ECLI:NL:RBDHA:2026:11505

ECLI:NL:RBDHA:2026:11505

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 13-05-2026
Datum publicatie 12-05-2026
Zaaknummer C/09/692220 / HA ZA 25-844
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Op 1 juni 2025 is voor de gerechten een nieuwe Persrichtlijn in werking getreden. De rechtbank oordeelt dat het daarin opgenomen accreditatiesysteem onrechtmatig en onverbindend is wegens strijd met artikel 10 EVRM.

Uitspraak

RECHTBANK Den Haag

Team handel

Zaaknummer: C/09/692220 / HA ZA 25-844

Vonnis van 13 mei 2026

in de zaak van

1. VERENIGING VAN VRIJE JOURNALISTEN, te Weesp,2. [eiser 1] , te [woonplaats 1] ,3. [eiser 2] , te [woonplaats 2] ,

eisende partijen,

advocaat: mr. M.E. Terhorst,

tegen

1. STAAT DER NEDERLANDEN, MINISTERIE VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID, te Den Haag,

gedaagde partij,

advocaat: mr. R.W. Veldhuis.

Eisers worden hierna respectievelijk de VVJ, [eiser 1] en [eiser 2] genoemd en tezamen de VVJ c.s. Gedaagde wordt hierna de Staat genoemd.

1. Inleiding

Deze procedure gaat over de Persrichtlijn van de gerechten die op 1 juni 2025 van kracht is geworden (hierna de Persrichtlijn 2025). De Persrichtlijn 2025 omschrijft onder meer de faciliteiten waarvan de pers in de gerechtsgebouwen gebruik mag maken. Ook is opgenomen dat op basis van een accreditatiesysteem wordt bepaald welke personen gebruik mogen maken van deze persfaciliteiten. De rechtbank oordeelt in dit vonnis dat dit accreditatiesysteem onrechtmatig en onverbindend is wegens strijd met artikel 10 EVRM. De rechtbank legt hieronder uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen.

2. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit het volgende:

Bij dagvaarding van 19 september 2025 hebben de VVJ c.s. de Raad voor de Rechtspraak en de Staat gedagvaard en daarbij ook een provisionele vordering ingesteld. De VVJ c.s. hebben hierbij twintig producties overgelegd. Wat betreft de provisionele vordering hebben de VVJ c.s. gevraagd om een mondelinge behandeling.

De procedure is verwezen naar de rol van 19 november 2025 voor antwoord in het incident en in de hoofdzaak. Bij e-mail van 10 november 2025 heeft de rechtbank partijen geïnformeerd dat de mondelinge behandeling van de provisionele vordering tegelijk met de mondelinge behandeling van de hoofdzaak zal plaatsvinden. Tevens is partijen om verhinderdata verzocht, zodat de mondelinge behandeling kon worden ingepland.

Op 19 november 2025 is namens de Raad voor de Rechtspraak en de Staat een conclusie van antwoord in de hoofdzaak en in het incident ingediend.

Bij tussenvonnis van 26 november 2025 is de mondelinge behandeling bevolen op 5 maart 2026.

Bij brief van 16 februari 2025 zijn namens de VVJ c.s. producties 21 tot en met 24 overgelegd.

Bij aanvang van de mondelinge behandeling op 5 maart 2026 heeft de voorzitter van de combinatie partijen geïnformeerd dat één van de rechters in de combinatie als persrechter veelvuldig in contact is geweest met één van de namens de Raad voor de Rechtspraak aanwezige personen. Omdat de VVJ c.s. dit bezwaarlijk vond, heeft deze rechter besloten bij de wrakingskamer een verzoek in te dienen om zich te mogen verschonen. Hierop is de mondelinge behandeling aangehouden.

De wrakingskamer van deze rechtbank heeft het verschoningsverzoek van de rechter vervolgens toegewezen.

Een nieuwe datum voor de mondelinge behandeling is vastgesteld voor 7 april 2026.

Op de rol van 25 maart 2026 is namens de VVJ c.s. een akte wijziging van eis ter rolle ingediend. In deze akte is de vordering tegen de Raad voor de Rechtspraak ingetrokken, is de provisionele vordering vermeerderd en is de vordering in de hoofdzaak gewijzigd.

Bij brief van 25 maart 2026 zijn namens de VVJ c.s. producties 25 en 26 ingediend.

Namens de Staat is bij B16-formulier van 1 april 2026 een akte bezwaar wijziging van eis, tevens houdende akte overlegging productie met productie 1 overgelegd.

Namens de VVJ c.s. is op 1 april 2026 bezwaar gemaakt tegen de akte bezwaar wijziging van eis namens de Staat.

Op 7 april 2026 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Partijen hebben hun standpunten aan de hand van spreekaantekeningen die aan het griffiedossier zijn toegevoegd nader toegelicht en vragen van de rechtbank beantwoord. Van het verhandelde ter zitting zijn aantekeningen gemaakt, welke onderdeel uitmaken van het griffiedossier. De rechtbank heeft bij aanvang van de mondelinge behandeling en nadat zij partijen nog om een nadere toelichting had gevraagd, de akte bezwaar wijziging van eis tevens houdende akte overlegging productie namens de Staat toegelaten. Daarbij heeft ze opgemerkt dat aan het einde van de mondelinge behandeling kon worden beoordeeld of de VVJ c.s. in het kader van hoor- en wederhoor in de gelegenheid zou worden gesteld nog schriftelijk te reageren op de namens de Staat overgelegde productie 1. Deze was immers niet uiterlijk tien dagen voor de mondelinge behandeling overgelegd.

Ten slotte is de datum voor vonnis bepaald op heden.

3. De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

De VVJ is opgericht op 6 oktober 2020. Zij maakt zich naast het behartigen van de belangen van haar leden, volgens de doelomschrijving in haar statuten, sterk voor de persvrijheid in de brede zin van het woord. Volgens haar website is de VVJ opgericht om de belangen voor zichzelf vrij wetende journalisten en de journalistiek in het algemeen te behartigen. De VVJ hanteert geen inkomenseis. De VVJ verstrekt een perskaart op basis waarvan haar leden zich in voorkomende gevallen als journalist bekend kunnen maken. De VVJ heeft om en nabij de 110 leden.

[eiser 1] en [eiser 2] zijn beiden werkzaam als journalist. [eiser 1] is geen lid van een beroepsorganisatie. [eiser 2] is lid van de Nederlandse Vereniging van Journalisten (hierna: de NVJ) en van de VVJ. Zij beschikt over een perskaart van de VVJ.

In 2013 hebben de gerechten een persrichtlijn geïntroduceerd (hierna de Persrichtlijn 2013). Onder 'journalist' werden onder de Persrichtlijn 2013 verstaan "personen die op een zodanige wijze berichten publiceren dat deze voor iedereen toegankelijk zijn".

Punt 1.2. van de Persrichtlijn 2013. luidde als volgt:

Journalisten die gebruik willen maken van de faciliteiten wordt (eenmalig) gevraagd om een kopie van een door de Rechtspraak geaccepteerde perskaart, (de

politieperskaart of de perskaart van de Nederlandse Vereniging van Journalisten).

Overige perskaarten kunnen ter beoordeling aan het gerecht worden voorgelegd.

Journalisten die niet over een door de Rechtspraak geaccepteerde perskaart

beschikken, dienen eenmalig een protocol te ondertekenen (zie bijlage I).

Degenen die op grond van de Persrichtlijn 2013 kwalificeerden als journalist mochten op grond van de Persrichtlijn 2013 onder meer tijdens openbare zittingen tekstberichten verzenden via de mobiele telefoon of laptop, om zo live

verslag te kunnen doen op internet. Ze mochten voorts onder meer na het verkrijgen van toestemming beeld- en geluidsopnamen maken van zittingen. Door ondertekening van het onder 3.3. bedoelde protocol (hierna het protocol) verklaarden ze onder meer het embargo op openbaarmaking van op voorhand verstrekte vertrouwelijke gegevens te respecteren en bij het gebruik en de publicatie van informatie de privacy van procesdeelnemers te eerbiedigen.

[eiser 1] en [eiser 2] hebben het protocol ondertekend en hadden op grond daarvan toegang tot de persfaciliteiten die de gerechten hadden ingericht. [eiser 1] heeft sinds begin 2020 ongeveer 100 rechtszaken integraal gefilmd (voor zover dit werd toegestaan) voor zijn internetplatform. [eiser 2] heeft ook bij diverse rechtszaken gefilmd. Vaker heeft zij vanuit de zittingszaal live verslag gedaan van het verhandelde via social media.

Op 1 juni 2025 is bij de gerechten een nieuwe persrichtlijn geïntroduceerd (hierna de Persrichtlijn 2025).

Aan de introductie van de Persrichtlijn 2025 is een uitgebreid traject voorafgegaan. Het bureau Haagse Beek heeft een evaluatie uitgevoerd. Op haar website is over de aanleiding van het onderzoek het volgende vermeld:

Sociale media hebben in toenemende mate een rol in de nieuwsverspreiding sinds de invoering van de huidige richtlijn. Het zorgt voor een andere verhouding tussen de pers en de rechtspraak, mede doordat iedereen zichzelf (burger)journalist kan

noemen. Beeld- en geluidsopnames maken is eenvoudig, burgers kunnen meer en

vaker van afstand mee kijken en bovendien worden rechtbanktekeningen steeds

realistischer. Dergelijke ontwikkelingen roepen vragen op als het gaat om het

functioneren van de huidige richtlijn en over de veiligheid van togadragers.

In het kader van de evaluatie is een begeleidingscommissie opgesteld, bestaande uit rechters/raadsheren, voorlichters en journalisten. Daarna zijn 15 interviews afgenomen met (pers)rechters/raadsheren, officieren van justitie, journalisten, voorlichters en advocaten. De geïnterviewden uit de journalistiek waren personen die regelmatig bij gerechten aanwezig zijn om verslag te doen. [eiser 1] en [eiser 2] zijn hiervoor niet benaderd, evenmin als (andere) leden van de VVJ. Op basis van de interviews is een enquête uitgezet via verschillende kanalen. 296 personen hebben de enquête ingevuld. De resultaten zijn besproken met een reflectiecommissie. Daarna is met verschillende personen uit de rechtspraak, de journalistiek, de advocatuur en het Openbaar Ministerie een verdiepend interview gehouden. Ook brieven van [eiser 1] van 18 december 2023 en 23 december 2023 zijn in de evaluatie meegenomen. Het door Haagse Beek naar aanleiding van de evaluatie opgestelde rapport is niet gepubliceerd op internet. Het is in deze procedure ook niet overgelegd.

Op basis van de resultaten van het evaluatieonderzoek is besloten tot herziening van de Persrichtlijn 2013. De Persrichtlijn 2025 is vervolgens vastgesteld in het Presidenten-Raad Overleg, bestaande uit de presidenten van de rechtbanken en gerechtshoven in Nederland en waarin ook de Raad voor de Rechtspraak is vertegenwoordigd. De Raad voor de Rechtspraak heeft de Persrichtlijn 2025 bekend gemaakt.

Op pagina 5 van de Persrichtlijn 2025 is vermeld dat de rechtbanken en de gerechtshoven, de Centrale Raad van Beroep en het College van Beroep voor het bedrijfsleven de pers zoveel mogelijk behulpzaam willen zijn bij het uitvoeren van hun werk. In een hierbij opgenomen noot is vermeld dat de Hoge Raad de Persrichtlijn 2025 toepast voor zover van toepassing op procedures voor de Hoge Raad. Waar in de Persrichtlijn 2025 wordt verwezen naar de rechter wordt hiermee ook de voorzitter van een meervoudige kamer of een raadsheer bedoeld. In dit vonnis zal de term rechter dezelfde betekenis hebben.

De in de Persrichtlijn 2013 opgenomen persfaciliteiten zijn ook opgenomen in de Persrichtlijn 2025, waarbij wel een aantal wijzigingen zijn aangebracht in vergelijking met de Persrichtlijn 2013. In de Persrichtlijn 2025 is onder meer het volgende opgenomen:

4.1. Uitgangspunt

Het uitgangspunt is dat de geaccrediteerde pers tijdens openbare zittingen beeld- en geluidsopnamen mag maken. Ook het sturen van tekstberichten en het maken van foto’s en tekeningen is voor journalisten toegestaan. In uitzonderlijke gevallen kan de rechter van dit uitgangspunt afwijken en beperkingen aanbrengen. Daarbij betrekt de rechter onder andere dat:

• het maken van beeld- en geluidsopnamen, het sturen van tekstberichten, het maken van foto’s of tekeningen geen belemmering vormt voor een goede rechtspleging (bijvoorbeeld voor de waarheidsvinding);

• de privacy van de procesdeelnemers voldoende gewaarborgd is;

• een ordelijk verloop van de zitting voldoende wordt gegarandeerd;

• de veiligheid van de bij de zitting betrokken personen voldoende gewaarborgd is.

Als er beperkingen worden aangebracht op het uitgangspunt dat beeld- en geluidsopnamen toegestaan zijn, motiveert de rechter dat.

In artikel 4.2. is opgenomen wat wel en niet mag bij het maken van beeld- en geluidsopnamen. Zo is specifiek bepaald dat geaccrediteerde personen (in beginsel) beeld- en geluidsopnamen mogen maken van de professionele procesdeelnemers, alleen met uitdrukkelijke toestemming van niet-professionele procesdeelnemers en niet van publiek of bezoekers. Wat betreft een verdachte bepaalt de Persrichtlijn 2025 dat de stem van een verdachte wel steeds mag worden opgenomen, maar wat betreft de behandeling van de persoonlijke omstandigheden van de verdachte alleen met uitdrukkelijke toestemming. Hetzelfde geldt voor de slachtofferverklaringen.

Verder mogen geaccrediteerde personen tekeningen (laten) maken van alle procesdeelnemers (artikel 4.3), foto's maken van de professionele procesdeelnemers en met toestemming ook van niet-professionele procesdeelnemers (artikel 4.4), tekstberichten (liveblog) versturen (artikel 4.5), een zitting livestreamen als de rechter daarvoor toestemming verleent (artikel 4.6), interviews opnemen in het gebouw (na toestemming van de afdeling communicatie) (artikel 4.7) en gebruik maken van persruimten.

Artikel 6.2. van de Persrichtlijn 2025 bepaalt dat geaccrediteerde personen meestal een week voor de zitting informatie krijgen over zaken die in het openbaar worden behandeld, zoals datum, plaats en tijd van de zitting, een omschrijving van de aard van de zaak en de betrokken procespartijen en procesdeelnemers.

De Persrichtlijn 2025 maakt niet langer gebruik van het onder 3.3. bedoelde protocol waarnaar wordt verwezen in de Persrichtlijn 2013. Voor toegang tot de persfaciliteiten die de rechtspraak heeft ingericht is op basis van de Persrichtlijn 2025 voorwaarde dat iemand beschikt over één van de drie in de Persrichtlijn 2025 genoemde perskaarten (hierna tezamen te noemen de voorgeschreven perskaarten). De NVJ geeft deze perskaarten uit. Andere mogelijkheid voor accreditatie is het lidmaatschap van de Buitenlandse Persvereniging (BPV). Punt 2.1 van de Persrichtlijn 2025 luidt op dit punt als volgt:

De Rechtspraak accrediteert personen die beschikken over:

een perskaart van de Nederlandse Vereniging van Journalisten (NVJ),

een perskaart van de Internationale Federatie voor Journalisten,

een politie-perskaart,

een lidmaatschap van De Buitenlandse Persvereniging (BPV).

Voorts bepaalt de Persrichtlijn 2025 anders dan de Persrichtlijn 2013 niet dat beslissingen, waarbij wordt afgeweken van de in de Persrichtlijn 2025 opgenomen uitgangspunten, moeten worden gepubliceerd.

Op de website van de NVJ is het volgende opgenomen over de door de NVJ uitgegeven perskaarten:

Elke perskaartaanvraag wordt door de NVJ welwillend en persoonlijk beoordeeld. De NVJ controleert op onafhankelijkheid en inkomen, maar nooit op inhoud.

Wel wordt van houders van een perskaart van de NVJ verwacht dat ze zich committeren aan de NVJ Code. Deze code bestaat uit 10 ethische regels die de basis vormen voor betrouwbaar en verifieerbaar journalistiek werk. Houders van een perskaart van de NVJ zijn professioneel journalist, werken onafhankelijk en transparant en zijn verifieerbaar.”

De NVJ stelt de volgende eisen voor het bezit van een NVJ-perskaart:

Leden van de NVJ, kunnen de NVJ Perskaart aanvragen. Om deze te kunnen verkrijgen, dienen zij aan één van de volgende voorwaarden te voldoen:

De aanvrager is werkzaam als journalist met een arbeidsovereenkomst voor 16 uur/week of meer.

De aanvrager is werkzaam als zelfstandig journalist en kan aantonen dat hij/zij

o op jaarbasis 75% van het minimumloon aan inkomen (omzet) haalt uit journalistieke werkzaamheden

o het grootste gedeelte van zijn/haar tijd aan journalistieke werkzaamheden besteedt, aan te tonen door het overleggen van publicaties in media die voor het publiek toegankelijk zijn

In geval van twijfel, of als maatwerk vereist is, bijvoorbeeld als een young professional aan het begin van zijn loopbaan nog niet voldoende inkomen of opdrachten kan genereren, kan de algemeen secretaris een uitzondering op bovenstaande regels maken.

De IFJ Perskaart is bestemd voor journalist-leden van de NVJ die werken in risico- en conflictgebieden in het buitenland.

De Landelijke Politieperskaart wordt eveneens uitgegeven door de NVJ. Zowel leden als niet-leden kunnen deze aanvragen. De kaart geeft de houder rechten om journalistieke werkzaamheden te verrichten tijdens rellen, demonstraties, ongelukken en calamiteiten, binnen door politie afgezet gebied. Over de voorwaarden is het volgende vermeld op de website van de NVJ:

Voor de Landelijke Politieperskaart geldt een apart reglement met voorwaarden, dat tot stand is gekomen in overleg met de Politie en het Genootschap van Hoofdredacteuren. Daarmee is de politieperskaart breed erkend, ook door de hulpdiensten, als gezaghebbend. Het reglement wordt gepubliceerd op de website van de NVJ. Net als voor het verkrijgen van de NVJ Perskaart zijn inkomen dan wel ureninzet de belangrijkste criteria. De houder wordt geacht professioneel journalist te zijn, en een jaarlijks inkomen te genereren van tenminste het minimumloon voor volwassenen vanaf 21 jaar.

De website van de NVJ vermeldt voorts dat voor de politieperskaart strikte voorwaarden gelden zoals het zijn van journalist als hoofdberoep, het werken voor een massamedium en het aantoonbaar nodig hebben van de politieperskaart voor je werk. Er geldt een hardheidsclausule die is opgenomen in artikel 14 van het Reglement met betrekking tot de Landelijke Politieperskaart. Dit artikel bepaalt dat als niet volledig is voldaan aan alle voorwaarden van het reglement, maar er naar het oordeel van het secretariaat desondanks aanleiding bestaat om tot verstrekking van een politieperskaart over te gaan, het secretariaat de bevoegdheid heeft om een politieperskaart te verlenen.

De BPV is de Buitenlandse Persvereniging in Nederland, en richt zich op de

journalisten die voor buitenlandse media in Nederland werkzaam zijn.

[eiser 1] en [eiser 2] kunnen na de introductie van de Persrichtlijn 2025 niet langer gebruik maken van de persfaciliteiten die de gerechten hebben ingericht. Zij beschikken niet over één van de voorgeschreven perskaarten. Zij zijn geen lid van de BPV en komen ook niet in aanmerking voor dit lidmaatschap.

De VVJ heeft in een brief van 27 maart 2025 aan de Raad voor de Rechtspraak verzocht om de VVJ ook op te nemen in de lijst van geaccrediteerde journalistieke verenigingen. Dit verzoek heeft de Raad voor de Rechtspraak bij brief van 11 juni 2025 afgewezen. In deze brief is onder meer gewezen op de uitgevoerde evaluatie:

“Uitkomst: behoefte aan duidelijkheid.

Uit de evaluatie kwam naar voren dat er behoefte is aan duidelijke criteria: wie is journalist en wie kan dus gebruik maken van de faciliteiten van de Rechtspraak die specifiek voor journalisten zijn bedoeld?

Deze vraag is besproken met vertegenwoordigers van de beroepsgroep, onder andere via het collectief van rechtbankverslaggevers en de NVJ. Er zijn in Nederland meerdere organisaties die perskaarten uitgeven, ieder met eigen voorwaarden. De Rechtspraak is niet in de positie om te bepalen wie journalist is – dat kan en doet de beroepsgroep zelf. De beroepsgroep heeft aangegeven dat de volgende vier vormen van legitimatie als betrouwbaar en toetsbaar gelden: een Politieperskaart, (…) een perskaart van de NVJ of IFJ/of lidmaatschap BPV.”

4. Het geschil

In het incident

De VVJ c.s. vorderen, na wijziging van eis, bij tussenvonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

I. de veroordeling van de Staat om de VVJ c.s. voor de duur van de bodemprocedure, onder de voorwaarden van de Persrichtlijn 2013 als journalist toe te laten tot zittingen in de gerechtsgebouwen in Nederland en tot de voor de pers beschikbare informatie en faciliteiten;

II. de verklaring voor recht dat door niet tijdig op de provisionele vordering te beslissen, het recht op toegang tot de rechter en het recht op tijdige effectieve rechtsbescherming is geschonden.

In de hoofdzaak

VVJ c.s. vorderen, na wijziging van eis, samengevat, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

Primair:

I. de veroordeling van de Staat om op verbeurte van een dwangsom binnen 14 dagen na dagtekening van het ten dezen te wijzen vonnis de Persrichtlijn 2025 buiten toepassing te laten;

Subsidiair:

II. de verklaring voor recht dat de Persrichtlijn 2025, voor zover deze voorziet in:

( a) een accreditatieprocedure (artikel 2.1 van de Persrichtlijn 2025), waarin bepaald is dat een Nederlandse journalist zich slechts met behulp van een NVJ Perskaart of politieperskaart kan accrediteren, waardoor journalisten die geen NVJ Perskaart of politieperskaart kunnen of willen krijgen worden uitgesloten, en/of

( b) het vervallen van de verplichting om afwijkingsbeslissingen te publiceren,

onverbindend dan wel onrechtmatig is wegens strijd met artikelen 6 en/of 10 en/of 11 en/of 14 EVRM en/of artikel 11 Handvest van de grondrechten van de EU, dan wel wegens strijd met het evenredigheidsbeginsel;

III. in beide gevallen met veroordeling van de Staat in de kosten van de bodemprocedure en de procedure inzake de provisionele vordering, te verhogen met de nakosten en te vermeerderen met de wettelijke rente.

In het incident en in de hoofdzaak

De Staat voert verweer. De Staat concludeert tot niet-ontvankelijkheid van de VVJ c.s., dan wel tot afwijzing van de vorderingen van de VVJ c.s., met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van de VVJ c.s. in de kosten van deze procedure.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5. De beoordeling

De rechtbank zal eerst ingaan op het karakter van de Persrichtlijn 2025. Daarna zal de rechtbank de bezwaren van de VVJ c.s. tegen de Persrichtlijn 2025 bespreken. Daarbij zal zij eerst ingaan op de stellingen van de VVJ c.s. over de accreditatievoorwaarden. En daarna op de bezwaren over het niet meer publiceren van afwijkingen van de Persrichtlijn 2025. Vervolgens zal de rechtbank de primaire en subsidiaire vorderingen van de VVJ c.s. beoordelen.

Karakter Persrichtlijn 2025

De Persrichtlijn 2025 bevat regels met betrekking tot de gang van zaken binnen gerechtsgebouwen. In een brief aan de Nederlandse Vereniging voor de Rechtspraak van 25 november 2025 refereert de Raad van de Rechtspraak aan de Persrichtlijn 2025 als huisregels waaraan het publiek dat gebouwen van de gerechten bezoekt zich moet houden en waarop de beveiliging van de gerechten toezicht houdt:

Zittingen zijn veelal openbaar; iedereen mag daarbij aanwezig zijn en daar ook over communiceren, ook burgers. Publiek heeft zich te houden aan de huisregels van een gerecht, en daarin staat onder andere dat opnames maken verboden is. De beveiliging in de gerechten ziet hierop toe en onterecht gemaakte beelden moeten worden gewist.

Op de website van verschillende gerechten wordt ook in de huisregels verwezen naar de Persrichtlijn 2025.

Een groot deel van de Persrichtlijn 2025 betreft persfaciliteiten die betrekking hebben op de gang van zaken tijdens een zitting in het algemeen, zoals de regels over het maken van beeld- en geluidsopnamen tijdens zittingen, het live verslag doen van zittingen vanuit de zittingszaal, het maken van tekeningen, het maken van foto’s en het verzorgen van een livestream. De rechter die een specifieke zitting voorzit, is verantwoordelijk voor de gang van zaken tijdens die zitting. Zie bijvoorbeeld artikel 19 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering dat bepaalt dat de rechter ambtshalve en op verzoek van een van de partijen alle beslissingen neemt die nodig zijn voor een goed verloop van de procedure. Dit betekent dat deze rechter degene is die beslist over het gebruik van de persfaciliteiten die de zitting betreffen. Rechters kunnen hierbij afwijken van de Persrichtlijn 2025 (en dus meer, of juist minder toestaan tijdens die zitting), zoals ook de Staat heeft betoogd. Tussen partijen is niet in geschil dat de gebruikelijke gang van zaken binnen de gerechten is dat rechters bij hun besluitvorming over het aan de pers toestaan van faciliteiten tijdens de zitting de Persrichtlijn 2025 volgen, en dat afwijken hiervan de uitzondering vormt.

De VVJ c.s. heeft nog erop gewezen dat de Persrichtlijn 2025 doorkruist dat de rechter degene is die in de zittingzaal beperkingen kan opleggen aan de pers, omdat de Persrichtlijn 2025 deze macht aan een ambtelijke expertgroep met drie ambtenaren geeft.

De enige verwijzing in de Persrichtlijn 2025 naar een expertgroep is opgenomen in artikel 7.3. van de Persrichtlijn 2025. Volgens artikel 7.3. van de Persrichtlijn 2025 bestaat de expertgroep uit rechters en persvoorlichters van de Rechtspraak. Volgens dit artikel staat de expertgroep open voor suggesties vanuit de journalistiek. Deze suggesties, respectievelijk adviezen en antwoorden biedt de expertgroep aan alle gerechten aan om een uniforme werkwijze te bevorderen. Hierin leest de rechtbank niet een bevoegdheid van de expertgroep om beslissingen te nemen over het gebruik van persfaciliteiten in de zittingzaal, laat staan in het kader van een specifieke zitting. Uit door de VVJ c.s. overgelegde correspondentie van een rechtbank met de expertgroep lijkt te volgen dat ook gerechten advies kunnen inwinnen bij de expertgroep. Dit betekent echter niet dat de bevoegdheid om te beslissen bij de expertgroep is neergelegd. Dit volgt ook niet uit een door de VVJ c.s. beschreven voorval waarbij een rechter bij een strafzitting kennelijk, na inmenging door een medewerker van de persafdeling, is teruggekomen op het oordeel dat een verdachte gefilmd mocht worden. Wat de rol van de expertgroep hierbij was, heeft de VVJ c.s. namelijk niet toegelicht. Aan dit punt van de VVJ c.s. gaat de rechtbank dan ook voorbij.

Accreditatievoorwaarden in de Persrichtlijn 2025

Strijd met artikel 10 lid 1 EVRM

Artikel 10 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) bepaalt dat eenieder het recht heeft op vrijheid van meningsuiting. Dit recht omvat de vrijheid een mening te koesteren en de vrijheid om inlichtingen of denkbeelden te ontvangen of te verstrekken, zonder inmenging van enig openbaar gezag. Artikel 10 lid 1 EVRM strekt er mede toe het recht op vrije nieuwsgaring door de pers te waarborgen. Vrije nieuwsgaring vormt een onverbrekelijk aspect van de vrijheid van meningsuiting. Aan de positie van de pers komt bijzondere betekenis toe, gelet op enerzijds de taak van de pers om informatie en ideeën van publiek belang te verspreiden en zijn vitale rol van publieke waakhond te spelen, en anderzijds het recht van het publiek om informatie en ideeën te ontvangen. [eiser 1] en [eiser 2] zijn, zoals blijkt uit hun publicaties, actief op het gebied van de vrije nieuwsgaring en de VVJ maakt zich sterk voor de persvrijheid. De VVJ c.s. komen op tegen in de Persrichtlijn 2025 opgenomen regels. De rechtbank zal dan ook de door de VVJ c.s. gestelde inmenging in artikel 10 EVRM beoordelen vanuit het perspectief van de inmenging in de vrijheid van meningsuiting van de pers, meer specifiek de vrijheid van nieuwsgaring.

De in artikel 4 van de Persrichtlijn 2025 opgenomen regels beperken de vrijheid van nieuwsgaring. Het gaat om het beperken van het verrichten van werkzaamheden als het tijdens zittingen maken van geluids- en of beeldopnames, het maken van foto’s, het live verslag doen vanuit de zittingszaal en dergelijke. Dit is een beperking van de mogelijkheid om informatie en ideeën te ontvangen en te verspreiden. Het bezit van een van de voorgeschreven perskaarten dan wel het lidmaatschap van de BPV is een voorwaarde voor het mogen verrichten van de in dit artikel beschreven werkzaamheden. Daardoor kan niet iedereen deze werkzaamheden in de gerechten verrichten.

De Staat verwijst nog naar een uitspraak van Europees Hof van de Rechten van de Mens (EHRM) uit 1995, waaruit volgens de Staat kan worden afgeleid dat van een schending van de vrijheid van meningsuiting in het geval van de in de Persrichtlijn 2025 opgenomen regels geen sprake is. Deze procedure bij het EHRM ging echter over het verkrijgen van informatie waarop ook het publiek recht had, maar waar geaccrediteerde journalisten gemakkelijker toegang toe hadden. De betreffende klager was geen geaccrediteerde journalist en meende dat sprake was van een inmenging op het door artikel 10 lid 1 EVRM beschermde recht. Het EHRM oordeelde dat van een inmenging op artikel 10 lid 1 EVRM geen sprake was. Zoals de rechtbank onder 5.6. al heeft toegelicht, gaat het in de onderhavig procedure echter niet om een voor geaccrediteerde journalisten gemakkelijkere toegang tot informatie, waarop ook het publiek recht heeft, zodat deze uitspraak op deze procedure niet van toepassing is.

De hierboven beschreven beperking van de vrijheid van nieuwsgaring vormt een inmenging op artikel 10 lid 1 EVRM. De vervolgvraag is of die inmenging volgens artikel 10 lid 2 EVRM gerechtvaardigd kan worden.

De inmenging kan niet worden gerechtvaardigd

Een inmenging met het recht op de vrijheid van meningsuiting en daarmee met de vrijheid van nieuwsgaring kan op grond van artikel 10 lid 2 EVRM gerechtvaardigd zijn voor zover is voldaan aan de in die bepaling omschreven voorwaarden. Dat wil in de eerste plaats zeggen dat de maatregel bij wet moet zijn voorzien, hetgeen wil zeggen dat de inmenging een basis moet hebben in het nationale recht. De inmenging moet in de tweede plaats een legitiem doel dienen. In de derde plaats moet de inmenging ter bereiking van zo'n doel in een democratische samenleving noodzakelijk zijn. De laatste voorwaarde houdt in dat sprake moet zijn van een zwaarwegend maatschappelijk belang, de inbreuk moet proportioneel zijn, en de overheid moet relevante en voldoende gronden aanvoeren die de inmenging rechtvaardigen.

In dit geval is van belang dat de vrijheid van meningsuiting en meer specifiek de vrijheid van nieuwsgaring zoals opgenomen in artikel 10 lid 1 EVRM niet los kan worden gezien van de openbaarheid van rechtspraak zoals opgenomen in artikel 6 EVRM. De Hoge Raad heeft overwogen dat de openbaarheid van rechtspraak een fundamenteel beginsel is van behoorlijke rechtspleging. Het omvat zowel openbaarheid van de behandeling als openbaarheid van de uitspraak. Uit rechtspraak van het EHRM volgt dat het doel van de openbare behandeling in de eerste plaats is om de partijen te beschermen tegen een geheime rechtsgang zonder publieke controle. Daarnaast kan openbaarheid bijdragen aan het vertrouwen in de rechtspraak. Door de rechtsgang zichtbaar te maken, draagt het beginsel van openbaarheid bij aan een eerlijk proces, dat één van de fundamentele beginselen van een democratische samenleving is. Zoals de Staat zelf ook schrijft in haar conclusie van antwoord krijgt de openbaarheid van zittingen onder meer vorm door de (mogelijkheid van) aanwezigheid van publiek en pers bij zittingen, en door (de mogelijkheid van) het door de pers doen van verslag van zittingen. Naar het oordeel van de rechtbank valt hieronder ook het live verslag doen en het filmen van zittingen door de pers waardoor een breder publiek wordt bereikt.

Voorzien bij wet

Op grond van artikel 23 lid 1 van de Wet op de Rechterlijke Organisatie is het bestuur van een gerecht belast met de algemene leiding, de organisatie en de bedrijfsvoering van het gerecht. Het bestuur draagt daarbij onder meer zorg voor de huisvesting en de beveiliging en overige materiële voorzieningen. Het bestuur geeft hieraan onder meer invulling via huisregels, die bepalen onder welke voorwaarden gebruik mag worden gemaakt van de gerechtsgebouwen, waaronder de zittingzalen. Zoals opgemerkt onder 5.2. is de Persrichtlijn 2025 aangemerkt als een dergelijk soort huisregel en deze heeft daarmee een grondslag in de wet. De omstandigheid dat het gerechtsbestuur in de Persrichtlijn 2025 ook regels heeft opgenomen die betrekking hebben op de gang van zaken in de zittingzaal en dat rechters van deze regels kunnen afwijken, verandert niet het karakter van de Persrichtlijn 2025, zijnde een set van huisregels die gelden voor een ieder die de gerechtsgebouwen bezoekt.

Legitiem doel

Uit artikel 10 lid 2 EVRM volgt dat een inmenging in de zin van dit artikel gericht moet zijn op één van de daarin beschermde belangen. Belangen die zijn genoemd, zijn onder meer de bescherming van de goede naam of de rechten van anderen en het voorkomen van de verspreiding van vertrouwelijke mededelingen.

In dit geval geldt dat de Persrichtlijn 2025 deze specifieke belangen behartigt. Voor alle procesdeelnemers geldt dat vrijheid van nieuwsgaring niet ten koste mag gaan van hun veiligheid en privacybelangen. Procesdeelnemers zijn naast professionele partijen als rechters, officieren en advocaten, ook niet-professionele partijen. Gedacht kan worden aan de partijen bij de procedure zelf, maar ook aan slachtoffers en getuigen. Naast hun recht op privacy en veiligheid, moet ook hun recht op een eerlijke proces en toegang tot de rechter worden beschermd. Het is bijvoorbeeld belangrijk dat partijen, waaronder verdachten, zich vrij voelen bij de rechter te verklaren. Dit klemt te meer nu de voortgang van de technologie het mogelijk heeft gemaakt dat bijna iedereen tijdens een zitting opnames kan maken en die op het internet kan verspreiden, waarna geen controle meer mogelijk is over de verdere verspreiding. Tijdens de mondelinge behandeling hebben de VVJ c.s. ook erkend dat de privacybelangen van procesdeelnemers, hun veiligheid en het recht op een eerlijk proces legitieme belangen zijn en dat enige regulering van persfaciliteiten geoorloofd is.

Maatregel noodzakelijk in een democratische samenleving

Tot slot is voorwaarde voor een gerechtvaardigde inmenging in de rechten opgenomen in artikel 10 lid 1 EVRM dat de inmenging in een democratische samenleving noodzakelijk is om het legitieme doel te bereiken.

De vraag ligt voor of de met de Persrichtlijn ingevoerde inmenging in de vrijheid van nieuwsgaring in de vorm van het vereisen van het bezit van één van de voorgeschreven perskaarten dan wel het lidmaatschap van de BPV voor toegang tot de persfaciliteiten van de gerechten in een democratische samenleving noodzakelijk is om het legitieme doel te bereiken. In het kader van die vraag moet de rechtbank onder meer afwegen of de genoemde inmenging proportioneel is en of de Staat relevante en voldoende gronden heeft aangevoerd om deze te rechtvaardigen (zie onder 5.9. hiervoor).

De rechtbank oordeelt hierover als volgt. Het medialandschap is, onder meer door de opkomst van nieuwe technologieën en in het bijzonder social media, aan verandering onderhevig. Dit heeft ertoe geleid dat meer en meer mensen zich zijn gaan bezighouden met het vergaren en verspreiden van informatie. Hierdoor is de groep van mensen werkzaam bij traditionele mediabedrijven in Nederland de afgelopen jaren aangevuld met personen die niet zijn aangesloten bij zo een medium en die niet noodzakelijkerwijs hiermee hun inkomen verdienen. Ook deze personen vervullen een rol in het medialandschap, en spelen een rol in de nieuwsgaring en -verspreiding. Zij kunnen zich daarbij journalist noemen, omdat dit geen beschermd beroep is. Het afbakenen van de groep van personen die gebruik mag maken van de persfaciliteiten van de gerechten is dan ook een lastige opgave geworden. In het kader van een procedure over bronbescherming heeft het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) hieraan de volgende overweging, die de rechtbank onderschrijft, gewijd:

3.8.3. Maatgevend zijn wel de grenzen die het EHRM in zijn rechtspraak trekt. Het EHRM baseert zijn oordeel op de sociale functie en werkwijze van de betrokkene: een actieve rol in het verzamelen, verwerken of verspreiden van informatie aan het publiek, en onafhankelijkheid en professionaliteit zijn daarbij van betekenis. Het EHRM erkent dat niet alleen traditionele journalisten, maar ook niet-gouvernementele organisaties (ngo’s), actieve burgers, academici, bloggers, waarnemers, of vergelijkbare actoren die bijdragen aan het publieke debat en functioneren als ‘public watchdog’ onder artikel 10 van het EVRM kunnen vallen. Dat is het geval als zij te goeder trouw bijdragen aan publieke controle door informatie te verzamelen en te verspreiden, hun informatie betrouwbaar is en maatschappelijke relevantie heeft. Ook de Nederlandse wetgever merkt nieuwe media, zoals streaming video, nieuwssites en blogs, als journalistieke activiteiten aan waarover de bescherming die journalisten toekomt zich ook kan uitstrekken. Zie bijvoorbeeld de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel tot Wijziging van het Wetboek van Strafvordering tot vastlegging van het recht op bronbescherming bij vrije nieuwsgaring (bronbescherming in strafzaken) (Kamerstukken II, 2014–2015, 34 032, nr. 3). Daarin is op pagina 6 en verder een omschrijving van het beroep journalist vermeld. Daarin wordt op pagina 7 verwezen naar de omschrijving die in de Recommendation van de Raad van Europa uit 2000 is opgenomen: «the term journalist means any natural or legal person who is regularly or professionally engaged in the collection and dissemination of information to the public via any means of mass communication».

Met de invoering van de Persrichtlijn 2025 hebben de gerechten ervoor gekozen niet (meer) zelf te bepalen wie van de persfaciliteiten van de gerechten gebruik kan maken, met als reden dat journalisten een controlerende functie hebben, zodat het niet aan de gerechten is om te beslissen wie hen kan controleren. Onder de Persrichtlijn 2025 is daarom een voorwaarde voor accreditatie dat men een politieperskaart of perskaart van de NVJ of de IFJ heeft. Deze perskaarten worden alle drie uitgegeven door de NVJ. Daarnaast hebben toegang tot de persfaciliteiten zij die lid zijn van de BPV, een vereniging die actief is voor diegenen die in Nederland werkzaam zijn voor buitenlandse media. Dit betekent dat onder de Persrichtlijn 2025 de NVJ voor personen niet werkzaam voor buitenlandse media bepaalt wie voor accreditatie in aanmerking komt. De Staat heeft echter tegen de achtergrond van het belang van journalistieke werkzaamheden in een democratische samenleving, onvoldoende aangetoond dat deze maatregel proportioneel is en onvoldoende gronden aangevoerd die de inmenging in deze vorm rechtvaardigen. Daartoe wijst de rechtbank op het volgende, waarbij zij zal ingaan op de drie voorgeschreven perskaarten en op nog een aantal andere factoren die zij belangrijk vindt.

De Staat heeft aangevoerd dat vanuit ‘de beroepsgroep’ duidelijk naar voren is gebracht dat accreditatie mogelijk moet zijn op basis van de voorgeschreven perskaarten omdat het een objectief en meetbaar criterium oplevert wat niet raakt aan de inhoud van de journalistieke werkzaamheden en waartegen de minste bezwaren waren en dat het meeste draagvlak had. Daarbij heeft de Staat echter niet inzichtelijk gemaakt wie van de beroepsgroep daarvoor zijn benaderd en wie vanuit de beroepsgroep daarbij was vertegenwoordigd. Nu het rapport van Bureau Haagse Beek niet is overgelegd, ontbreekt het de rechtbank aan inzicht hierin.

Voor het verkrijgen van een NVJ-perskaart is het noodzakelijk dat een journalist lid is van de NVJ. De Staat heeft nog gewezen op de omstandigheid dat voor het verkrijgen van een politieperskaart een lidmaatschap van de NVJ niet noodzakelijk is. Echter voor de politieperskaart gelden andere beperkende voorwaarden zoals werken voor een massamedium en de noodzaak dat de journalist zich voor de werkzaamheden begeeft achter politieafzettingen. Hiermee is de politieperskaart geen redelijk en werkbaar alternatief voor de NVJ-perskaart. Dit wordt niet anders omdat kennelijk, zoals de Staat heeft aangevoerd, één journalist die met name als rechtbankverslaggever actief is wel een politieperskaart heeft gekregen. Daarmee wordt de politieperskaart niet toegankelijk voor diegenen die geen lid zijn van de NVJ of daarvan geen lid willen of kunnen zijn. Hetzelfde geldt voor de omstandigheid dat iemand een politieperskaart kan ontvangen als hij of zij niet aan de voorwaarden voldoet, als aanleiding bestaat om tot verstrekking van een politieperskaart over te gaan. Dit is te vaag om te gelden als werkbaar alternatief voor de NVJ-perskaart. Een ook genoemde uitzondering is een perskaart voor Young Professionals, maar daarvoor geldt een leeftijdseis.

De IFJ-perskaart is bestemd voor journalisten om zich te identificeren als journalist in risico- en conflictgebieden in het buitenland. Bovendien geldt ook voor deze perskaart dat een journalist lid moet zijn van de NVJ, waarbij moet zijn voldaan aan de voorwaarden voor het verkrijgen van een NVJ-perskaart. De laatste in artikel 2.1. van de Persrichtlijn 2025 genoemde accreditatiemogelijkheid is het lidmaatschap van de BPV. Dit lidmaatschap is bestemd voor journalisten die voor buitenlandse media in Nederland werkzaam zijn en op grond daarvan niet voor iedereen in Nederland toegankelijk.

Naast het verplichte lidmaatschap geldt als voorwaarde voor het verkrijgen van een NVJ-perskaart dat de journalist ofwel een arbeidsovereenkomst heeft en ten minste 16 uur per week werkt ofwel als zelfstandige op jaarbasis ten minste drie kwart van het minimumloon verdient en het grootste gedeelte van zijn/haar tijd aan journalistieke werkzaamheden besteedt. De Staat heeft tijdens de mondelinge behandeling toegelicht waarom het van belang is dat een journalist voor het mogen gebruik maken van de persfaciliteiten aan deze voorwaarden voldoet. Hij heeft gezegd dat het zijn van journalist een vak is, en daarbij weer gewezen op de eisen die aan een journalist kunnen worden gesteld zoals ook de EHRM die heeft geformuleerd. Volgens de Staat is sprake van een vak als je er ten minste een deel van je brood mee verdient, waardoor het stellen van de voorwaarden redelijk is en valt binnen de ‘margin of appreciation’. Dit is voorts een meetbaar en objectief criterium, aldus de Staat.

[eiser 1] heeft tijdens de mondelinge behandeling gezegd dat hij een aanvraag heeft gedaan bij de NVJ voor een perskaart, maar dat deze aanvraag is afgewezen. Daarbij heeft de NVJ er volgens [eiser 1] op gewezen dat de NVJ geen uitzonderingen toestaat op de inkomenseis. De Staat heeft dit bij gebrek aan wetenschap ontkend. De Staat heeft echter (a) niet toegelicht welke procedure geldt bij de NVJ voor het aanvragen van perskaarten in het kader van de Persrichtlijn 2025, (b) niet inzichtelijk gemaakt of en welke afspraken met de NVJ zijn gemaakt over de verantwoordelijkheden die bij de NVJ zijn neergelegd wat betreft de toegang tot de persfaciliteiten van de gerechten en (c) ook niet inzichtelijk gemaakt of en wanneer de NVJ een uitzondering maakt op haar voorwaarden voor het verkrijgen van een NVJ-perskaart in het kader van de toegang tot de persfaciliteiten. Zij heeft alleen aangevoerd dat maatwerk mogelijk is als dit vereist is. Daardoor ontbreekt het de rechtbank aan inzicht in de wijze waarop en de voorwaarden aan de hand waarvan de NVJ haar verantwoordelijkheden ten aanzien van de voorgeschreven perskaarten uitoefent.

De Staat heeft tijdens de mondelinge behandeling nog gezegd dat iemand die niet over een voorgeschreven perskaart beschikt, maar wel in het kader van een rechtszaak van een van de faciliteiten als genoemd in artikel 4 van de Persrichtlijn 2025 gebruik wil maken, de afdeling voorlichting van een gerecht kan vragen zijn of haar vraag aan de betreffende rechter voor te leggen. Nog afgezien van het antwoord op de vraag of dit thans in de praktijk haalbaar is en wordt uitgevoerd, vormt dit, zonder een nadere invulling die de rechter handvatten geeft om hierover een beslissing te nemen, in ieder geval niet een duidelijke en reële, maar juist een bewerkelijke route voor het verkrijgen van toegang tot de persfaciliteiten.

De rechtbank concludeert dat de gerechten de verantwoordelijkheid voor de toegang tot de persfaciliteiten hebben neergelegd bij de grootste beroepsorganisatie van journalisten zonder inzichtelijk te maken hoe hij tot deze keuze is gekomen en zonder inzichtelijk te maken hoe deze beroepsorganisatie met deze verantwoordelijkheden omgaat. En zonder een reële mogelijkheid te geven hiervan af te wijken. Daardoor wordt eenieder die toegang wil hebben tot de persfaciliteiten van de gerechten in feite gedwongen lid te worden van deze beroepsorganisatie. Daarbij worden onder meer voorwaarden gesteld inzake inkomen en/of tijdsbesteding. Gelet op de toelichting van de Staat tijdens de mondelinge behandeling (zie onder 5.21.) sluit de rechtbank niet uit dat het moeten voldoen aan bepaalde voorwaarden inzake inkomen en/of tijdbesteding een redelijke manier kan zijn om te komen tot een initiële afbakening van de groep van personen die van de persfaciliteiten gebruik mag maken, omdat het, zoals de Staat aanvoert, een objectief en meetbaar criterium is. Zoals ook uit de hierboven geciteerde overweging van het CBb blijkt, is de bescherming in het kader van artikel 10 lid 1 EVRM in dit verband echter gericht op de sociale functie van degenen die bijdragen aan het publiek debat. Dat een criterium voor accreditatie zoals het hebben van een voorgeschreven perskaart en daarmee het voldoen aan voorwaarden inzake inkomen en/of tijdsbesteding objectief en meetbaar is, is weliswaar belangrijk, maar als dat het enige criterium is, te beperkend. Een criterium dat is gebaseerd op inkomen en tijdsbesteding of het bestaan van een arbeidsovereenkomst, sluit namelijk onterecht bepaalde andere personen die bijdragen aan het publiek debat uit.

Er moet dan ook in ieder geval een voldoende duidelijke en reële mogelijkheid zijn om van dergelijk soort voorwaarden af te wijken, bijvoorbeeld voor gevallen waarin iemand niet aan bepaalde inkomens- of tijdsbestedingseisen voldoet, maar wel aantoonbaar activiteiten verricht die worden beschermd door de vrije nieuwsgaring zoals bedoeld in artikel 10 EVRM en daarbij relevante journalistieke waarden en normen naleeft. Ondanks dat uit de voorwaarden voor de NVJ-perskaart blijkt dat de NVJ een uitzondering kan maken op de door haar gestelde voorwaarden, is het voor de rechtbank niet inzichtelijk geworden of de NVJ gebruikmaakt van deze bevoegdheid en indien dat zo is, in welke omstandigheden zij die uitzonderingen toestaat. Voor zover de Persrichtlijn 2025 de beslissing over uitzonderingen per individuele zaak bij de rechter neerlegt, is dit, zonder een nadere invulling hiervan, in ieder geval een onvoldoende duidelijke en onvoldoende reële mogelijkheid tot afwijken.

Door het op deze manier aan de NVJ uitbesteden van de keuze wie gebruik kan maken van de persfaciliteiten onder de Persrichtlijn 2025, komt de traditionele groep van journalisten voor accreditatie in aanmerking en lijkt de groep van personen die bijvoorbeeld als actieve burger, blogger of vlogger bijdragen aan het publieke debat hiervoor niet in aanmerking te komen. Dit terwijl ook zij een bepaalde ‘public watchdog’ functie vervullen. De Staat heeft aangevoerd dat het wenselijk is dat de gerechten geen invloed hebben wie tot de persfaciliteiten wordt toegelaten. Kennelijk willen de gerechten in het verander(en)de medialandschap, welke verandering er toe heeft geleid dat de drempel tot het verrichten van journalistieke werkzaamheden heel laag is geworden, hierover geen oordeel geven. Daarbij miskent de Staat echter dat de gerechten wel de verantwoordelijkheid dragen voor de wijze waarop zij het recht op vrije nieuwsgaring in samenhang met de openbaarheid van rechtspraak inperken.

Conclusie

De conclusie is dat de in artikel 2.1. van de Persrichtlijn 2025 opgenomen accreditatievoorwaarden een legitiem doel dienen, maar dat niet kan worden geoordeeld dat de accreditatievoorwaarden noodzakelijk zijn in een democratische samenleving om dit legitieme doel te dienen. Daarmee zijn de accreditatievoorwaarden in strijd met artikel 10 EVRM en daardoor onrechtmatig en onverbindend.

Publicatie van beslissingen

In de Persrichtlijn 2013 was opgenomen dat in het geval de rechter een verzoek van een journalist om beeld- en geluidsopnamen van de zitting te maken afwijst, de beslissing en bijbehorende motivering op rechtspraak.nl wordt gepubliceerd. Deze bepaling ontbreekt in de Persrichtlijn 2025. De VVJ c.s. betogen dat dit problematisch is, omdat het afbreuk doet aan de transparantie over de wijze waarop de Persrichtlijn 2025 wordt toegepast. Zij doen daarbij een beroep op artikel 6 EVRM. Zij stellen er een zelfstandig belang bij te hebben dat de uitoefening van een bevoegdheid die de openbaarheid van de rechtszittingen beperkt transparant en controleerbaar is.

De Persrichtlijn 2025 heeft geen betrekking op de openbaarheid van zittingen, maar heeft alleen betrekking op de persfaciliteiten van de gerechten en wie daarvan gebruik kan maken. Als bijvoorbeeld wordt besloten dat een zitting niet mag worden gefilmd of dat daarvan niet rechtstreeks verslag mag worden gedaan via social media, betreft dat besluit dan ook niet de openbaarheid van de zitting als bedoeld in artikel 6 EVRM. Immers ook in dat geval kan pers bij de zitting aanwezig zijn en hiervan verslag uitbrengen. De rechten die journalisten in het kader van artikel 10 EVRM hebben wat betreft zittingen moeten weliswaar mede worden beoordeeld in het licht van de openbaarheid van de rechtspraak als bedoeld in artikel 6 EVRM, maar dat betekent niet dat een besluit om bepaalde faciliteiten in de zittingzaal niet toe te staan, zelfstandig een inbreuk vormt op artikel 6 EVRM.

In het petitum hebben de VVJ c.s. nog gewezen op een aantal andere artikelen dan artikel 6 EVRM waarmee de Staat in strijd zou handelen door het niet langer publiceren van afwijkingsbeslissingen. Noch in het lichaam van de dagvaarding noch tijdens de mondelinge behandeling hebben de VVJ c.s. dit nader toegelicht. Daarom gaat de rechtbank hieraan voorbij.

Gelet op dit een en ander kan niet worden geconcludeerd dat de Staat handelt in strijd met artikel 6 EVRM door niet meer in de Persrichtlijn 2025 te bepalen dat de rechter die een verzoek van een journalist om beeld- en geluidsopnamen van de zitting te mogen maken afwijst, deze beslissing en bijbehorende uitspraak op rechtspraak.nl moet motiveren.

Primaire vordering van de VVJ c.s.

De VVJ maakt zich volgens de doelomschrijving in haar statuten sterk voor de persvrijheid in de brede zin van het woord. Daarmee is zij ontvankelijk in de primaire en subsidiaire vorderingen.

De VVJ c.s. hebben primair gevorderd dat de Persrichtlijn 2025 buiten werking moet worden gesteld. De VVJ c.s. hebben dit gedeelte van hun vordering onvoldoende toegelicht. Zij hebben de onrechtmatigheid van de accreditatievoorwaarden uitgebreid behandeld, maar niet toegelicht waarom dit als gevolg moet hebben dat de hele Persrichtlijn 2025 buiten werking moet worden gesteld.

De Persrichtlijn 2025 bevat in artikel 4 regels over tekstberichten, tekeningen, foto’s en beeld- en geluidsopnamen tijdens de zitting, in artikel 5 regels over uitspraken en in artikel 6 regels over de informatievoorziening voor de pers. Tegen deze regels hebben de VVJ c.s. geen bezwaren geuit. Tijdens de mondelinge behandeling hebben de VVJ c.s. ook erkend dat de privacybelangen van procesdeelnemers, hun veiligheid en het recht op een eerlijk proces legitiem zijn en dat enige regulering van persfaciliteiten geoorloofd is. Daarbij hebben zij alleen tegen de in artikel 2.1. opgenomen accreditatievoorwaarden bezwaar gemaakt. Gelet op de overige inhoud van de Persrichtlijn 2025 had het wel op de weg van de VVJ c.s. gelegen om hun vordering in zake het buiten toepassing verklaren van de hele Persrichtlijn 2025 nader toe te lichten. Alleen de omstandigheid dat artikel 2.1. van de Persrichtlijn 2025 in strijd is met artikel 10 EVRM is daarvoor onvoldoende. Gelet op dit een en ander zal de rechtbank de primaire vordering van de VVJ c.s. afwijzen.

Subsidiaire vordering over de accreditatievoorwaarden

De VVJ c.s. vorderen subsidiair de verklaring voor recht dat de Persrichtlijn 2025, wat betreft de in artikel 2.1. opgenomen accreditatieprocedure onverbindend of onrechtmatig is. De rechtbank heeft onder 5.27. geoordeeld dat de accreditatievoorwaarden in de Persrichtlijn 2025 in strijd zijn met artikel 10 EVRM. Dit betekent dat de gevorderde verklaring voor recht op dit punt kan worden toegewezen.

Gelet op dit oordeel hoeven de overige bezwaren van de VVJ c.s. tegen de accreditatievoorwaarden niet te worden behandeld. Voorts ziet de rechtbank, gelet op dit oordeel en overigens ook gelet op de omstandigheid dat de VVJ c.s. in haar spreekaantekeningen hierop is ingegaan, geen aanleiding om de VVJ c.s. in de gelegenheid te stellen nog schriftelijk te reageren op de namens de Staat overgelegde productie 1 (zie 2.1.13.).

Subsidiaire vordering over afwijkingsbeslissingen

De rechtbank heeft onder 5.31. geoordeeld dat niet kan worden geconcludeerd dat de Staat handelt in strijd met artikel 6 EVRM door het laten vervallen van de verplichting om afwijkingsbeslissingen te publiceren. De VVJ c.s. hebben niet toegelicht waarom sprake is van strijd met de overige in hun petitum genoemde artikelen. Dit een en ander betekent dat de rechtbank de gevorderde verklaring voor recht op dit punt zal afwijzen.

Proceskosten in de hoofdzaak

De Staat is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de VVJ c.s. worden begroot op:

- kosten van de dagvaarding

148,04

- griffierecht

714,00

- salaris advocaat

1306,00

(2 punten × € 653,00)

- nakosten

189,00

(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

23.57,04

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

In het incident

Provisionele vordering over toepassing Persrichtlijn 2013

De VVJ c.s. hebben een provisionele vordering ingesteld inhoudende de veroordeling van de Staat om de VVJ c.s. voor de duur van de bodemprocedure, onder de voorwaarden van de Persrichtlijn 2013 als journalist toe te laten tot zittingen in de gerechtsgebouwen in Nederland en tot de voor de pers beschikbare informatie en faciliteiten. Zij leggen aan deze vordering ten grondslag dat ze willen dat de Persrichtlijn 2025 voor de duur van de procedure onverbindend wordt verklaard, opdat voor hen de Persrichtlijn 2013 onverkort blijft gelden. Zij hebben hierbij een spoedeisend belang omdat zij onder de Persrichtlijn 2025 hun werk als journalist/filmer van zittingen niet meer kunnen uitoefenen en daardoor al een deel van hun inkomsten/donaties hebben verloren, aldus nog steeds de VVJ c.s.

De VVJ is niet ontvankelijk in dit gedeelte van de provisionele vordering. Deze vordering komt erop neer dat de rechtbank de Staat moet veroordelen journalisten toegang te verlenen tot de persfaciliteiten van de gerechten. Als vereniging kan de VVJ deze vordering niet instellen.

De rechtbank overweegt dat zij een eindvonnis zal wijzen, waardoor [eiser 1] en [eiser 2] in principe geen belang meer hebben bij de provisionele vordering. Voor zover zij wel een belang hebben, omdat de procedure met het vonnis van de rechtbank pas is geëindigd als het vonnis in kracht van gewijsde is gegaan, oordeelt de rechtbank als volgt.

De Persrichtlijn 2013 geldt niet meer. Het oordeel van de rechtbank dat de accreditatievoorwaarden in artikel 2.1. van de Persrichtlijn 2025 onrechtmatig zijn, betekent niet dat de Persrichtlijn 2013 of de daarin opgenomen accreditatievoorwaarden dus herleven. Tegen deze achtergrond hebben [eiser 1] en [eiser 2] onvoldoende toegelicht op welke wijze en onder welke voorwaarden zij gedurende de looptijd van de procedure toegang moeten krijgen tot de persfaciliteiten van de gerechten. Hoe en of deze toegang kan worden verkregen als het vonnis in kracht van gewijsde is gegaan, is ook niet duidelijk. Het is niet aan de rechtbank de voorwaarden hiervoor in te vullen, maar aan de gerechten en aan de rechters, of het is aan partijen hierover in deze procedure standpunten in te nemen die de rechtbank dan kan toetsen. Dit laatste hebben [eiser 1] en [eiser 2] , door alleen te wijzen op de Persrichtlijn 2013 die niet meer van toepassing is, nagelaten. De rechtbank zal dan ook dit gedeelte van de provisionele vordering van [eiser 1] en [eiser 2] afwijzen.

Provisionele vordering over de verklaring voor recht

De VVJ c.s. vorderen voorts na wijziging van eis de verklaring voor recht dat door niet tijdig op de provisionele vordering te beslissen, het recht op toegang tot de rechter en het recht op tijdige effectieve rechtsbescherming is geschonden. Dit gedeelte van de provisionele vordering wijst de rechtbank af. Het betreft een vordering die niet samenhangt met de bij de dagvaarding tegen de Staat ingestelde vorderingen. Het betreft immers de beslissing van de rechtbank Den Haag om de door de VVJ c.s. gevraagde mondelinge behandeling van de provisionele vordering tegelijk te laten plaatsvinden met de mondelinge behandeling van de hoofdzaak. Voorts hebben de VVJ c.s. deze vordering pas kort voor de mondelinge behandeling zonder enige toelichting ingediend als provisionele vordering. Tijdens de mondelinge behandeling hebben de VVJ c.s. wel melding gemaakt van deze vordering en deze gepresenteerd als derde vordering in de hoofdzaak, naast de eerder al ingediende vorderingen in de hoofdzaak. Maar ook tijdens de mondelinge behandeling was de toelichting heel kort. Dit gedeelte van de vordering van de VVJ c.s. is dan ook in strijd met de goede procesorde te laat ingediend en bovendien niet gemotiveerd, terwijl de vordering niet samenhangt met het bij dagvaarding aanhangig gemaakte geschil. Aan een inhoudelijke behandeling ervan komt de rechtbank dan ook niet toe. Zij zal ook dit gedeelte van de vordering van de VVJ c.s. afwijzen.

Proceskosten in het incident

De VVJ c.s. is in het incident in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de Staat worden begroot op:

- salaris advocaat

326,50

(1/2 punt × € 653,00)

- nakosten

189,00

(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

515,50

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

6. De beslissing

De rechtbank:

In het incident

verklaart de VVJ niet ontvankelijk in de provisionele vordering tot het toelaten als journalist tot zittingen in de gerechtsgebouwen;

wijst voor het overige de vorderingen af;

veroordeelt de VVJ c.s. in de proceskosten van € 515,50 te betalen binnen te binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98 plus de kosten van betekening als de VVJ c.s. niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend;

veroordeelt de VVJ c.s. tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;

verklaart de proceskostenveroordeling onder 6.3. en 6.4. uitvoerbaar bij voorraad;

In de hoofdzaak

verklaart voor recht dat de accreditatievoorwaarden als opgenomen in artikel 2.1. van de Persrichtlijn 2025 onrechtmatig en onverbindend zijn wegens strijd met artikel 10 EVRM;

veroordeelt de Staat in de proceskosten van € 2.357,04, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98 plus de kosten van betekening als de Staat niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;

veroordeelt de Staat tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;

verklaart de proceskostenveroordeling onder 6.7 en 6.8 uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.C. Bordes, mr. J.B.J. Hoefnagel en mr. O.L. van Daalen en in het openbaar uitgesproken op 13 mei 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand