ECLI:NL:RBDHA:2026:11498

ECLI:NL:RBDHA:2026:11498

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 12-05-2026
Datum publicatie 12-05-2026
Zaaknummer NL26.23537
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Groningen

Samenvatting

Bewaring ex art. 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw

Uitspraak

[naam], eiser,

v-nummer: [v-nummer]

(gemachtigde: mr. F. Boone),

en

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. I. van Es).

Inleiding

De minister heeft op 24 april 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van art. 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd.

Eiser heeft tegen de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

De rechtbank heeft het beroep op 8 mei 2026, met behulp van telehoren, op zitting behandeld. Eiser is verschenen op het detentiecentrum in Rotterdam, bijgestaan door zijn gemachtigde. Op de rechtbank is een tolk verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

2. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De minister heeft hieraan ten grondslag gelegd dat eiser:

(zware gronden) 3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;3e. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;

(lichte gronden) 4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

3. De minister heeft de gronden in de maatregel nader gemotiveerd. Verder heeft de minister overwogen dat een minder dwingende maatregel (lichter middel) niet doeltreffend kon worden toegepast.

4. Hierna beoordeelt de rechtbank het beroep tegen de maatregel van bewaring. Daarbij bespreekt zij de beroepsgronden en toetst zij de rechtmatigheid van de bewaring ambtshalve.

Voortraject

5. Eiser stelt allereerst dat de eerder opgelegde maatregel te laat is omgezet. Daarnaast stelt eiser dat zijn gemachtigde ten onterechte niet tijdig geïnformeerd is over de omzetting van de maatregel en het daaraan gekoppelde gehoor. De gemachtigde van eiser was bij de minister immers al bekend tijdens de vorige maatregel. Indien de gemachtigde tijdig was geïnformeerd, had hij zelf kunnen besluiten al dan niet bij het gehoor aanwezig te zijn. Dat eiser heeft aangegeven geen behoefte te hebben aan de aanwezigheid van zijn advocaat tijdens het gehoor, doet hieraan volgens hem niet af.

6. De stelling van eiser, dat de grondslag voor de maatregel van bewaring te laat is omgezet, treft geen doel. Een beroep op niet tijdige omzetting moet worden gedaan tegen de maatregel waarvan wordt gesteld dat die ten onrechte te laat is omgezet. Omdat die maatregel nu niet ter toetsing voorligt, komt de rechtbank niet toe aan de vraag of die maatregel te laat is omgezet. Ook treft de stelling dat de gemachtigde van eiser voorafgaand aan het gehoor geïnformeerd had moeten worden, geen doel. Eiser heeft voorafgaand aan het gehoor aangegeven dat hij de advocaat wilde die hij eerder had gesproken, maar dat er zonder zijn aanwezigheid vragen mochten worden gesteld. De minister heeft vervolgens een piketmelding gedaan en de voorkeur voor de eerdere advocaat doorgegeven. De piketmelding is daarna weliswaar door een andere advocaat geaccepteerd, maar eiser is uiteindelijk bijgestaan door zijn eerdere advocaat. De minister heeft op juiste wijze gehandeld ten aanzien van de inzet van rechtsbijstand.

Grondslag

7. De rechtbank stelt vast dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Eiser heeft op 26 januari 2026 een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd gekregen. Eiser valt daarom onder de in artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw genoemde categorie vreemdelingen. De maatregel is op de juiste grondslag opgelegd.

Gronden

8. De rechtbank is van oordeel dat de zware en lichte gronden aan de maatregel ten grondslag kunnen worden gelegd en dat deze, in samenhang gezien, voldoende zijn om de maatregel van bewaring te kunnen dragen en om aan te nemen dat een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken, dan wel dat hij de voorbereiding van vertrek of uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.

Lichter middel

9. Eiser stelt dat er ten onrechte geen lichter middel is opgelegd omdat eiser bereid is om mee te werken aan terugkeer. Daarnaast is het eiser niet duidelijk waar de in de maatregel vermelde aliassen, die volgens de minister mede ten grondslag liggen aan het onttrekkingsrisico, vandaan komen.

10. De rechtbank is van oordeel dat de minister terecht geen aanleiding heeft gezien om aan eiser een lichter middel dan de maatregel van bewaring op te leggen. In dit kader acht de rechtbank van belang dat, zoals hiervoor is overwogen, de gronden de maatregel van bewaring kunnen dragen en dat hiermee het risico op onttrekking is gegeven. Dat eiser stelt bereid te zijn om mee te werken aan zijn terugkeer, maakt dit oordeel niet anders. Ook wat eiser aanvoert ten aanzien van de aan hem tegengeworpen aliassen geeft geen aanleiding voor een ander oordeel. De rechtbank merkt daarbij op dat deze aliassen niet alleen in de maatregel zijn vermeld, maar ook volgen uit de uitslag van het Eurodac-onderzoek, die zich in het dossier bevindt. Daarnaast merkt de rechtbank op dat eiser zelf tijdens het gehoor in het kader van het op te leggen aanvullend terugkeerbesluit heeft verklaard dat hij in verschillende Europese landen is geweest en daarbij verschillende namen heeft opgegeven.

11. De rechtbank is verder van oordeel dat de psychische en medische omstandigheden van eiser kenbaar en voldoende gemotiveerd zijn betrokken bij de beoordeling van de maatregel. Eiser is door de minister gewezen op het feit dat in de detentie- en uitzetcentra gespecialiseerde zorg aanwezig is, en dat, mocht zich onverhoopt medische dan wel psychische problematiek voordoen, de behandeling in de detentie- en uitzetcentra kan worden aangevraagd, gestart dan wel voortgezet. In dat verband heeft de minister terecht gesteld dat de medische zorgverlening binnen de detentie- en uitzetcentra als gelijkwaardig kan worden aangemerkt aan de gezondheidszorg in de vrije maatschappij.

Voortvarendheid

12. De rechtbank stelt vast dat op 28 april 2026 een vertrekgesprek met eiser heeft plaatsgevonden. Daarnaast is er op 30 april 2026 een aanvullend terugkeerbesluit genomen voor Marokko. De minister heeft verder op de zitting toegelicht dat er op 4 mei 2026 een lp-aanvraag is verzonden naar de Libische autoriteiten en op 7 mei 2026 naar de Marokkaanse autoriteiten. De rechtbank acht deze gang van zaken voldoende voortvarend.

Zicht op uitzetting

13. De rechtbank overweegt dat in zijn algemeenheid zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Libië en Marokko niet ontbreekt. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat in het concrete geval van eiser het zicht op uitzetting naar Libië of Marokko ontbreekt. Niet is gebleken dat de Libische dan wel de Marokkaanse autoriteiten hebben aangegeven geen laissez-passer voor eiser te zullen verstrekken.

Conclusie en gevolgen

14. De rechtbank ziet ook ambtshalve geen aanleiding voor het oordeel dat de maatregel onrechtmatig is.

15. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Tesfai, rechter, in aanwezigheid van mr. N. Wetterauw, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. R. Tesfai

Griffier

  • mr. N. Wetterauw

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand