ECLI:NL:RBDHA:2026:11477

ECLI:NL:RBDHA:2026:11477

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 08-05-2026
Datum publicatie 12-05-2026
Zaaknummer NL26.15235 en NL26.15237
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Arnhem

Samenvatting

Dublin Duitsland; moeder en dochter; AI/Case Matcher; interstatelijk vertrouwensbeginsel, indirect refoulement Iran; art. 17 Dvo; beroepen ongerond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 mei 2026 in de zaken tussen

[eiseres 1], v-nummer: [nummer 1], eiseres 1

de minister van Asiel en Migratie

Samenvatting

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummers: NL26.15235 en NL26.15237

[eiseres 2], v-nummer: [nummer 2], eiseres 2

eiseressen

(gemachtigde: mr. E. Ceylan),

en

(gemachtigde: mr. Y. Verheugt).

1. Deze uitspraak gaat over het niet in behandeling nemen van de asielaanvragen van eiseressen omdat Duitsland daarvoor verantwoordelijk is. Eiseressen zijn het daar niet mee eens. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvragen.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het niet in behandeling nemen van de asielaanvragen in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiseressen hebben op 19 oktober 2025 aanvragen om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft de aanvragen met de bestreden besluiten van 17 maart 2026 niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvragen.

De rechtbank heeft de beroepen, samen met de verzoeken om een voorlopige voorziening, op 30 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseressen, de gemachtigde van eiseressen en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het besluit

3. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. In dit geval heeft Nederland bij Duitsland een verzoek om terugname gedaan. Duitsland heeft dit verzoek op 12 december 2025 aanvaard.

Zijn het voornemen en het besluit door een bevoegde ambtenaar genomen of door AI en/of Case Matcher?

4. Eiseressen betogen dat zowel het voornemen als het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen, omdat de minister onvoldoende transparant is over het gebruik van AI of Case Matcher. Eiseressen kunnen niet controleren of het besluit door een bevoegde ambtenaar is genomen. Hiertoe verwijzen eiseressen naar de overgelegde zittingsaantekeningen in een andere Dublinzaak waaruit blijkt dat binnen de IND AI of Case Matcher in Dublinprocedures in de testfase wordt gebruikt. Volgens eiseressen kan daarom ook in deze zaak gebruik zijn gemaakt van AI of Case Matcher. Verder voeren eiseressen aan dat in het voornemen geen contactpersoon is vermeld en dat daardoor niet inzichtelijk is welke medewerker daadwerkelijk betrokken is geweest bij de besluitvorming. Daarnaast voeren eiseressen aan dat onderaan het voornemen en het bestreden besluit slechts staat vermeld dat het besluit ‘automatisch is verstuurd’. Volgens eiseressen blijkt daaruit niet dat het besluit ook daadwerkelijk door een bevoegde ambtenaar is opgesteld of inhoudelijk is beoordeeld. In oudere besluiten werd namelijk vermeld dat een besluit “automatisch geproduceerd” was. Volgens eiseressen is een enkele mondelinge mededeling van de minister ter zitting dat geen gebruik is gemaakt van AI of Case Matcher, onvoldoende. Zij willen dit kunnen verifiëren aan de hand van screenshots uit Indigo waaruit blijkt wie het voornemen heeft aangemaakt, definitief heeft gemaakt en heeft verzonden. Volgens eiseressen kan aan de hand daarvan worden gecontroleerd of een bevoegde ambtenaar bij de besluitvorming betrokken is geweest en of gebruik is gemaakt van AI of Case Matcher. Ter onderbouwing verwijzen eiseressen naar uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen van 10 juni 2025 en 8 juli 2025 en de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 2 maart 2026.

De rechtbank is van oordeel dat eiseressen onvoldoende concrete aanknopingspunten hebben aangevoerd voor het oordeel dat sprake is van een onzorgvuldig tot stand gekomen voornemen en besluit. De rechtbank overweegt dat de stellingen van eiseressen voornamelijk zijn gebaseerd op algemene informatie over pilots en testfases binnen Dublinprocedures en op zittingsaantekeningen uit een andere zaak. Uit die informatie volgt echter niet dat in alle Dublinzaken AI of Case Matcher wordt gebruikt of dat daarvan in deze zaak sprake is geweest. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de minister ter zitting uitdrukkelijk heeft verklaard dat in deze zaak geen gebruik is gemaakt van AI of Case Matcher en dat hierover navraag is gedaan bij alle bij deze zaak betrokken medewerkers. De rechtbank ziet geen aanleiding te twijfelen aan deze mededeling van de minister. Dat eiseressen aanvullende verificatie wensen in de vorm van screenshots uit Indigo, maakt dit niet anders. De minister heeft ter zitting bovendien het Indigo-systeem getoond en toegelicht welke medewerkers betrokken zijn geweest bij het aanmaken, beoordelen en definitief maken van de besluitvorming. De minister stelt zich niet ten onrechte op het standpunt dat uit de uitspraak van de Afdeling van 2 maart 2026 niet volgt dat een screenshot uit Indigo steeds verplicht moet worden overgelegd, maar dat daarmee in die zaak de bevoegdheid van de beslismedewerker is aangetoond. Ten aanzien van de bevoegdheid van de beslismedewerker en het ontbreken van een contactpersoon in het voornemen overweegt de rechtbank dat onderaan het voornemen en het bestreden besluit de naam van de betrokken medewerker staat vermeld. Ook is vermeld bij welke directie en welk team de medewerker werkzaam is. De rechtbank acht daarmee voldoende controleerbaar dat het besluit herleidbaar is tot een bevoegde ambtenaar. Dat in het besluit staat vermeld dat het “automatisch is verstuurd”, betekent niet dat AI of Case Matcher is gebruikt of dat het besluit niet door een bevoegde medewerker is genomen. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat het besluit onzorgvuldig tot stand zou zijn gekomen of niet door een bevoegde ambtenaar zou zijn genomen. De beroepsgrond slaagt niet.

Mag de minister ten aanzien van Duitsland uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?

5. Eiseressen betogen dat ten aanzien van Duitsland niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Hiertoe voeren zij aan dat zich in Duitsland veel incidenten voordoen en dat sprake is van strijd met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het EU Handvest. Ook vrezen eiseressen voor indirect refoulement naar Iran. Duitsland heeft hun asielaanvragen afgewezen, ondanks dat zij door de UNHCR als vluchteling zijn erkend. Eiseressen stellen dat Duitsland van hen verlangt dat zij zich tot de Iraanse autoriteiten wenden om een paspoort te verkrijgen. Volgens eiseressen betekent terugkeer naar Duitsland daarom feitelijk een risico op terugkeer naar Iran. Verder voeren eiseressen aan dat zij onvoldoende vertrouwen hebben dat Duitsland hun asielrelaas serieus zal beoordelen en hen de noodzakelijke bescherming zal bieden. Daarnaast betogen eiseressen dat zij in Duitsland geen effectieve toegang tot rechtsbijstand en rechtsbescherming hebben gehad zoals in Nederland. In dat verband beroepen zij zich op artikel 47 van het EU Handvest.

De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat ten aanzien van Duitsland van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 8 november 2023 geoordeeld dat voor Duitsland van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uit kan worden gegaan, en dit oordeel bevestigd in de uitspraken van 11 september 2024 en 14 februari 2025. De rechtbank overweegt dat eiseressen hun betoog over een risico op indirect refoulement, tekortschietende rechtsbescherming en onvoldoende bescherming door de Duitse autoriteiten niet met concrete en verifieerbare informatie hebben onderbouwd. Dat Duitsland hun asielaanvragen eerder heeft afgewezen ondanks een erkenning door de UNHCR en van hen verlangt dat zij zich tot de Iraanse ambassade wenden, is onvoldoende. De rechtbank acht daarnaast van belang dat Duitsland met het claimakkoord heeft bevestigd de asielaanvragen van eiseressen in behandeling te nemen. Niet is gebleken dat eiseressen hun asielmotieven daar niet naar voren kunnen brengen of dat de Duitse autoriteiten hen geen rechtsbescherming zouden bieden. Ook de verwijzing naar artikel 47 van het EU Handvest leidt niet tot een ander oordeel. Eiseressen hebben niet aannemelijk gemaakt dat zij in Duitsland geen toegang hebben tot rechtsmiddelen of dat zij zich niet tot de Duitse autoriteiten kunnen wenden als zij klachten hebben. Gelet hierop heeft de minister mogen uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De beroepsgrond slaagt niet.

Had de minister toepassing moeten geven aan artikel 17 van de Dublinverordening?

6. Eiseressen betogen dat de minister ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan artikel 17 van de Dublinverordening. Hiertoe voeren zij aan dat zij eerder in Italië onder inhumane omstandigheden hebben verbleven in het kader van een eerdere Dublinprocedure. Volgens eiseressen staat met de huidige stand van zaken vast dat zij daar onder omstandigheden hebben moeten leven die in strijd waren met artikel 3 van het EVRM. Dit moet volgens hen zwaar meewegen bij de belangenafweging en bij de beoordeling of sprake is van onevenredige hardheid. Daarnaast voeren eiseressen aan dat zij beiden door de UNHCR als vluchteling zijn erkend, terwijl Duitsland hun asielaanvragen heeft afgewezen. Volgens eiseressen versterkt dit hun vrees dat Duitsland hen onvoldoende bescherming zal bieden. Verder wijzen eiseressen op hun familiebanden in Nederland. Eiseres 1 stelt dat haar zoons in Nederland wonen, hoogopgeleid zijn, hard werken en nauw betrokken zijn bij hun ouders. Volgens eiseressen moeten deze sterke banden met Nederland worden meegewogen. Tot slot voeren eiseressen aan dat zij sinds 2016 met asielprocedures bezig zijn en dat overdracht aan Duitsland, gelet op alle omstandigheden in onderlinge samenhang bezien, onevenredig hard is.

De rechtbank overweegt als volgt. Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening heeft de minister een discretionaire bevoegdheid om een asielaanvraag onverplicht aan zich te trekken.. De rechtbank overweegt dat, gelet op dat wat onder 5.2 is overwogen, eiseressen niet aannemelijk hebben gemaakt dat Duitsland zijn internationale verplichtingen niet nakomt. De minister heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de door eiseressen aangevoerde omstandigheden geen bijzondere, individuele omstandigheden opleveren die maken dat hij de asielaanvraag onverplicht in behandeling had moeten nemen. Ten aanzien van de eerdere ervaringen in Italië overweegt de rechtbank dat deze betrekking hebben op een andere lidstaat en onvoldoende zijn om te concluderen dat overdracht aan Duitsland onevenredig hard is. Ook de omstandigheid dat eiseressen door de UNHCR als vluchteling zijn erkend leidt niet tot een ander oordeel, nu Duitsland verantwoordelijk blijft voor de inhoudelijke beoordeling van hun asielaanvragen. Verder heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de familiebanden met de zoons/broers in Nederland onvoldoende zijn om toepassing te geven aan artikel 17 van de Dublinverordening. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding voor het oordeel dat de minister toepassing had moeten geven aan artikel 17 van de Dublinverordening. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

7. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat eiseressen geen gelijk krijgen. Eiseressen krijgen geen vergoeding van hun proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.H.W. Bodt, rechter, in aanwezigheid van

mr. N. Habibi, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand