ECLI:NL:RBDHA:2026:11465

ECLI:NL:RBDHA:2026:11465

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 21-04-2026
Datum publicatie 11-05-2026
Zaaknummer NL26.18970
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Bewaring, grondslag van de ophouding, informatieplicht ex artikel 5.3. Vb, ambtshalve toetsing, ongegrond

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [nummer], eiser

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.18970

(gemachtigde: mr. S.T.V. Le),

en

(gemachtigde: mr. M.F. Aly).

Procesverloop

Bij besluit van 1 april 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

Verweerder heeft op 8 april 2026 de maatregel van bewaring opgeheven.

De rechtbank heeft het beroep op 15 april 2026 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.

2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de maatregel nodig was, omdat een concreet aanknopingspunt bestond voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestond dat eiser zich aan het toezicht zou onttrekken. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, tweede, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3e. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;3k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek;en als lichte gronden vermeld dat eiser:4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

3. De rechtbank stelt vast dat eiser de zware en lichte gronden, en de daarop gegeven toelichtingen, niet heeft betwist. Deze gronden en de daarop gegeven toelichtingen, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, kunnen, in onderling verband en samenhang bezien, de maatregel van bewaring dragen. Er volgt namelijk uit dat er een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken.

Grondslag van de ophouding

4. Eiser voert aan dat de ophouding van eiser voorafgaand aan de inbewaringstelling berustte op de verkeerde grondslag. Volgens eiser was artikel 50a Vw de onjuiste grondslag voor ophouding, omdat eiser niet langer rechtmatig verblijf had, zodat het voormelde artikel niet van toepassing kon zijn voor de ophouding. Voorts betoogt eiser dat zijn rechtmatig verblijf ophield toen hij 25 februari 2026 met onbekende bestemming (MOB) vertrok bij het COA en dat het rechtmatig verblijf niet herleefde toen hij zich weer meldde bij het COA. Daarnaast stelt eiser dat alleen een zogeheten ‘TBBA-melding’ voor hem is aangemaakt en dat die enkele melding geen grond kan zijn voor het verlengen van het overdrachtstermijn in het kader van de Dublinprocedure, zoals verweerder bij brief van 26 februari 2026 wel heeft gedaan.

5. De rechtbank overweegt als volgt. Vast staat dat er een TBBA-melding is opgemaakt van eiser. In tegenstelling tot hetgeen is aangevoerd door eiser, is de juiste grondslag voor de ophouding gehanteerd door verweerder. Bij de TBBA-melding heeft eiser immers rechtmatig verblijf behouden als Dublinclaimant, dat hij zou zijn verloren in het geval eiser was vertrokken met onbekende bestemming. De rechtbank stelt vast dat, zoals eiser in zijn beroepsgronden zelf aangeeft, voor hem geen MOB-melding is aangemaakt. Gelet op het voorgaande was artikel 50a, eerste lid, van de Vw dan ook de juiste grondslag voor de staandehouding. Eiser is nog altijd Dublinclaimant en valt onder de personen die rechtmatig verblijf hebben, zoals vastgelegd in artikel 8, aanhef en onder m, van de Vw. De rechtbank verwijst in dit kader ook naar een eerdere uitspraak op 17 april 2025 van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, ECLI:NL:RBDHA:2025:6548. Voor wat betreft hetgeen eiser heeft aangevoerd omtrent de verlengde overdrachtstermijn in het kader van de Dublinprocedure, merkt de rechtbank op dat het al dan niet onterecht verlengen van het overdrachtstermijn buiten de kaders van het onderhavige beroep valt. In dat verband overweegt de rechtbank (ten overvloede) dat van de verlengde overdrachtstermijn hoe dan ook geen gebruik is gemaakt, nu eiser op 8 april 2026 al is overgedragen. De beroepsgrond slaagt niet.

Informatieplicht ex artikel 5.3 Vb

6. Eiser voert aan dat de informatieplicht uit artikel 5.3 Vb is geschonden, omdat eiser stelt dat hij niet de informatiebrief bij de maatregel van bewaring heeft ontvangen. Tevens bevindt de informatiebrief zich niet in het dossier, waardoor de gemachtigde van eiser niet in staat is om de inhoud van de informatiebrief te controleren, aldus eiser. Verweerder verklaart dat zij uit mag gaan van de inhoud van het M109-A formulier, de maatregel van bewaring, waarin staat dat de informatiebrief wel is overhandigd aan eiser. Bij uitreiking van de maatregel is deze ook besproken in het Arabisch met eiser met behulp van de op dat moment aanwezige tolk, omdat eiser niet in staat is te lezen of te schrijven.

7. De rechtbank overweegt als volgt. Er mag worden uitgegaan van de juistheid van de informatie in het formulier M109-A, de maatregel van bewaring. Zoals verweerder aangeeft, is in de maatregel van bewaring te lezen dat de informatiebrief in de Arabische taal is uitgereikt aan eiser. Verder constateert de rechtbank dat in de maatregel staat dat de informatiebrief is toegelicht aan eiser met behulp van een tolk toen de informatiebrief werd uitgereikt aan eiser. De reden die hiervoor is geweest dat eiser, blijkens zijn verklaringen tijdens het gehoor, niet in staat is om te lezen en te schrijven. Naar het oordeel van de rechtbank is daarom enkel van belang dat hij feitelijk een informatiebrief heeft meegekregen waaruit blijkt wat de gronden zijn voor zijn inbewaringstelling, dat er openstaande rechtsmiddelen zijn waarvan de vreemdeling gebruik van kan maken en dat de vreemdeling het recht op rechtsbijstand heeft. Aangezien de informatiebrief ‘Waarom bent u in bewaring gesteld?’ deze elementen bevat, valt naar het oordeel van de rechtbank hierin geen gebrek te herkennen. Bovendien is de inhoud van de maatregel door een tolk mondeling toegelicht bij de overhandiging van de informatiebrief, waardoor eiser op de hoogte is gesteld van de inhoud van informatiebrief op de enige manier waarop dat in zijn geval mogelijk is. Dat de informatiebrief niet is geüpload in het dossier, vormt ook geen reden om een gebrek aan te nemen. In het licht van hetgeen hiervoor overwogen, concludeert de rechtbank dat verweerder heeft voldaan aan de informatieplicht zoals bedoeld in artikel 5.3, van het Vb. Het beroept slaagt niet.

Ambtshalve toetsing

8. De rechtbank overweegt dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022 (ECLI:EU:C:2022:858), gehouden is ambtshalve de rechtsmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Hello, rechter, in aanwezigheid van mr. S.A. Vroegop, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. A. Hello

Griffier

  • mr. S.A. Vroegop

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand