ECLI:NL:RBDHA:2026:1145

ECLI:NL:RBDHA:2026:1145

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 08-01-2026
Datum publicatie 26-01-2026
Zaaknummer NL25.31820
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Aanvraag asiel. Alleenstaande vrouw. Jezidi uit Irak. Thematisch ambtsbericht Irak november 2025. Beroep gegrond.

Uitspraak

[eiseres], V-nummer: [v-nummer], eiseres

(gemachtigde: mr. M. Erik),

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. A.T.M. Vroom-van Berckel).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar asielaanvraag.

Eiseres heeft op 20 juli 2022 een asielaanvraag ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 11 juli 2025 deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond.

De rechtbank heeft het beroep op 27 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van verweerder deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?

Het asielrelaas

2. Eiseres is geboren op [geboortedatum] 1972 en heeft de Iraakse nationaliteit. Zij legt aan haar asielaanvraag ten grondslag dat zij Jezidi is en geen rechten heeft. Ook is zij een gescheiden vrouw, is het voor haar niet mogelijk om een leven buiten het vluchtelingenkamp op te bouwen met haar kinderen en is de algemene veiligheidssituatie in Irak niet goed. Eiseres heeft Irak daarom verlaten.

Het bestreden besluit

3. Het asielrelaas van eiseres bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven:

Allereerst heeft verweerder erop gewezen dat eiseres per 1 juli 2025 met onbekende bestemming is vertrokken, wat afbreuk doet aan de door haar gestelde behoefte aan bescherming en aangeeft dat zij geen belang meer hecht aan een beslissing op haar aanvraag. Verweerder vindt alle asielmotieven geloofwaardig, maar vindt dat niet is gebleken dat eiseres een gegronde vrees heeft voor vervolging zoals bedoeld in het Vluchtelingenverdrag. De problemen die eiseres heeft ondervonden vanwege het behoren tot de Jezidi bevolkingsgroep zijn volgens verweerder niet ernstig genoeg om eiseres als vluchteling aan te merken. Dat geldt ook niet voor de omstandigheid dat eiseres geen echtgenoot meer heeft, nu zij wel (mannelijke) familieleden en een sociaal netwerk heeft waar ze op terug kan vallen. Ook levert terugkeer volgens verweerder geen reëel risico op ernstige schade zoals bedoeld in artikel 3 van het EVRM op, nu in de herkomstregio van eiseres sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld en eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij persoonlijk een verhoogd risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld ten opzichte van anderen. Daar is volgens verweerder ook geen sprake van door de slechte omstandigheden in de vluchtelingenkampen. Dat eiseres eerder ervaring heeft gehad met discriminatie en mishandeling maakt volgens verweerder niet dat eiseres bij terugkeer in een vergelijkbare situatie terecht zal komen. Eiseres moet daarom terugkeren naar Irak.

Wat vindt eiseres in beroep?

4. Eiseres is het niet eens met het bestreden besluit en heeft daarvoor de volgende argumenten. Allereerst stelt zij dat zij niet met onbekende bestemming is vertrokken, zij zat alleen in het asielzoekerscentrum (AZC) en was niet zelfredzaam om daar alleen te verblijven. Ze verblijft bij haar neef. Verder vindt eiseres dat verweerder de onmenselijke omstandigheden in de vluchtelingenkampen en de omstandigheid dat zij een alleenstaande vrouw is als aparte asielmotieven had moeten aanmerken. Wat betreft het veranderde beleid ten aanzien van Jezidi’s stelt eiseres dat verweerder ten onrechte niet inzichtelijk maakt wat de wijziging heeft gerechtvaardigd. Wat betreft het risico op vervolging vindt eiseres dat de discriminatie tegen haar wel ernstig genoeg is, dat zij te vrezen heeft voor vervolging en dit ook volgt uit de door haar aangehaalde rapporten. Deze rapporten zijn, anders dan verweerder stelt, wel relevant voor haar en verweerder had hier op in moeten gaan. Wat betreft het risico op ernstige schade stelt eiseres stelt dat de slechte situatie in de vluchtelingenkampen en de omstandigheden dat deze onveiliger worden en sluiten maken dat zij niet terug kan naar [plaats 1]. Eiseres stelt verder dat zich eerdere omstandigheden hebben voorgedaan die maken dat vervolging als bedoeld in het Vluchtelingenverdrag en/of ernstige schade als bedoeld in artikel 3 van het EVRM moet worden aangenomen bij terugkeer. In dat geval geldt voor verweerder een zwaardere bewijslast om aannemelijk te maken dat daar bij terugkeer niet opnieuw sprake van zal zijn. Verweerder ontkent volgens eiseres deze zwaardere bewijslast niet, maar betrekt deze ten onrechte niet in het bestreden besluit. Tot slot beroept eiseres zich op het thematisch ambtsbericht Irak van november 2025 over de ontheemdenkampen onder gezag van de Kurdistan Regional Government en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 5 november 2025.

Wat is het oordeel van de rechtbank?

5. De rechtbank beoordeelt of verweerder de asielaanvraag van eiseres kon afwijzen als ongegrond. Zij doet dat aan de hand de hand van de beroepsgronden van eiseres. De rechtbank geeft eiseres gelijk. Hieronder legt de rechtbank dat uit.

6. Allereerst stelt de rechtbank vast dat verweerder ter zitting zijn standpunt – namelijk dat eiseres met onbekende bestemming is vertrokken – heeft ingetrokken.

Vaststelling asielmotieven

7. Uit rechtspraak van de hoogste bestuursrechter volgt dat onder een asielmotief wordt verstaan: een door een vreemdeling aangevoerde reden om in Nederland asielrechterlijke bescherming te krijgen tegen een – te verwachten – behandeling in zijn land van herkomst. In de werkinstructie 2024/6 (de werkinstructie) staat dat onder een asielmotief wordt verstaan: de feiten en omstandigheden die voor de vreemdeling reden vormen voor het aanvragen van bescherming. De werkinstructie noemt als omstandigheid onder meer expliciet de genderidentiteit van de vreemdeling. Feiten kunnen zien op gebeurtenissen en op gedragingen. Ook noemt de werkinstructie dat een verzoek om internationale bescherming gebaseerd kan zijn op meerdere asielmotieven die los van elkaar staan, maar dat dit niet betekent dat deze motieven op geen enkele manier op elkaar doorwerken of met elkaar samenhangen.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet alle asielmotieven juist heeft vastgesteld. Verweerder had de omstandigheid dat eiseres een alleenstaande vrouw is als apart asielmotief moeten vaststellen. In het nader gehoor heeft eiseres – naast haar problemen vanwege het zijn van een Jezidi – ook genoemd dat zij het als alleenstaande vrouw moeilijk heeft gehad. Verweerder heeft in het nader gehoor ook doorgevraagd naar de omstandigheid dat eiseres een alleenstaande vrouw is. Daar komt bij dat verweerder in zijn beleid alleenstaande vrouwen als risicoprofiel heeft aangemerkt voor Irak, inclusief de KAR. De rechtbank stelt echter vast dat verweerder in het bestreden besluit wel degelijk heeft beoordeeld of eiseres in Irak als alleenstaand wordt gezien en op die grond bescherming behoeft. Daarbij heeft verweerder in lijn met zijn beleid terecht meegewogen dat eiseres weliswaar geen echtgenoot heeft, omdat zij is gescheiden, maar dat zij familie heeft waar zij voor opvang en bescherming op terug kan vallen. De enkele stelling van eiseres dat zij dit niet kan omdat haar familie genoeg heeft aan zichzelf, heeft verweerder niet hoeven volgen. Als verweerder de omstandigheid dat eiseres een alleenstaande vrouw is als apart asielmotief had aangemerkt, had dit gelet op het voorgaande onder de streep niet tot een ander besluit geleid. De rechtbank zal dit gebrek daarom met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) passeren, nu eiseres hierdoor niet in haar belangen is geschaad.

Verder overweegt de rechtbank dat verweerder de omstandigheden in de kampen, anders dan eiseres stelt, niet als apart asielmotief heeft hoeven vaststellen. Wat iemands normale woon- en verblijfsplaats is valt onder de herkomst, die in deze zaak wel als asielmotief is aangemerkt. Bij de beoordeling van dat asielmotief heeft verweerder ook expliciet de omstandigheden in de kampen betrokken, namelijk bij beantwoording van de vraag of deze kampen als normale woon- of verblijfsplaats kunnen gelden en of bij terugkeer naar die kampen sprake is van een reëel risico op ernstige schade als bedoeld in artikel 3 van het EVRM. De beroepsgronden van eiseres op dit punt slagen dus niet.

Vrees voor vervolging als bedoeld in het Vluchtelingenverdrag

8. Verweerder vindt het geloofwaardig dat eiseres als Jezidi te maken heeft gehad met discriminatie, maar heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat deze discriminatie niet zodanig ernstig is dat zij bij terugkeer een gegronde vrees heeft voor vervolging vanwege haar afkomst en religie. Verweerder heeft daarbij terecht betrokken dat niet is gebleken dat eiseres door de discriminatie zo ernstig beperkt werd in haar bestaansmogelijkheden dat zij onmogelijk op maatschappelijk en sociaal gebied kon functioneren. Eiseres heeft zich staande kunnen houden in Irak, kon documenten aanvragen, had opvang, kon werken en kon medische zorg krijgen. Dat uit bronnen volgt dat er sprake is van hate speech jegens Jezidi’s maakt het voorgaande niet anders. Verder verwijst eiseres naar een uitspraak van deze rechtbank, waaruit volgt dat in een rapport is opgenomen dat Jezidi’s in de KAR worden blootgesteld aan discriminatie, gedwongen assimilatie, detentie en deportatie. Zoals verweerder in het bestreden besluit terecht heeft gesteld, ziet het rapport niet op haar eigen situatie en kan het daarom niet tot een andere conclusie leiden. Eiseres stelt terecht dat doordat zij als Jezidi heeft moeten vluchten voor de genocide in dit geval een zwaardere bewijslast geldt voor verweerder als bedoeld in artikel 31, vijfde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Eiseres is als Jezidi in Irak eerder immers rechtstreeks bedreigd met vervolging. Verweerder heeft met de hiervoor weergegeven motivering echter aan de zwaardere bewijslast voldaan.

Risico op ernstige schade als bedoeld in artikel 3 van het EVRM

9. Voor zover eiseres zich op het standpunt stelt dat verweerder het gewijzigde beleid onvoldoende heeft gemotiveerd dan wel onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de vluchtelingenkampen in de KAR (thans wel) kunnen worden aangemerkt als vaste woon- en verblijfplaats, overweegt de rechtbank dat verweerder vrij is om zijn beleid aan te passen. De rechtbank toetst of het gewijzigde beleid en de toepassing daarvan in overeenstemming zijn met artikel 3 van het EVRM dan wel het Vluchtelingenverdrag. Dat de humanitaire situatie in de vluchtelingenkampen mogelijk is verslechterd speelt bij de vraag of de KAR als normale woon- en verblijfplaats mag worden aangemerkt geen rol. Hierbij gaat het namelijk om de situatie vóór vertrek. De huidige situatie in de KAR is wel van belang bij de beantwoording van de vraag of eiseres bij terugkeer naar de KAR een reëel risico loopt op ernstige schade als bedoeld in artikel 3 van het EVRM.Om het risico bij terugkeer goed te kunnen inschatten moet verweerder een individuele beoordeling maken. Of eiseres kan terugkeren naar de KAR zonder dat zij een reëel risico loopt op ernstige schade moet blijken uit haar individuele situatie én de door haar overgelegde en verder bekende (algemene) informatie.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom eiseres, gelet op de slechte leefomstandigheden in de vluchtelingenkampen in de KAR, geen reëel risico loopt op ernstige schade als bedoeld in artikel 3 van het EVRM. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende.

De rechtbank stelt vast dat bestreden besluit dateert van 11 juli 2025. Verweerder heeft het thematisch ambtsbericht Irak van november 2025 daarin dus niet betrokken. Verweerder is ter zitting wel op dit ambtsbericht ingegaan. Daarbij heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van een wezenlijk ander beeld dan uit het eerdere ambtsbericht Irak van november 2023 naar voren kwam. Volgens verweerder blijkt het uit het thematisch ambtsbericht van november 2025 dat er geen grootschalige veiligheidsincidenten zijn en dat ontheemden grote bewegingsvrijheid hebben. Hoewel blijkt dat de financiering is afgenomen, zijn basisvoorzieningen nog immer aanwezig. Ook is er woonruimte, vooral tenten. In sommige kampen is in beperkte mate gezondheidszorg. Ook is het mogelijk onderwijs volgen te volgen, al is er wel gebrek aan leerkrachten en materiaal. Verder blijkt volgens verweerder dat sprake is van inconsistente distributie van voedselhulp, maar is dit door particuliere hulp overgenomen. Uit het ambtsbericht blijkt niet van beperkingen voor ontheemden om arbeid te verrichten. Hoewel de omstandigheden sober zijn te noemen, is volgens verweerder in de kampen in de KAR niet gebleken van een situatie als die aan de orde was in het arrest Sufi en Elmi.

De rechtbank kan deze motivering niet zonder meer volgen. In het thematisch ambtsbericht van november 2025 staat dat het besluit over sluiting van de ontheemdenkampen in de verslagperiode leidde tot terugtrekking van hulp en het vertrek van verschillende (internationale) humanitaire hulporganisaties. Hoewel het besluit werd uitgesteld beïnvloedde het de financiering van hulp voor de kampen. In 2025 volgden kortingen van de regering van president Trump ten aanzien van de Amerikaanse internationale ontwikkelingshulporganisatie USAID, waardoor de financiering van veel (lokale) hulporganisaties stopte of terugliep. Dit heeft volgens het ambtsbericht geleid tot – kort gezegd – een gebrek aan basisvoorzieningen op het gebied van wonen, voedsel en sanitair. Op al deze thema’s wordt in het ambtsbericht gesproken van een verslechtering en/of een dringende behoefte aan verbetering van de situatie. Zo wordt gewezen op de oude en vervallen tenten waaruit de ontheemdenkampen bestaan en die kwetsbaar zijn voor brand en extreme weersomstandigheden. Verder wordt gewezen op de inconsistente voedseldistributie, waarbij ontheemden voor hun basisbehoeften afhankelijk zijn van particuliere donateurs en liefdadigheidsorganisaties. Het ambtsbericht vermeldt ook dat volgens UNHCR en IOM sprake is van ontoereikende toegang tot basis- en spoedeisende gezondheidszorg. Ten slotte vermeldt het ambtsbericht expliciet de volgens een bron verslechterde algehele situatie in enkele ontheemdenkampen in de omgeving van [plaats 2], waar eiseres heeft verbleven en waar ook haar familie verblijft.

Gelet op het voorgaande heeft verweerder niet deugdelijk gemotiveerd dat eiseres geen reëel risico loopt op ernstige schade als zij terug moet keren naar de KAR. Daar komt bij dat eiseres in het nader gehoor heeft verklaard dat haar dochter [naam] medische hulp nodig heeft en dat zij deze in Irak niet kan krijgen. Eiseres heeft een medisch rapport overgelegd ter onderbouwing hiervan. Verweerder heeft deze omstandigheid, in samenhang met wat in het thematisch ambtsbericht van november 2025 over de ontoereikende toegang tot basis- en spoedeisende gezondheidszorg in de ontheemdenkampen is vermeld, ten onrechte niet kenbaar in het bestreden besluit betrokken.

Conclusie en gevolgen

10. De rechtbank komt tot de conclusie dat het beroep gegrond is omdat verweerder het bestreden besluit wat betreft het risico op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM bij terugkeer niet deugdelijk heeft gemotiveerd. Dit betekent dat de rechtbank het bestreden besluit zal vernietigen en verweerder op zal dragen een nieuw besluit op de aanvraag te nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft verweerder hiervoor acht weken.

11. Verweerder moet de proceskosten van eiseres vergoeden. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op een totaal van tot een bedrag van € 1.868,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift met een waarde van € 934,- en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde van € 934,-, allen met een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.W. Griffioen, rechter, in aanwezigheid van mr. J.R. Froma, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. C.W. Griffioen

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?