[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. H.T. Gerbrandy),
en
de minister van Asiel en Migratie
(gemachtigde: mr. E. Özel).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 27 februari 2026 niet in behandeling genomen, omdat Frankrijk verantwoordelijk zou zijn voor de aanvraag.
De rechtbank heeft het beroep, samen met het verzoek om voorlopige voorziening (NL26.12237), op 23 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van de minister deelgenomen. Eiser en zijn gemachtigde zijn met voorafgaand bericht niet verschenen.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank aan de hand van de beroepsgronden van eiser uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesbelang
3. De minister heeft de rechtbank op 2 april 2026 laten weten dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken. De rechtbank heeft op 3 april 2026 aan de gemachtigde van eiser verzocht om aan te geven of hij nog contact heeft met eiser. De gemachtigde van eiser heeft op 14 april 2026 laten weten nog contact te hebben met eiser. Gelet daarop is de rechtbank van oordeel dat eiser nog procesbelang heeft bij een beoordeling van dit beroep.
Totstandkoming van het besluit
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek op 17 december 2025 aanvaard op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder d van de Dublinverordening.
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
5. Eiser betoogt dat de minister voor Frankrijk ten onrechte van het interstatelijk vertrouwensbeginsel is uitgegaan. Volgens eiser moet de minister afzien van overdracht aan Frankrijk. Daartoe voert eiser aan dat hij het risico loopt om na aankomst op het vliegveld zonder ondersteuning te blijven en volledig op zichzelf te zijn aangewezen om de door de Franse migratiedienst aangewezen ‘prefecture’ te bereiken waar hij zijn asielaanvraag moet indienen. Ter onderbouwing daarvan verwijst eiser naar het AIDA-rapport update 2024. Ook is er structureel onvoldoende opvangcapaciteit in Frankrijk. Eiser wijst op passages uit het AIDA-rapport update 2024 waaruit volgt dat er ongeveer 50% te weinig opvangplekken zijn.
Bij de beoordeling van de vraag welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een door de vreemdeling in een van de lidstaten ingediend asielverzoek, mag de minister uitgaan van het vermoeden dat de behandeling van de vreemdeling in de aangezochte lidstaten in overeenstemming is met de bepalingen van het EU Handvest, het Vluchtelingenverdrag en het EVRM. Dit is het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Uit artikel 3, tweede lid, van de Dublinverordening en de rechtspraak van het Hof van Justitie volgt echter dat de minister een vreemdeling niet mag overdragen aan de verantwoordelijke lidstaat als hij niet onkundig kan zijn van structurele tekortkomingen in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in dat land waardoor eiser een reëel risico zal lopen op onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 4 van het EU Handvest. De minister moet bij zijn beoordeling alle informatie betrekken die eiser heeft ingebracht, en ook uit eigen beweging rekening houden met relevante en objectieve informatie waarvan hij kennis heeft.
De beroepsgrond van eiser slaagt niet. De rechtbank oordeelt dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat hij voor Frankrijk nog steeds mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) recentelijk nog bevestigd in uitspraken van 30 augustus 2024 en 31 juli 2025. Uit deze uitspraken volgt dat er problemen zijn (geweest) in de Franse asielopvang, maar dat niet is gebleken dat deze problemen dermate structureel en ernstig van aard zijn dat bij een overdracht aan Frankrijk sprake is van schending van artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het EU Handvest. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 31 juli 2025 ook het AIDA-rapport update 2024 betrokken. De rechtbank ziet in dat wat eiser heeft aangevoerd, geen reden om hier anders over te oordelen. Mocht eiser toch problemen ervaren met bijvoorbeeld de opvang in Frankrijk of het bereiken van de aangewezen ‘prefecture’, dan stelt de minister terecht dat het op de weg van eiser ligt om daarover te klagen bij de (hogere) Franse autoriteiten. Niet is gebleken dat zij eiser niet willen of kunnen helpen, of dat klagen bij voorbaat geen zin zal hebben. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding eiser te volgen in zijn betoog dat de minister voor Frankrijk ten onrechte uitgaat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.
Inreisverbod
6. Eiser betoogt verder dat de minister onvoldoende rekening heeft gehouden met het inreisverbod dat de Franse autoriteiten op 10 september 2025 aan hem hebben opgelegd voor de duur van een jaar. Eiser stelt dat hij strafbaar is bij het overtreden van het inreisverbod en vreest dat hij in Frankrijk niet opnieuw in de gelegenheid gesteld zal worden een asielaanvraag te doen. De minister heeft volgens eiser ten onrechte geen garanties gevraagd aan de Franse autoriteiten over of, en zo ja, hoe dit inreisverbod wordt gehandhaafd als hij opnieuw een asielaanvraag doet in Frankrijk.
De minister stelt zich op het standpunt dat een inreisverbod niet in de weg staat aan het indienen van een nieuw asielverzoek. Omdat het claimakkoord dateert van na het inreisverbod, stelt de minister zich op het standpunt dat hij ervan uit mocht gaan dat de Franse autoriteiten op de hoogte waren van het inreisverbod. Met het claimakkoord van 17 december 2025 bevestigen de Franse autoriteiten volgens de minister dat eiser in de gelegenheid wordt gesteld om opnieuw een asielaanvraag in te dienen.
De beroepsgrond van eiser slaagt niet. De minister is er terecht van uitgegaan dat de Franse autoriteiten op het moment dat zij instemden met de terugname van eiser, op de hoogte waren van het inreisverbod. Gelet daarop lag het niet op de weg van de minister om garanties te vragen aan de Franse autoriteiten over de handhaving van het inreisverbod. Eenmaal op Frans grondgebied, staat het eiser bovendien vrij om daar een asielaanvraag in te dienen. Verder heeft de minister zich op de zitting terecht op het standpunt gesteld dat als eiser meent dat Frankrijk handelt in strijd met Europese richtlijnen, hij hierover kan klagen bij de (hogere) Franse autoriteiten. Niet is gebleken dat zij eiser niet willen of kunnen helpen, of dat klagen bij voorbaat geen zin zal hebben.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I.A.M. van Boetzelaer - Gulyas, rechter, in aanwezigheid van mr. D.J. Deitz, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.