[vreemdeling], eiser,
V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. R.J. Schenkman),
en
het bestuur van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers, het COa,
alsmede
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
(gemachtigde: drs. B.H. Wezeman).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank twee beroepen. Het eerste beroep van eiser is gericht tegen het besluit van het COa van 19 februari 2026. In dat besluit heeft het COa besloten om eiser vanaf 19 februari 2026 in de HTL in Hoogeveen te plaatsen (hierna: het plaatsingsbesluit). Het tweede beroep van eiser richt zich tegen het besluit van de minister van 19 februari 2026 om hem een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 56 van de Vw op te leggen (hierna: de vrijheidsbeperkende maatregel). De rechtbank merkt het beroep ook aan als een verzoek om schadevergoeding.
Eiser heeft op 16 maart 2026 beroepsgronden ingediend, waarop het COa op 22 april 2026 een verweerschrift heeft ingediend.
De rechtbank heeft de beroepen op 30 april 2026 op zitting behandeld. Gemachtigde is zonder eiser verschenen. De minister en het COa hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek in beide zaken op de zitting gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
2. De beroepen zijn ongegrond. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt, dat het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen en dat eiser ook geen vergoeding krijgt in de proceskosten. Hierna legt de rechtbank hoe zij tot dit oordeel komt.
Het beroep tegen het plaatsingsbesluit
De feitelijke verslaglegging van het incident
3. In de verslaglegging van het COa staat over het incident het volgende. In de nacht van zondag 15 februari op maandag 16 februari 2026 meldde bewoonster B zich samen met haar twee minderjarige kinderen bij de beveiligingsloge. De beveiliger nam waar dat de bewoonster, die zichtbaar zwanger is, uitingen van angst vertoonde en duidelijk waarneembaar fysiek letsel in haar gezicht had. Volgens de verklaring van bewoonster B was zij omstreeks 01:00 uur in die nacht in slaap aangevallen door haar echtgenoot, bewoner A. Zij verklaarde dat zij meermaals met de vuist in haar gezicht was geslagen terwijl zij in bed lag. Ter onderbouwing van de feiten en met uitdrukkelijke toestemming van bewoonster B zijn er door de beveiliging foto’s van het letsel gemaakt. Op die beelden is vastgelegd dat bewoonster B verwondingen heeft opgelopen aan haar voorhoofd, beide wangen, neus en ook een wond op haar hoofd waaruit bloed vloeide. Tijdens het gesprek bij de beveiligingsloge verscheen bewoner A ter plaatse waarbij de beveiliger vaststelde dat bewoner A zich direct verbaal agressief opstelde en bewoonster B in de Arabische taal uitschold. Bewoonster B vertoonde op dat moment een angstige houding en reageerde niet op de verbale agressie van bewoner A, waarop de beveiliging ingreep en bewoner A sommeerde om onmiddellijk terug te keren naar de kamer, waaraan bewoner A gehoor gaf. Bewoonster B gaf aan de beveiliging aan dat zij geen behoefte had aan politie-interventie. Na overleg met de achterwacht werd toch besloten om de veiligheid te waarborgen voor bewoonster B en haar kinderen, door hen voor de rest van de nacht te laten doorbrengen in een noodkamer. Op maandag 16 februari 2026 vond een vervolggesprek plaats tussen het COa en bewoonster B, waarbij bewoonster B verklaarde dat zij rond 01:00 uur sliep met haar kinderen, waarbij haar jongste zoon op haar arm lag. Zij werd wakker door meerdere vuistslagen op haar hoofd, gezicht en linkerschouder. Ook de kinderen werden hierdoor wakker. Bewoonster B toonde het COa de resterende letselsporen, waaronder rode plekken op haar voorhoofd en wenkbrauwen en zichtbare sporen van bloed als gevolg van de hoofdwond. Bewoonster A gaf aan dat het geweld begon door een beschuldiging van bewoner A, die beweerde dat hij haar met vier andere mannen in bed had gezien. Volgens de aanvullende verklaring van bewoonster B is er sprake van een structurele onveilige situatie die samenhangt met het gebruik van harddrugs door bewoner A. Hierdoor blijft bewoner A vaak s’ nachts wakker, wat de nachtrust van het gezin verstoort. De oudste dochter was getuige van de mishandeling en zag het bloed van het hoofd van haar moeder druipen. Hoewel bewoonster B bevestigde dat de kinderen niet fysiek worden mishandeld, zijn zij wel herhaaldelijk getuige geweest van huiselijk geweld. Bewoonster B benadrukte dat zij geen aangifte wilde doen en bewoner A niet gestraft wilde zien, maar dat zij wel dringend hulp wilde voor zijn verslavingsproblematiek en een scheiding van hun verblijfssituatie wilde, aangezien eerdere meldingen bij het COa niet tot een gedragsverandering bij bewoner A hadden geleid.
Eisers beroepsgrond dat de weergegeven feiten niet juist zijn en dat deze daardoor niet aan het plaatsingsbesluit ten grondslag kunnen worden gelegd, slaagt niet. Eisers enkele niet onderbouwde stelling dat hij bewoonster B (zijn echtgenote) niet heeft geslagen, maar dat zij zichzelf tegen de muur sloeg omdat zij graag wil terugkeren naar Syrië, is niet onderbouwd en naar het oordeel van de rechtbank, gelet op de andere feitelijke omstandigheden niet aannemelijk. In dat verband is van belang dat de beveiliger bij de beveiligingsloge heeft waargenomen dat bewoonster B uitingen van angst vertoonde en dat toen eiser bij de loge verscheen, hij zich direct verbaal agressief opstelde en bewoonster B in de Arabische taal uitschold. Door de beveiliger is toen ook duidelijk fysiek letsel in het gezicht van bewoonster B waargenomen en dit is met uitdrukkelijke toestemming van bewoonster B gefotografeerd. Bovendien is bewoonster B met de kinderen kort daarna ondergebracht in de noodkamer. De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat de foto's van het letsel onderdeel hadden moeten uitmaken van het dossier, omdat er geen redenen zijn om te twijfelen aan de feitelijke verslagging door het Coa.
De impact van het incident
4. De rechtbank is van oordeel dat het COa het incident terecht heeft gekwalificeerd als een incident met een zeer grote impact, omdat het gaat om agressie of geweld met als doel de ander ernstig fysieke schade toe te brengen. Vast staat immers dat bewoonster B was aangevallen door eiser, waarbij zij meermaals met de vuist in haar gezicht is geslagen. Ook staat vast dat bewoonster B daardoor verwondingen heeft opgelopen aan haar voorhoofd, beide wangen, neus en een wond op haar hoofd waaruit bloed vloeide. Tijdens het vervolggesprek op 16 februari 2026 toonde bewoonster B aan de COa-medewerkers de resterende letselsporen, waaronder rode plekken op haar voorhoofd en wenkbrauwen en zichtbare sporen van bloed als gevolg van de hoofdwond. Dat bewoonster B benadrukte dat zij niet wilde dat eiser gestraft zou worden en zij ook geen aangifte wilde doen, maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat het incident niet gekwalificeerd kan worden als een incident met een zeer grote impact. Dat er volgens eiser enkel sprake is van een echtelijke ruzie c.q. een tijdelijke huwelijks/relatiecrisis en dat dit blijkt uit de omstandigheid dat bewoonster B hoogstens heeft verzocht om een tijdelijke verblijfssituatie, doet evenmin af aan de impact van het incident. Dat geldt ook voor de omstandigheid dat het plaatsingsbesluit drie dagen na het incident is opgelegd. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat het COa enige tijd moet worden gegund zorgvuldig onderzoek te doen, verklaringen te verzamelen en het gebeurde te omschrijven. Eisers beroepsgronden slagen in dit verband evenmin.
Belangenafweging
5. De rechtbank is voorts van oordeel dat het COa, in overeenstemming met het Maatregelenbeleid en voldoende deugdelijk gemotiveerd, heeft besloten tot de oplegging van het plaatsingsbesluit. Volgens het beleid wordt in beginsel een plaatsingsbesluit opgelegd als sprake is van een incident met een zeer grote impact. Daarvan is in deze zaak sprake. Het COa heeft daarbij mogen meewegen dat er al eerder incidenten hebben plaatsgevonden vanwege het gewelddadig gedag van eiser, eveneens richting bewoonster B, zoals blijkt bijlage 1 van het plaatsingsbesluit. Eisers betoog dat het plaatsingsbesluit alleen is opgelegd op basis van het incident van 16 februari 2026, is derhalve onjuist. Nu de eerder genomen lichtere maatregelen onvoldoende tot gedragsverandering hebben geleid, heeft het COa zich op het standpunt kunnen stellen dat de HTL-maatregel noodzakelijk en evenredig is om het gedrag van eiser aan te pakken en de veiligheid van zijn gezin te waarborgen. De door eiser naar voren gebrachte omstandigheden dat er geen sprake is van mishandeling door eiser van de kinderen en er sprake was van een echtelijke ruzie, zijn gelet op het voorgaande geen omstandigheden die een lichtere maatregel kunnen rechtvaardigen. Eisers stelling dat ook zijn kinderen onevenredig zwaar zijn gestraft, omdat zij gedurende een periode van drie maanden hun vader niet in vrijheid kunnen zien en dingen met hem kunnen ondernemen, maakt het plaatsingsbesluit evenmin onevenredig.
6. Eisers beroepsgronden slagen niet. Het beroep gericht tegen het plaatsingsbesluit is ongegrond.
Het beroep tegen de vrijheidsbeperkende maatregel
7. Eiser heeft in dit kader geen zelfstandige beroepsgronden aangevoerd.
Omdat het beroep tegen het plaatsingsbesluit ongegrond is, de vrijheidsbeperkende maatregel volledig steunt op dat besluit en de rechtbank ambtshalve toetsend geen onrechtmatigheden vaststelt, zal de rechtbank het beroep tegen de vrijheidsbeperkende maatregel ook ongegrond verklaren.
Conclusie en gevolgen
8. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en dat het COa het besluit tot plaatsing in de HTL en de minister de vrijheidsbeperkende maatregel mochten nemen.
Eisers verzoek om schadevergoeding wordt gezien het voorgaande afgewezen. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. van Waterschoot, rechter, in aanwezigheid van R. de Hoop, griffier, op 11 mei 2026 en gepseudonimiseerd gepubliceerd op rechtspraak.nl.
de griffier de rechter
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Tegen deze uitspraak, voor zover het betreft het beroep tegen het plaatsingsbesluit, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking. Tegen deze uitspraak, voor zover het betreft het beroep tegen de vrijheidsbeperkende maatregel, staat geen rechtsmiddel open.