ECLI:NL:RBDHA:2026:11499

ECLI:NL:RBDHA:2026:11499

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 16-03-2026
Datum publicatie 12-05-2026
Zaaknummer NL26.8242
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Proces-verbaal
Zittingsplaats Arnhem

Samenvatting

Asiel, Dublin, Zwitserland, AIDA, arrest C.K, art. 17 Dublinverordening, mondelinge uitspraak, vovo, ongegrond, verzoek afgewezen.

Uitspraak

[eiser/verzoeker], v-nummer: [nummer], eiser en verzoeker

(gemachtigde: mr. S.A.S. Jansen),

en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. R.R. de Groot).

Inleiding

1. De minister heeft eisers aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd met het bestreden besluit van 13 februari 2026 niet in behandeling genomen, omdat Zwitserland verantwoordelijk is voor de aanvraag. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn asielaanvraag. Ook beoordeelt de voorzieningenrechter eisers verzoek om een voorlopige voorziening (NL26.8243) te treffen.

Het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening zijn op 11 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.

Na afloop van de behandeling van de zaak is onmiddellijk uitspraak gedaan. De motivering van die uitspraak wordt hierna vermeldt.

Beslissing

2. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.

Heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat hij voor Zwitserland uit mag gaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?

4. Eiser betoogt dat de minister voor Zwitserland ten onrechte uitgaat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en dat de overdracht van eiser in strijd is met het verbod op een onmenselijke of vernederende behandeling. Hij verwijst daartoe naar een aantal stukken waaronder het AIDA Country Report: Switzerland – 2024 update. Eiser heeft tijdens zijn gehoor ook beschreven dat hij zich met 17 à 18 personen in één ruimte bevond, dat er sprake was van beperkte uitgaanstijden en dat hij zich op een afgelegen locatie bevond. Verder blijkt uit het AIDA-rapport en informatie van de Swiss Refugee Council (SFH) dat er een grote kans is dat zijn asielaanvraag wordt afgewezen, omdat hij een Turks-Koerdische vreemdeling is met sympathie voor de Koerdische zaak.

Deze beroepsgrond slaagt niet. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat hij voor Zwitserland uit mag gaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Allereerst heeft de minister er terecht op gewezen dat de Afdeling in twee recente uitspraken nog heeft bevestigd dat hij hier voor Zwitserland van uit mag gaan. Vervolgens heeft hij zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser geen informatie naar voren heeft gebracht die aanleiding geeft om tot een andere conclusie te komen. Zo dateert het door eiser aangehaalde AIDA-rapport van vóór de eerdergenoemde uitspraken van de Afdeling, namelijk van mei 2025. Bovendien blijkt uit de door eiser aangehaalde passages en wat eiser zelf heeft verklaard op zichzelf niet dat in Zwitserland sprake is van ernstige, structurele tekortkomingen in de asielprocedure- of opvang. Weliswaar blijkt uit het rapport dat de omstandigheden in een aantal Zwitserse asielcentra lastig zijn – er is onder andere sprake van ruimtegebrek en een gebrek aan privacy – en dat de bewegingsvrijheid van vreemdelingen in de Zwitserse asielcentra in bepaalde opzichten beperkt is, maar deze omstandigheden zijn niet dermate ernstig om te spreken van verregaande materiële deprivatie die het onmogelijk maakt om in de belangrijkste basisbehoeften te voorzien. Verder heeft de minister terecht evenmin uit die rapporten afgeleid dat de medische voorzieningen in Zwitserland zodanig gebrekkig zijn dat vreemdelingen niet langer aan dat land kunnen worden overgedragen. Ten slotte heeft de minister er terecht op gewezen dat eiser een klacht bij de Zwitserse autoriteiten in kan dienen voor zover zij zich niet houden aan de regels uit de Opvangrichtlijn, Kwalificatierichtlijn en Procedurerichtlijn, aangezien eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij dan geen hulp zal krijgen. Eisers verklaring dat klagen volgens hem niets uit zou halen, is daarvoor onvoldoende.

Omdat eiser, gelet op wat onder 4.1 is overwogen, niet aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van structurele tekortkomingen in de Zwitserse asielprocedure en opvang, mag de rechtbank ook niet onderzoeken of er na of ten gevolge van de overdracht aan Zwitserland een risico op refoulement bestaat. Als eisers aanvraag in Zwitserland zou worden afgewezen en hij meent dat dat ten onrechte is, kan hij daar rechtsmiddelen instellen. De rechtbank zal daarom niet ingaan op wat eiser heeft aangevoerd over de behandeling van aanvragen van Koerdisch-Turkse vreemdelingen zoals eiser.

Heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat hij niet van een overdracht aan Zwitserland hoeft af te zien dan wel aanvullende garanties van Zwitserland moet vragen vanwege eisers psychische kwetsbaarheid?

5. Eiser betoogt dat de minister ten onrechte niet van een overdracht aan Zwitserland afziet, dan wel aanvullende garanties van Zwitserland vraagt, vanwege zijn psychische kwetsbaarheid. Volgens eiser heeft het Hof van Justitie expliciet geoordeeld dat medische stukken niet altijd vereist zijn wanneer de kwetsbaarheid uit verklaringen aannemelijk wordt. De minister werpt dan ook ten onrechte tegen dat eiser geen medische stukken heeft overgelegd ter onderbouwing van zijn psychische kwetsbaarheid.

Deze beroepsgrond slaagt niet. De minister heeft niet van een overdracht aan Zwitserland hoeven af zien of aanvullende garanties van Zwitserland moeten vragen vanwege eisers (gestelde) psychische kwetsbaarheid. De minister heeft namelijk terecht tegengeworpen dat eiser geen medische stukken heeft overgelegd om zijn gestelde psychische kwetsbaarheid aannemelijk te maken. Eisers verklaring dat hij psychische problemen heeft, is daarvoor onvoldoende. Eiser wordt niet gevolgd in zijn betoog dat medische stukken niet altijd vereist zijn. Uit het arrest-C.K. volgt namelijk dat de minister pas gehouden is om te beoordelen of een overdracht onomkeerbare gevolgen heeft voor de gezondheid van een vreemdeling als die vreemdeling objectieve medische stukken overlegt.Dat eiser maar één maand in Zwitserland heeft verbleven, zijn procedure nog niet was gestart en hij voortijdig is vertrokken, betekent ook niet dat niet van eiser kan worden verlangd dat hij zijn psychische kwetsbaarheid onderbouwt met medische stukken, mede in aanmerking genomen dat eiser inmiddels ook al enige tijd in Nederland verblijft.

Heeft de minister zich voldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat hij eisers asielaanvraag niet onverplicht in behandeling hoeft te nemen?

6. Eiser betoogt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat er geen sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat een overdracht van onevenredige hardheid getuigt. Eiser wijst hierbij op de door de minister erkende psychische klachten, de eerdere ontregeling in Zwitserland, de beperkte toegang tot mentale zorg in Zwitserland, de versnelde Dublin-terugkeerprocedure en de Koerdische achtergrond van eiser. Ook volgt volgens eiser uit het C.K.-arrest dat de bevoegdheid van de minister om een asielaanvraag onverplicht in behandeling te nemen moet worden uitgelegd in het licht van het verbod op een onmenselijke of vernederende behandeling.

Deze beroepsgrond slaagt niet. De minister heeft zich niet ten onrechte en voldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat hij eisers asielaanvraag niet onverplicht in behandeling hoeft te nemen. De minister heeft namelijk mogen vinden dat er geen sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat een overdracht van onevenredige hardheid getuigt.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Omdat het beroep van eiser ongegrond is, is een voorlopige voorziening ook niet meer nodig. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om die reden af. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Voor zover het de hoofdzaak betreft, kunnen partijen binnen één week na de verzending van deze uitspraak, tegen deze uitspraak in hoger beroep. Dat kan op de manier zoals onderaan dit proces-verbaal staat omschreven.

Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 11 maart 2026 door mr. G.A. van der Straaten, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Lange, griffier.

Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand