RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.43226 V
uitspraak van de enkelvoudige kamer op het verzet van
[naam] , opposant1, tevens eiser,
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: B.J. Manspeaker ),
tegen de uitspraak van de rechtbank van 12 december 2025 in het geding tussen opposant
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder. Inleiding
1. Deze uitspraak op het verzet van opposant gaat over de uitspraak van de rechtbank van 12 december 2025 waarin de rechtbank het beroep van opposant niet-ontvankelijk heeft verklaard.
De rechtbank heeft het verzet op 11 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van opposant.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak of in de uitspraak van
12 december 2025 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel2 is dat het beroep niet-ontvankelijk is. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet. Aan de inhoud van de beroepsgronden komt de rechtbank in deze zaak toe als het verzet gegrond is.
De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
De uitspraak van 12 december 2025
3. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Dat mag de rechtbank doen als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft het beroep kennelijk niet-ontvankelijk geacht. Hierbij heeft de rechtbank overwogen dat de ingebrekestelling van opposant van 19 augustus 2025 vóór het verstrijken van de beslistermijn is ingediend, omdat met de toepassing van het besluit- en vertrekmoratorium
1. Met opposant wordt bedoeld de indiener van het verzetschrift.
2 Dit volgt uit artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
voor vreemdelingen uit Syrië3 (het ‘besluitmoratorium’) de beslistermijn in de zaak van opposant op grond van artikel 43 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) tot 22 september 2025 werd verlengd.
Het verzet van opposant
4. Opposant is van mening dat de rechtbank zijn beroep ten onrechte kennelijk niet - ontvankelijk heeft verklaard omdat het eindoordeel geenszins buiten redelijke twijfel staat. Hij meent dat met de beëindiging van het besluitmoratorium op 14 juni 2025, de oorspronkelijke beslistermijn (van zes maanden) weer van kracht is. Volgens opposant dient een besluitmoratorium op grond van artikel 43 van de Vw er enkel toe om een beslistermijn aan te houden / op te schorten voor de werkingsduur van het moratorium, en niet om een beslistermijn te verlengen. Hij wijst erop dat in zijn geval de beslistermijn van zes maanden al verstreken was op het moment dat het besluitmoratorium in werking trad. Verweerder had daarom meteen na het aflopen van het besluitmoratorium een beslissing moeten nemen. Volgens opposant betekent het voorgaande dat de ingebrekestelling van 19 augustus 2025 niet prematuur is.
Het standpunt van verweerder
5. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het besluitmoratorium in overeenstemming is met artikel 43 van de Vw en met artikel 31, vierde lid, van de Procedurerichtlijn. Verweerder wijst er verder op dat na afloop van het besluitmoratorium een situatie is ontstaan die een herbeoordeling van de asielaanvragen van Syrische vreemdelingen noodzakelijk maakt. Dit kan betekenen dat een nieuwe gehoorprocedure vereist is en dat niet meteen na afloop van het besluitmoratorium een weloverwogen besluit genomen kan worden. Om die reden is een verlenging van de beslistermijn nodig en is de beslistermijn voor aanvragen die onder het besluitmoratorium vallen met een jaar verlengd, aldus verweerder. Verweerder wijst er verder op dat de Procedurerichtlijn een zorgvuldige behandeling van asielaanvragen verlangt en dat zolang de procedure binnen de termijn van 21 maanden wordt afgerond, de verlenging van de beslistermijn in overeenstemming is met de Procedurerichtlijn.
Het oordeel van de rechtbank
6. Op grond van artikel 43, eerste lid, van de Vw kan verweerder in bepaalde omstandigheden de beslistermijn van de asielaanvraag van bepaalde categorieën vreemdelingen verlengen tot ten hoogste 21 maanden. Met artikel 43, eerste lid, van de Vw is beoogd artikel 31, vierde lid, van de Procedurerichtlijn te implementeren in nationaal recht. Artikel 31, vierde lid, van de Procedurerichtlijn bepaalt dat lidstaten het afronden van de onderzoeksprocedure van een asielaanvraag kunnen uitstellen wanneer redelijkerwijs niet kan worden verwacht dat de beslisautoriteit door een onzekere situatie in het land van herkomst die naar verwachting tijdelijk is, een beslissing neemt binnen de vastgestelde termijn. In dat geval onderzoeken de lidstaten de situatie in het land van herkomst ten minste om de zes maanden opnieuw.
Verweerder heeft in artikel 2 van het besluitmoratorium bepaald dat de beslistermijn voor asielaanvragen van vreemdelingen afkomstig uit Syrië wordt verlengd met een jaar tot ten hoogste eenentwintig maanden. Anders dan in artikel 31, vierde lid, van de Procedurerichtlijn - waarin wordt gesproken over het uitstellen van de beslistermijn -
3 Staatscourant van 13 december 2024, nr. 41538.
wordt in het besluitmoratorium dus gesproken over het verlengen van de beslistermijn. De rechtbank stelt vast dat verlengen en uitstellen niet dezelfde strekking hebben en legt het standpunt van opposant aldus uit dat hij van mening is dat het besluitmoratorium in lijn met artikel 31, vierde lid, van de Procedurerichtlijn moet worden uitgelegd.
Beoordeling van de gronden
7. Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof), waaronder de uitspraak van 24 januari 2012 (ECLI:EU:C:2012:33, C-282/10, Dominguez), is een nationale rechter verplicht om een nationale bepaling zoveel mogelijk uit te leggen in het licht van de bewoordingen en het doel van de betrokken richtlijn. Deze verplichting tot richtlijnconforme uitleg stelt de nationale rechter in staat binnen het kader van zijn bevoegdheden de volle werking van het recht van de Unie te verzekeren bij de beslechting van de bij hem aanhangige geschillen.
De rechtbank ziet - in navolging van de uitspraken van deze rechtbank zittingsplaats Amsterdam van 11 november 2025 (ECLI:NL:RBDHA:2025:21535) en van zittingsplaats Groningen van 21 januari 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:847) - aanleiding om de term verlengen in het besluitmoratorium op te vatten als uitstellen. De rechtbank verwijst hierbij net zoals voornoemde zittingsplaatsen van deze rechtbank naar de woordkeuzes in de verschillende taalversies van artikel 31, vierde lid, van de Procedurerichtlijn, waarin wordt gesproken over uitstellen, postpone, différer en aufschieben. Ook verwijst de rechtbank naar het derde lid van artikel 31 van de Procedurerichtlijn waaruit volgt dat een beslistermijn weliswaar kan worden verlengd, extend, prolonger of verlängern maar dan onder de aldaar vermelde omstandigheden (te weten wanneer complexe feitelijke en/of juridische kwesties aan de orde zijn, of wanneer een groot aantal onderdanen van derde landen of staatlozen tegelijk om internationale bescherming verzoeken waardoor het in de praktijk zeer moeilijk is de procedure binnen de termijn van zes maanden af te ronden, of wanneer de vertraging duidelijk is toe te schrijven aan het feit dat verzoeker op hem rustende verplichtingen niet nakomt). De Uniewetgever heeft dus een onderscheid gemaakt tussen verlengen en uitstellen, een en ander afhankelijk van de aan de orde zijnde omstandigheden. Het doel van artikel 31, vierde lid, van de Procedurerichtlijn is om de beslistermijn uit te stellen als redelijkerwijs niet kan worden verwacht dat een beslissingsautoriteit binnen de gestelde termijnen een beslissing neemt door een onzekere situatie in het land van herkomst die naar verwachting tijdelijk is, en niet om de beslistermijn in die gevallen te verlengen. Alhoewel in artikel 2 van het besluitmoratorium wordt gesproken over het verlengen van de beslistermijn, brengt een richtlijnconforme uitleg met zich mee dat dit uitgelegd moet worden als uitstellen. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat op grond van artikel 31, vierde lid, van de Procedurerichtlijn de beslistermijn met het besluitmoratorium niet kan worden verlengd, maar hoogstens dat de beslissing kan worden uitgesteld zolang het besluitmoratorium geldt, te weten zes maanden.
Gelet op hetgeen onder 7.1 is overwogen, is de rechtbank dus van oordeel dat opposant zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de beslistermijn van verweerder slechts voor de duur van zes maanden is uitgesteld. Omdat de beslistermijn van de aanvraag van opposant al op 5 oktober 2024 was verstreken, had verweerder meteen na afloop van het besluitmoratorium op 14 juni 2025 een beslissing moeten nemen. De ingebrekestelling op 19 augustus 2025 was dan ook niet prematuur zoals de rechtbank in haar uitspraak van
12 december 2025 heeft overwogen. Gelet op voorgaande overwegingen was de uitkomst van het beroep niet boven iedere twijfel verheven. De rechtbank heeft het beroep van opposant (eiser) in zijn uitspraak van 12 december 2025 dan ook ten onrechte zonder zitting afgedaan.
Het voorgaande betekent dat het verzet gegrond zal worden verklaard. Dat betekent dat de uitspraak van 12 december 2025 vervalt en dat de rechtbank het onderzoek hervat in de stand waarin zich dat bevond voordat die uitspraak werd gedaan.
Beoordeling door de rechtbank van het beroep
8. Het verzet is gegrond, en de partijen zijn in de gelegenheid gesteld ter zitting gehoord te worden. De rechtbank doet daarom niet alleen uitspraak op het verzet, maar ook op het beroep. Artikel 8:55, tiende lid, van de Awb maakt dat mogelijk.
De rechtbank verwijst naar haar overwegingen in 7, 7.1, 7.2 en neemt deze ook mee in haar beoordeling van het beroep. De rechtbank is van oordeel dat de beslistermijn voor de asielaanvraag van eiser reeds op 5 oktober 2024 verlopen was, en dat verweerder vervolgens meteen na afloop van het besluitmoratorium (op 14 juni 2025) op de asielaanvraag van eiser had moeten beslissen. De ingebrekestelling van eiser van
19 augustus 2025 was dan ook niet prematuur. Eiser heeft vervolgens ten minste twee weken gewacht voordat hij op 8 september 2025 afzonderlijk beroep heeft ingesteld. Niet is gebleken dat verweerder inmiddels een besluit heeft genomen op de asielaanvraag van eiser. Het beroep is derhalve gegrond.
Omdat niet is gebleken dat eiser inmiddels is gehoord over zijn asielmotieven, zal de rechtbank bepalen dat verweerder binnen zestien weken op de asielaanvraag van eiser dient te beslissen. Indien eiser inmiddels wel is gehoord over zijn asielmotieven, dient verweerder binnen acht weken op zijn asielaanvraag te beslissen.
De rechtbank bepaalt dat verweerder een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door verweerder. Daarbij geldt een maximum van € 15.000,-
Eiser krijgt een vergoeding voor de proceskosten die hij heeft gemaakt. Verweerder moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 1 punt op voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,-en een wegingsfactor 0,5. Het indienen van een verzetschrift en het verschijnen ter zitting levert elk 0,5 punt op met een waarde per punt van € 934 en, in navolging van het verzoek van eiser, een wegingsfactor van 1. Toegekend wordt € 1.401,-.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het verzet gegrond;
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
- draagt verweerder op binnen zestien weken dan wel, indien eiser inmiddels is gehoord over zijn asielmotieven, binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekend te maken;
- bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van
€ 15.000,-;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1401,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Oonincx, rechter, in aanwezigheid van F.S. Ulrich, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
28 april 2026
Tegen deze uitspraak staat voor zover deze ziet op het verzet geen hoger beroep of verzet open.
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover daarbij is beslist op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.