ECLI:NL:RBDHA:2026:11491

ECLI:NL:RBDHA:2026:11491

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 07-05-2026
Datum publicatie 12-05-2026
Zaaknummer NL25.35598 en NL25.35599
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Arnhem

Samenvatting

Asiel; nationaliteit ongeloofwaardig; Turkse nationaliteit; geloofwaardigheid van verklaringen in het midden gelaten; geen vrees voor vervolging of reëel risico op ernstige schade; ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 mei 2026 in de zaak tussen

[eiser 1], v-nummer: [nummer 1], eiser 1

de minister van Asiel en Migratie

Samenvatting

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummers: NL25.35598 en NL25.35599

[eiser 2] , v-nummer: [nummer 2], eiser 2

samen, eisers

(gemachtigde: mr. E. Maalsen),

en

(gemachtigde: mr. P. Boelhouwer).

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvragen van eisers als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Eisers zijn het hier niet mee eens. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvragen.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvragen in stand kan blijven. De minister stelt zich niet ten onrechte op het standpunt dat de nationaliteit van eisers ongeloofwaardig is. De minister stelt zich daarnaast terecht op het standpunt dat eisers geen vluchteling zijn zoals bedoeld in het Vluchtelingenverdrag en niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij een reëel risico lopen op ernstige schade. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eisers hebben op 20 augustus 2023 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met de bestreden besluiten van 11 november 2025 deze aanvragen afgewezen als kennelijk ongegrond.

Eisers hebben beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.

De rechtbank heeft de beroepen en de verzoeken om een voorlopige voorziening op 4 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van eisers en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas

3. Eisers zijn vader [eiser 1] (eiser 1) en zoon [eiser 2] (eiser 2). Zij leggen aan hun asielaanvragen het volgende ten grondslag. Eisers verklaren uitsluitend de Chinese nationaliteit te hebben en te behoren tot de Oeigoerse bevolkingsgroep. [eiser 1] heeft anderhalf jaar in China in de gevangenis gezeten en is vervolgens vrijgelaten onder de voorwaarde dat hij met het Chinese veiligheidsbureau zou samenwerken om in het buitenland informatie te verzamelen over de Oeigoeren. Van oktober 2004 tot juli 2023 is hij in Turkije verbleven. [eiser 2] is in 2013 vanuit China naar Turkije gegaan, vanwege veiligheidsredenen en omdat hij in het buitenland in vrijheid de Koran wilde studeren. Vervolgens hebben eisers Turkije in 2023 samen verlaten, omdat zij zich zorgen maakten over de positie van de Oeigoeren en regelmatig moesten verhuizen vanwege problemen van [eiser 1].

Het bestreden besluit

4. Het asielrelaas van eisers bevat volgens de minister het volgende asielmotief:

- identiteit, nationaliteit en herkomst.

De minister stelt zich hierover op het standpunt dat de identiteit, nationaliteit en herkomst van eisers deels geloofwaardig worden geacht. Volgens de minister zijn de identiteit en herkomst van eisers geloofwaardig, maar de nationaliteit niet.

Ten aanzien van [eiser 1] stelt de minister dat hij zijn Chinese nationaliteit heeft aangetoond met (verlopen) documenten. Daarnaast gaat de minister uit van de Turkse nationaliteit, omdat dit volgt uit zijn verklaringen. Volgens de minister heeft [eiser 1] geen objectieve documenten overgelegd waaruit blijkt dat hij géén Turkse nationaliteit zou hebben. De minister heeft daarom verder beoordeeld of het asielmotief alsnog geloofwaardig is. Dit is volgens de minister niet het geval, omdat [eiser 1] onvoldoende documenten heeft overgelegd en daarvoor geen goede verklaring heeft gegeven. Daarnaast vormen zijn verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel.

Ten aanzien van [eiser 2] stelt de minister dat hij zijn Chinese nationaliteit niet heeft aangetoond met documenten. De minister gaat voor [eiser 2] enkel uit van de Turkse nationaliteit, omdat dit blijkt uit zijn verklaringen. Volgens de minister heeft [eiser 2] geen objectieve documenten overgelegd waaruit blijkt dat hij géén Turkse nationaliteit zou hebben. Daarom heeft de minister verder beoordeeld of het asielmotief alsnog geloofwaardig is. Dat is volgens de minister niet het geval, omdat [eiser 2] onvoldoende documenten heeft overgelegd en daarvoor geen goede verklaring heeft gegeven. Daarnaast vormen zijn verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel. Tot slot is volgens de minister vast komen te staan dat [eiser 2] in grote lijnen als ongeloofwaardig moet worden beschouwd.

Volgens de minister kunnen eisers, vanwege hun Turkse nationaliteit, bij problemen bescherming inroepen van de Turkse autoriteiten. De minister concludeert daarom dat de asielaanvragen kennelijk ongegrond zijn.

Mocht de minister de nationaliteit van [eiser 1] ongeloofwaardig achten?

5. [eiser 1] betoogt dat de minister ten onrechte stelt dat zijn nationaliteit ongeloofwaardig is. Hij voert aan uitsluitend de Chinese nationaliteit te hebben. Volgens [eiser 1] heeft de minister het vertrouwensbeginsel geschonden door hem pas laat te confronteren met de gestelde Turkse nationaliteit. Daarnaast voert [eiser 1] aan dat de minister te veel waarde hecht aan zijn verklaring bij het politieverhoor, namelijk dat hij Turks staatsburger zou zijn. Volgens [eiser 1] is sprake van een vertaalfout door de telefonische tolk dan wel een onjuiste weergave van het verhoor. Daarbij voert [eiser 1] aan dat de minister geen rekening heeft gehouden met het feit dat hij op dat moment net in Nederland was en niet wist wat van hem verwacht werd. Tot slot voert [eiser 1] aan dat China geen tweede nationaliteit erkent.

De rechtbank is van oordeel dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt stelt dat de nationaliteit van [eiser 1] ongeloofwaardig is. [eiser 1] heeft in het politieverhoor verklaard naast Chinees staatsburger ook Turks staatsburger te zijn, en daarnaast een Turks paspoort te hebben gehad. Dat dit een vertaalfout van de tolk zou zijn of een onjuiste weergave van het verhoor, volgt de rechtbank niet. Het verhoor heeft namelijk plaatsgevonden in het Turks, de taal van zijn voorkeur, met een beëdigde tolk die hij goed heeft verstaan. [eiser 1] heeft bovendien geen correcties of aanvullingen ingebracht. Daarnaast heeft zijn zoon [eiser 2] (eiser 2), in een ander verhoor en via een andere beëdigde tolk, ook verklaard Turks staatsburger te zijn. Verder heeft [eiser 1] slechts verlopen Chinese documenten overgelegd en verklaard dat hij zijn Turkse documenten bewust heeft achtergelaten. De omstandigheid dat China geen dubbele nationaliteit erkent, sluit volgens de rechtbank niet uit dat [eiser 1] de Turkse nationaliteit heeft verkregen. Uit landeninformatie blijkt namelijk dat Oeigoeren uit China de Turkse nationaliteit kunnen verkrijgen. Dat de Turkse nationaliteit pas bij het voornemen is tegengeworpen leidt niet tot een ander oordeel en levert geen schending van het vertrouwensbeginsel op. [eiser 1] is in het nader gehoor geconfronteerd met zijn eerdere verklaringen en hij heeft voldoende gelegenheid gehad om het tegendeel aan te tonen, bijvoorbeeld via een verklaring van de Turkse ambassade. De minister mocht daarom uitgaan van zowel de Chinese als de Turkse nationaliteit. De beroepsgrond slaagt niet.

Mocht de minister de nationaliteit van [eiser 2] ongeloofwaardig achten?

6. [eiser 2] betoogt dat de minister ten onrechte stelt dat zijn nationaliteit ongeloofwaardig is. Hij voert aan uitsluitend de Chinese nationaliteit te hebben. Volgens hem meet de minister met twee maten nu de Chinese nationaliteit ongeloofwaardig wordt geacht omdat hij daar geen documenten van heeft overgelegd, terwijl hij ook geen documenten van een Turkse nationaliteit heeft overgelegd. Daarnaast voert [eiser 2] aan dat hij pas in het voornemen is geconfronteerd met de Turkse nationaliteit waardoor hij niet eerder de noodzaak heeft gezien om het tegendeel aan te tonen. De enkele verklaring bij het politieverhoor dat hij Turkse staatsburger zou zijn, wat volgens hem een vertaalfout is, staat volgens [eiser 2] niet in verhouding tot de andere consistente verklaringen. Daar komt bij dat hij bij het politieverhoor pas net in Nederland was, geen kennis had van de asielprocedure en geen voorbereiding heeft gehad. Verder voert [eiser 2] aan dat hij zijn Turkse Kimlik in Bosnië heeft achtergelaten op instructie van de reisagent, dat hij in de zienswijze een verklaring heeft gegeven voor zijn wisselende verklaringen bij het politieverhoor en dat China geen dubbele nationaliteit erkent. Ook voert hij aan dat zijn valse rijbewijs niet bedoeld was om zijn identiteit aan te tonen. Tot slot wijst [eiser 2] erop dat de minister voorbijgaat aan de geloofwaardige Chinese nationaliteit van zijn vader [eiser 1], nu door de minister niet wordt getwijfeld aan hun familieband.

De rechtbank is van oordeel dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt stelt dat de nationaliteit van [eiser 2] ongeloofwaardig is. [eiser 2] heeft bij de politie meermaals verklaard enkel Turks staatsburger te zijn en in het bezit te zijn geweest van een Turkse identiteitskaart. Dat dit een vertaalfout van de tolk zou zijn, volgt de rechtbank, onder verwijzing naar 5.1, niet. Ook dit politieverhoor vond plaats in het Turks, de taal van zijn voorkeur, met een beëdigde tolk die hij goed heeft verstaan. Ook van [eiser 2] mag worden verwacht dat hij, ook zonder voorbereidingstijd, consistent kan verklaren over zijn nationaliteit. Daar komt volgens de rechtbank bij dat hij een vals Chinees rijbewijs heeft overgelegd. Dat zijn vader wel de Chinese nationaliteit heeft en dat China geen dubbele nationaliteit erkent, betekent volgens de rechtbank niet dat hij de Chinese nationaliteit zou hebben. Volgens de rechtbank gaat het erom in hoeverre het plausibel is dat hij de Turkse nationaliteit heeft kunnen bemachtigen. Uit algemene landeninformatie blijkt dat dit op grote schaal voorkomt bij Oeigoeren. Dat [eiser 2] pas in het voornemen is geconfronteerd met zijn Turkse nationaliteit leidt niet tot een ander oordeel, nu hij al eerder in het nader gehoor is geconfronteerd met zijn verklaringen bij het politieverhoor en hij zelf voldoende gelegenheid heeft gehad om het tegendeel te bewijzen. De minister mocht daarom uitgaan van de Turkse nationaliteit. De beroepsgrond slaagt niet.

Had de minister de problemen met het Chinese veiligheidsbureau moeten beoordelen op geloofwaardigheid?

7. [eiser 1] voert aan dat de minister ten onrechte geen geloofwaardigheidsbeoordeling heeft gemaakt van zijn problemen met het Chinese veiligheidsbureau. Volgens hem volgt uit zijn verklaringen dat hij om die reden bescherming heeft gevraagd. Dat de minister deze beoordeling achterwege laat vanwege de aangenomen Turkse nationaliteit is volgens [eiser 1] onjuist, nu hij ook over problemen in Turkije heeft verklaard. Volgens [eiser 1] moeten al zijn verklaringen hierover als geloofwaardig worden beschouwd en als uitgangspunt worden genomen bij de beoordeling van de zwaarwegendheid. De minister heeft dat op pagina 5 van de bestreden beschikking miskend. Daarnaast voert [eiser 2] aan dat zijn verklaringen over zijn vertrek uit China als geloofwaardig moeten worden aangemerkt, nu bij hem enkel wordt ingegaan op het asielmotief identiteit, nationaliteit en herkomst.

De rechtbank stelt voorop dat de minister de geloofwaardigheid van verklaringen in het midden kan laten, indien op voorhand duidelijk is dat die verklaringen, wanneer geloofwaardig, niet zwaarwegend genoeg zijn om te leiden tot een gegronde vrees voor vervolging. In het geval van [eiser 1] heeft de minister de geloofwaardigheid van de gestelde problemen met het Chinese veiligheidsbureau in het midden gelaten. Dit betekent dat de verklaringen van [eiser 1] als uitgangspunt moeten worden genomen bij de beoordeling van de zwaarwegendheid. Dit heeft de minister niet betwist en ook niet miskend. Dat de minister de verklaringen van [eiser 1] als uitganspunt moet nemen houdt overigens, anders dan eisers lijken te veronderstellen, niet in dat van de geloofwaardigheid van die verklaringen moet worden uitgegaan, maar slechts dat van die verklaringen bij de beoordeling van de zwaarwegendheid moet worden uitgegaan. Dat de minister bij de beoordeling van de zwaarwegendheid niet zou zijn uitgegaan van de verklaringen van [eiser 1] is de rechtbank niet gebleken. Dat geldt ook voor de stelling van de minister op pagina 6 van de bestreden beschikking, dat het contact van het Chinese veiligheidsbureau met de zus van [eiser 1] niet aannemelijk is. Dat het Chinese veiligheidsbureau via de zus van [eiser 1] contact met hem zocht betreft immers uitsluitend een veronderstelling van [eiser 1], waarvan onduidelijk is gebleven waarop hij die baseert. [eiser 1] verklaart in het nader gehoor immers dat hij de telefoon meteen ophing zodra hij de stem van zijn zus hoorde en dat hij na 2007 zelf geen contact met het veiligheidsbureau had. Het stond de minister daarom vrij om in het kader van de zwaarwegendheid te beoordelen of deze veronderstelling van [eiser 1] aannemelijk is.

Ten aanzien van [eiser 2] stelt de rechtbank vast dat hij op de zitting heeft erkend dat zijn asielmotieven samenhangen met zijn identiteit, nationaliteit en herkomst, nu hij zelfstandig enkel problemen vreest vanwege zijn gestelde Oeigoerse etniciteit. De minister heeft daarom terecht één asielmotief aangenomen. De gestelde vrees vanwege de problemen van zijn vader zijn betrokken bij de beoordeling van de zwaarwegendheid. De beroepsgrond slaagt niet.

Hebben eisers bij terugkeer naar Turkije een gegronde vrees voor vervolging en/of lopen zij een reëel risico op ernstige schade?

8. Eisers voeren aan dat zij bij terugkeer naar Turkije vrezen voor vervolging en een reëel risico lopen op ernstige schade. Eisers wijzen daarbij op de positie van Oeigoeren in Turkije en op het rapport van Human Rights Watch waaruit blijkt dat Oeigoeren zonder goede motivering worden aangehouden, uitgezet en hun papieren worden ingetrokken. Volgens eisers ontstaat er grote druk op de Turks-Chinese relatie. Dit kan volgens [eiser 1], vanwege zijn Chinese nationaliteit, gevolgen hebben voor zijn beschermingsmogelijkheden in Turkije, met een mogelijke uitlevering aan China tot gevolg. Volgens eisers had de minister hier meer onderzoek naar moeten doen. [eiser 1] voert daarnaast aan dat hij problemen heeft met het Chinese veiligheidsbureau nu hij weigert met hen samen te werken, waarbij zijn zus door hen is benaderd. Verder voert hij aan dat hij in Turkije als verdachte wordt aangemerkt vanwege een auto-ongeluk. [eiser 2] voert daarnaast aan dat hij gevaar loopt vanwege de problematiek van zijn vader en dat zij in Turkije regelmatig moesten verhuizen om problemen met de veiligheidsdiensten te voorkomen. Tot slot voeren eisers aan dat de minister niet alleen die situatie bij terugkeer naar Turkije, maar ook bij terugkeer naar China had moeten toetsen.

De rechtbank is van oordeel dat de minister terecht stelt dat eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij bij terugkeer naar Turkije moeten vrezen voor vervolging of een reëel risico lopen op ernstige schade. Daarbij is van belang dat, zoals overwogen onder 5.1 en 6.1, wordt uitgegaan van de Turkse nationaliteit van eisers. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eisers zich tot de Turkse autoriteiten kunnen wenden voor bescherming bij mogelijke problemen. Eisers hebben niet onderbouwd dat zij geen bescherming van de Turkse autoriteiten kunnen krijgen. Voor zover eisers betogen dat zij als Oeigoer geen bescherming kunnen krijgen, merkt de rechtbank op dat uit het door hen aangehaalde rapport blijkt dat de daarin genoemde problemen betrekking hebben op Oeigoeren zónder Turks staatsburgerschap. Bovendien blijkt uit het ambtsbericht van Turkije dat het niet zinloos is om bescherming van de autoriteiten te vragen. Om deze reden hoefde de minister dan ook niet de situatie bij terugkeer naar China te toetsen. De beroepsgrond slaagt niet.

Mocht de minister de asielaanvraag van eisers kennelijk ongegrond verklaren?

9. Eisers voeren aan dat de minister hun asielaanvragen ten onrechte als kennelijk ongegrond heeft afgewezen, omdat zij een goede reden hadden voor het achterlaten van hun Turkse documenten in Bosnië. Volgens eisers moest dit namelijk van hun reisagent. Daarnaast voeren eisers aan dat ten onrechte wordt gesteld dat sprake is van tegenstrijdigheden in hun verklaringen.

De rechtbank is van oordeel dat de minister de asielaanvragen mocht afwijzen als kennelijk ongegrond, op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder c en d, van de Vw 2000. Nu de minister terecht heeft vastgesteld dat eisers wisselend hebben verklaard over hun nationaliteit en de minister eveneens terecht de nationaliteit van eisers ongeloofwaardig heeft geacht in die zin dat [eiser 1] niet alleen de Chinese maar ook de Turkse nationaliteit heeft en [eiser 2] niet de Chinese maar de Turkse nationaliteit , mocht de minister de aanvraag kennelijk ongegrond verklaren op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000. De minister mag daarnaast op grond van sub d een asielaanvraag kennelijk ongegrond verklaren wanneer de vreemdeling waarschijnlijk, te kwader trouw, een identiteits- of reisdocument dat ertoe kon bijdragen dat zijn identiteit of nationaliteit werd vastgesteld, heeft vernietigd of zich daarvan heeft ontdaan. Eisers hebben verklaard bewust hun Turkse documenten te hebben achtergelaten in Bosnië, vanwege instructies van de reisagent. Dit is volgens de rechtbank geen verschoonbare reden. Van eisers mag worden verwacht dat de documenten, die relevant zijn voor het aantonen van hun identiteit en nationaliteit, behouden. Daar komt bij dat [eiser 2] een vals Chinees rijbewijs heeft overgelegd. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

10. De minister heeft de aanvragen terecht afgewezen als kennelijk ongegrond.

De beroepen zijn ongegrond. Eisers krijgen geen vergoeding van hun proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W. Loof, rechter, in aanwezigheid van mr. I.S. Pruijn, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand