RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [nummer], eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.18837
(gemachtigde: mr. M.M. van Daalhuizen),
en
(gemachtigde: mr. M.F. Aly).
Procesverloop
Bij besluit van 12 maart 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 15 april 2026 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. In de maatregel van bewaring heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;3h. tot ongewenst vreemdeling is verklaard als bedoeld in artikel 67 van de Wet of tegen hem een inreisverbod is uitgevaardigd met toepassing van artikel 66a, zevende lid, van de Wet;3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;en als lichte gronden vermeld dat eiser:4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;4e. verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld.
2. Eiser heeft de zware gronden 3d en 3i betwist en refereert zich voor de overige gronden aan het oordeel van de rechtbank.
3. Wat eiser heeft aangevoerd geeft geen aanleiding om de gronden van de maatregel van bewaring onvoldoende te achten. De onbestreden gronden, in onderlinge samenhang bezien, kunnen naar het oordeel van de rechtbank de maatregel van bewaring voldoende dragen. Er vloeit namelijk uit voort dat er een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De overige bestreden gronden behoeven gezien het voorgaande geen bespreking. Deze beroepsgrond slaagt niet.
4. In de schriftelijke beroepsgronden voorafgaand aan de zitting heeft eiser zich ook nog op het standpunt gesteld dat er geen redelijk vermoeden van illegaal verblijf van eiser zou zijn. Deze beroepsgrond slaagt niet, nu eiser een terugkeerbesluit naar Marokko opgelegd heeft gekregen alsmede een zwaar inreisverbod voor 10 jaren.
Zicht op uitzetting en voortvarend handelen
5. Eiser voert aan dat er geen redelijk vooruitzicht op verwijdering is en dat verweerder onvoldoende voortvarend werkt aan de verwijdering. Zo betoogt eiser dat voor zover hem bekend er geen zicht op uitzetting naar Marokko bestaat. Ook volgt het gebrek aan zicht op uitzetting uit de afwezigheid van informatie omtrent de laissez-passer aanvraag, aldus eiser. Voorts geeft eiser aan dat eisers afgeronde asielprocedure aanleiding moet zijn voor verweerder om voortvarender te handelen.
6. In wat eiser aanvoert, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat er geen redelijk vooruitzicht op verwijdering is en dat verweerder onvoldoende voortvarend werkt aan de verwijdering uit Nederland. De rechtbank betrekt in haar oordeel de uitspraak van de Afdeling van 27 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1675. In voormelde uitspraak van de Afdeling wordt er ingegaan op cijfers betreffende laissez-passers die zijn verstrekt door de Marokkaanse autoriteiten en uitzettingen met behulp van deze laissez-passers naar Marokko. Aansluitend concludeert de Afdeling op basis van deze cijfers dat er zicht op uitzetting aanwezig is bij uitzettingen naar Marokko. Om deze reden kan de rechtbank zich in onderhavige zaak niet verenigen met eisers standpunt dat er geen zicht op uitzitting naar Marokko bestaat. Voorts merkt de rechtbank op dat de maatregel van bewaring op 12 maart 2026 is opgelegd en dat op 18 maart 2026 een vertrekgesprek is gevoerd met eiser. Uit de rechtspraak van de Afdeling, bijvoorbeeld in ECLI:NL:RVS:2025:219, kan worden afgeleid dat verweerder voldoende voortvarend gehandeld heeft in de voorliggende zaak met het voeren van een vertrekgesprek zes dagen na inbewaringstelling van eiser. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.
Lichter middel
7. Eiser voert aan dat verweerder had moeten volstaan met een lichter middel, omdat hij niet vanuit het AZC in Ter Apel met onbekende bestemming is vertrokken. Hieraan voegt eiser toe dat eiser zich bevond op een vrijheidsbeperkende locatie. Ook werkte eiser zelfstandig aan zijn vertrek met behulp van de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM) en stond er een afspraak gepland op 16 maart 2026 met de IOM. Eiser meent dat verweerder in het licht van deze omstandigheden had moeten volstaan met het opleggen van een lichter middel.
8. Bij de beantwoording van de vraag of verweerder met toepassing van een lichter middel had moeten volstaan, beoordeelt de rechtbank of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen andere afdoende maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Daarbij past een grondig onderzoek naar de feitelijke elementen van het concrete geval en een specifieke motivering van verweerder; verwijzing naar de bewaringsgronden volstaat daarvoor niet. De rechtbank wijst op de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 23 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:674) en 10 april 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:1309) en het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 5 juni 2014 (ECLI:EU:C:2014:1320, Mahdi).
De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich, gelet op wat hierboven is geoordeeld over de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, terecht op het standpunt heeft gesteld dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. De reden hiervoor is dat het onttrekkingsrisico dat volgt uit de gronden te groot is. Eiser heeft in het vertrekgesprek van 18 maart 2026 herhaaldelijk verklaard dat hij niet naar Marokko terug wil gaan en dat hij ook niks wil aantonen met betrekking tot zijn nationaliteit en identiteit. Deze verklaringen geven de rechtbank reden om tot de conclusie te komen dat er bij eiser een dermate hoog risico op onttrekking aan het toezicht is, dat een lichter middel niet geschikt is om zijn uitzetting naar Marokko te realiseren. Hetgeen eiser heeft betoogd met betrekking tot een afspraak bij de IOM in het kader van zelfstandig vertrek doet niet af aan deze conclusie. Het hebben van een afspraak is onvoldoende concreet om ervan uit te mogen gaan dat eiser daadwerkelijk zelfstandig zou vertrekken, zeker in samenhang bezien met de voormelde verklaring dat eiser niet wenst terug te keren naar Marokko. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Ambtshalve toetsing
9. De rechtbank overweegt dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022 (ECLI:EU:C:2022:858), gehouden is ambtshalve de rechtsmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was. Daarnaast heeft het Hof in het arrest Adrar van 4 september 2025 (ECLI:EU:C:2025:647), voor recht verklaard dat de bewaringsrechter zo nodig ambtshalve moet nagaan of het beginsel van non-refoulement en/of het belang van het kind en het familie- en gezinsleven, bedoeld in respectievelijk artikel 5, onder a) en b), van richtlijn 2008/115 zich verzetten tegen de verwijdering als de bewaringsmaatregel is opgelegd om de terugkeer van een illegaal verblijvende derdelander voor te bereiden en/of om de verwijderingsprocedure uit te voeren. Het is de rechtbank niet gebleken dat het familie- en gezinsleven van eiser of het beginsel van non-refoulement zich verzetten tegen eisers verwijdering.
Gevolgen en conclusie
10. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Hello, rechter, in aanwezigheid van mr. S.A. Vroegop, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.