi als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 31 maart 2026.