ECLI:NL:RBDHA:2026:11447

ECLI:NL:RBDHA:2026:11447

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 10-04-2026
Datum publicatie 11-05-2026
Zaaknummer NL26.18202
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Vervolgberoep, bewaring, voortvarend handelen, zicht op uitzetting, lichter middel, ambtshalve toetsing, ongegrond

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [nummer], eiser

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.18202

(gemachtigde: mr. S.T.V. Le),

en

Procesverloop

Verweerder heeft op 6 januari 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.

Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld.

Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd.

Eiser heeft hierop gereageerd.

De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en heeft het onderzoek op 8 april 2026 gesloten.

Overwegingen

1. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.

2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 26 januari 2026 (in de zaak NL26.1351) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek op 21 januari 2026 tot 8 april 2026.

Voortvarend handelen en het zicht op uitzetting

3. Eiser voert aan dat er geen redelijk vooruitzicht op verwijdering is en dat verweerder onvoldoende voortvarend werkt aan de verwijdering. Voor wat betreft het zicht op uitzetting, betoogt eiser dat het proces omtrent de laissez-passer aanvraag nu al langere tijd berust op de behandeling ervan door de Algerijnse autoriteiten en dat deze autoriteiten, ondanks meerdere rapellen, nog geen reactie hebben gegeven. Ter onderbouwing hiervan, verwijst eiser naar de uitspraak van 11 februari 2026 door de Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem (ECLI:NL:RBHDA:2026:2738). Met betrekking tot het onvoldoende voortvarend handelen door verweerder, voert eiser aan dat verweerder onvoldoende de nationaliteit van eiser heeft geprobeerd vast te stellen. Daartoe voert eiser aan dat een door eiser overgelegd document waar mogelijk uit blijkt dat eiser in Algerije is geboren niet is onderzocht door verweerder. Ook beroept eiser zich erop dat verweerder niet de Algerijnse autoriteiten heeft benaderd om zijn nationaliteit te bevestigen.

4. In wat eiser aanvoert, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat er geen redelijk vooruitzicht op verwijdering is en dat verweerder onvoldoende voortvarend werkt aan de verwijdering uit Nederland. De reden hiervoor is dat eiser zich momenteel pas drie maanden in bewaring bevindt. Daarnaast liep er aan het eind van 2025 en het begin van 2026 een procedure op het uitstellen van de uitzetting van eiser vanwege diens medische omstandigheden ex art. 64 Vw gericht. Het tijdsbestek van de bewaring en de aanvraag voor de laissez-passer zijn niet dusdanig lang, dat er geconcludeerd kan worden dat hierdoor thans geen zicht op uitzetting bestaat. De rechtbank komt in dit opzicht tot een andere conclusie dan in de zaak waarnaar eiser verwijst in diens reactie, omdat het tijdsbestek van de bewaring en de aanvraag laissez-passer in die zaak aanmerkelijk langer is. Verder volgt de rechtbank niet het standpunt van eiser dat verweerder onvoldoende voortvarend gehandeld heeft met het oog op het vaststellen van de nationaliteit van eiser. De rechtbank constateert dat de regievoerder van de DT&V in het eerste gesprek al heeft opgemerkt dat de Algerijnse autoriteiten zijn identiteit alleen kunnen bevestigen door middel van een identiteitskaart, paspoort, militair boekje of een kopie van deze documenten. De stelling dat verweerder de kopie van eisers geboorteakte niet heeft onderzocht treft derhalve geen doel. Gelet op het voorgaande, ziet de rechtbank ook met de inachtneming van een kopie van eisers geboorteakte geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder onvoldoende voortvarend heeft gehandeld. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.

Lichter middel

5. Eiser voert aan dat verweerder had moeten volstaan met een lichter middel, omdat de bewaring te bezwarend zou zijn voor eiser gezien zijn psychische gesteldheid. Daarnaast beroept eiser zich op het uitblijven van de behandeling van de voorlopige voorziening hangende het hoger beroep tegen de afgewezen asielaanvraag van eiser.

6. Voor de beroepsgrond over het opleggen van een lichter middel vanwege de psychische gesteldheid van eiser, verwijst de rechtbank naar haar eerdere uitspraak van 26 januari 2026 (in de zaak NL26.1351, overweging 2.1.) In wat eiser nu aanvoert ziet de rechtbank geen aanleiding voor een ander oordeel. Nog altijd is niet gebleken dat de in het detentiecentrum beschikbare begeleiding en psychologische zorg voor eiser niet toereikend zijn. Dat eisers verzoek om een voorlopige voorziening nog niet is behandeld doet daar niet aan af. De beroepsgrond slaagt daarom niet.

Ambtshalve toetsing

7. De rechtbank overweegt dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858, gehouden is ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring sinds 21 januari 2026 op enig moment onrechtmatig was. Er is ook niet gebleken dat het familie- en gezinsleven van eiser of het beginsel van non-refoulement zich verzetten tegen eisers verwijdering (zoals bedoeld in het arrest Adrar van het Hof van 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647).

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Hello, rechter, in aanwezigheid van mr. S.A. Vroegop, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. A. Hello

Griffier

  • mr. S.A. Vroegop

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand