[vreemdeling], eiser,
V-nummer: 2968781347
(gemachtigde: mr. M. Rasul),
en
het bestuur van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers, het COa,
alsmede
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
(gemachtigde: drs. B.A. Wezeman).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank twee beroepen. Het eerste beroep van eiser is gericht tegen het besluit van het COa van 20 februari 2026. In dat besluit heeft het COa besloten om eiser vanaf 20 februari 2026 in de HTL in Hoogeveen te plaatsen (hierna: het plaatsingsbesluit). Het tweede beroep van eiser richt zich tegen het besluit van de minister van 20 februari 2026 om hem een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 56 van de Vw op te leggen (hierna: de vrijheidsbeperkende maatregel). De rechtbank merkt het beroep ook aan als een verzoek om schadevergoeding.
Eiser heeft op 12 maart 2026 beroepsgronden ingediend, waarop het COa op 26 maart 2026 een verweerschrift heeft ingediend.
De rechtbank heeft de beroepen op 30 april 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door mr. M. Pater, als waarnemer van zijn gemachtigde. Ook is een tolk verschenen. De minister en het COa hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek in beide zaken op de zitting gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
2. De beroepen zijn ongegrond. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt, dat het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen en dat eiser ook geen vergoeding krijgt in de proceskosten. Hierna legt de rechtbank hoe zij tot dit oordeel komt.
Het beroep tegen het plaatsingsbesluit
De feitelijke verslaglegging van het incident
3. In de verslaglegging van het COa staat over het incident het volgende. Op 17 februari 2026 ging eiser omstreeks 13:45 uur naar de informatiebalie, waar hij eiste om de casemanager te spreken. Nadat COa-medewerker K uitlegde dat een gesprek zou worden ingepland, verhief eiser zijn stem en begon hij met sterke armgebaren te communiceren. Eiser drong aan om direct een gesprek te hebben met de casemanager, begon te eisen dat zijn documenten opgehaald zouden worden en dat het COa voor vervoer naar de locatie moest zorgen. Na meerdere pogingen om eiser te helpen, werd besloten dat eiser de informatiebalie moest verlaten. Eiser liep vervolgens luid schreeuwend door de gangen en bleef zijn klacht herhalen dat COa zijn rechten niet verleende. Eiser schreeuwde naar medewerkers en trok de aandacht van andere bewoners. Vervolgens liep eiser terug naar de receptie en eiste hij dat hij direct met de IND moest bellen. Trigion werd hierbij door eiser aangesproken op een dreigende en eisende manier, wat als intimiderend werd ervaren. Toen COa-medewerker K besloot om eiser naar de spreekkamer te begeleiden, liep eiser op COa-medewerker K af, kwam in haar persoonlijke ruimte en wees hij met zijn vinger in haar gezicht. Eiser riep dat COa-medewerker K hem van al zijn rechten beroofde en maakte dreigende armbewegingen tot op vijf centimeter afstand van haar gezicht. Toen BASE-medewerker 1 en DJI-medewerker 1 hun hand op de schouder van eiser legden om hem te begeleiden naar de spreekkamer, reageerde eiser agressief door met zijn armen te zwaaien richting hun gezichten. BASE-medewerker 1 en DJI-medewerker 1 moesten eiser stevig vasthouden om hun eigen veiligheid te waarborgen, maar eiser verzette zich hevig. Eiser bleef met zijn armen zwaaien en gebruikte zijn schouders om zich los te maken. Door het gewiebel met zijn armen ontsnapte eiser, waardoor hij bijna het gezicht van BASE-medewerker 1 raakte. Eenmaal in de spreekkamer probeerde COa-medewerker K opnieuw met eiser in gesprek te gaan, maar eiser bleef schreeuwen en wilde niet luisteren. Eiser draaide zich om en zei tegen DJI-medewerker 1 dat hij hem zou pakken en dat hij zou zien wat er met hem zou gebeuren. DJI-medewerker 1 negeerde dit, maar eiser herhaalde zijn bedreigingen. Na 15 minuten werd eiser rustig en mocht hij de spreekkamer verlaten.
4. Eisers beroepsgrond dat de weergegeven feiten niet juist zijn en dat deze daardoor niet aan het plaatsingsbesluit ten grondslag kunnen worden gelegd, slaagt niet. De enkele niet onderbouwde stelling van eiser dat hij ten onrechte als agressief persoon met mentale problemen is neergezet en hij niet dreigend en agressief is geweest richting de medewerkers, acht de rechtbank onvoldoende om te twijfelen aan de door het COa geschetste gang van zaken. Uit de verslaglegging volgt duidelijk dat eiser verbale en fysieke agressie vertoonde door te schreeuwen, dreigende opmerkingen te maken, dreigende armbewegingen te maken en in de persoonlijke ruimte van de medewerkers te komen. Deze feiten zijn door een COa-medewerker, een medewerker van de Dienst Justitiële Inrichting, vier medewerkers van de beveiliging en een programmabegeleider waargenomen. Pogingen om rustig in gesprek te gaan met eiser lukten niet. De rechtbank ziet in wat eiser naar voren brengt geen aanknopingspunten voor twijfel aan de verklaringen van verscheidene mederwerkers zoals in de verslaglegging is weergegeven. De rechtbank volgt eiser dus niet in zijn niet nader onderbouwde stelling dat slechts sprake was van een woordenwisseling. Ook is de zienswijze van eiser bij de totstandkoming van het plaatsingsbesluit betrokken, waardoor de lezing van eiser over de feiten voldoende is onderzocht en er derhalve geen sprake is van strijd met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel. De rechtbank is derhalve van oordeel dat het voldoende aannemelijk is dat de gedragingen zoals door het COa beschreven, zich hebben voorgedaan.
De impact van het incident
5. De rechtbank is verder van oordeel dat het COa, zich op juiste wijze baserend op paragraaf 4.1. van het het Maatregelenbeleid, het incident terecht heeft gekwalificeerd als een incident met een grote impact, nu eiser met zijn gedrag als doel had de ander te bedreigen en de ander fysieke schade toe te brengen. Uit van de feitelijke verslaglegging van het COa volgt immers dat eiser verbale agressie toonde richting de medewerkers alsmede zwaaiende armbewegingen maakte in de persoonlijke ruimte en het gezicht van de medewerkers. Het dreigende gedrag van eiser leidde tot de noodzaak om meerdere medewerkers in te schakelen voor het veilig begeleiden van eiser. Het schreeuwen en dreigen zorgde voor een verstoorde werkomgeving en een onveilig gevoel bij de medebewoners. Eisers betoog dat uit de beschrijving van het incident niet blijkt dat hij daadwerkelijk fysiek geweld heeft gebruikt, treft geen doel, nu dit gelet op de omschrijving van een incident met een grote impact in paragraaf 4.1. van het Maatregelenbeleid geen voorwaarde is.
Belangenafweging
6. De rechtbank is van oordeel dat het COa, in overeenstemming met het Maatregelenbeleid en voldoende deugdelijk gemotiveerd, heeft besloten tot oplegging van het plaatsingsbesluit. De rechtbank acht hierbij van belang dat uit de chronologische volgorde van incidenten en maatregelen, die als bijlage 1 aan het plaatsingsbesluit is bijgevoegd, blijkt dat eiser vóór jet onderhavig incident in de periode tussen 2 juli 2026 en 5 november 2025, meerdere incidenten heeft veroorzaakt waarbij verschillende lichtere maatregelen zijn toegepast. Zo is er een waarschuwing opgelegd, heeft er een correctiegesprek plaatsgevonden en heeft eiser meerdere keren een time-out en ROV-maatregelen opgelegd gekregen. Het verweer dat er sprake is van enige tijdsverloop tussen het laatste incident in november 2025 en onderhavig incident, treft geen doel, nu er sprake is van een herhaalpatroon in het gedrag van eiser en hij geen gedragsverbetering heeft laten zien. Gelet op het incident en het onveranderde gedrag van eiser, heeft het COa daarom terecht geen lichter middel aan eiser opgelegd. De verwijzing van eiser naar de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 16 mei 2024 gaat niet op, omdat het hier geen gelijke gevallen betreft. In die uitspraak betrof het een vreemdeling die al twee jaar in de opvang van het COa verbleef en nooit incidenten van enige betekenis had veroorzaakt. Deze beroepsgrond slaagt niet.
De rechtbank overweegt dat de plaatsing van eiser in de HTL niet disproportioneel is geweest en dat dat de door eiser aangevoerde omstandigheden geen contra-indicatie vormen voor het opleggen van het plaatsingsbesluit. Op de zitting heeft eiser de grond dat zowel het plaatsingsbesluit als de vrijheidsbeperkende maatregel vanaf het moment van oplegging onrechtmatig zijn door het ontbreken van een GZA-akkoord, ingetrokken. Vast staat dat dit akkoord is gegeven.
Onbevoegd geweld en schending van artikel 8 EVRM
7. De rechtbank stelt vast dat in het geval van eiser niet is aangevoerd en niet is vastgesteld dat er bij zijn binnenkomst dwangmiddelen zijn toegepast door COa-medewerkers of boa’s. De rechtbank ziet zich om die reden niet genoodzaakt een oordeel te vellen over de mogelijke toepassing van dwangmiddelen door boa’s bij binnenkomst in de HTL en ziet hierin ook geen reden om de plaatsing in de HTL in het geval van eiser onrechtmatig te achten.
Verder overweegt de rechtbank dat zij al eerder geoordeeld heeft dat op basis van het Inspectierapport van 12 oktober 2022 en de beleidsreactie hierop van 13 oktober 2022, niet kan worden geconcludeerd dat de leefbaarheid en veiligheid in de HTL zodanig is dat de opvang die wordt geboden in strijd is met artikel 3 of artikel 8 van het EVRM. Op 16 februari 2024 heeft deze rechtbank en zittingsplaats in haar uitspraak daaraan toegevoegd geen aanleiding te zien om hier, in het licht van het Inspectierapport van 27 maart 2023 en de hierop volgende beleidsreactie van 5 april 2023, anders over te oordelen. Alhoewel het mogelijk is dat plaatsing in specifieke gevallen onrechtmatig kan zijn, is dat in het onderhavige geval en bij gebrek aan onderbouwing zeker niet het geval. De rechtbank weegt daarbij ook nadrukkelijk de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State mee. In de verwijzing naar een andere uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, ziet de rechtbank geen aanleiding voor een ander oordeel.
8. Het beroep gericht tegen het plaatsingsbesluit is ongegrond.
Het beroep tegen de vrijheidsbeperkende maatregel
9. Eiser heeft in dit kader geen zelfstandige beroepsgronden aangevoerd.
Omdat het beroep tegen het plaatsingsbesluit ongegrond is, de vrijheidsbeperkende maatregel volledig steunt op dat besluit en de rechtbank ambtshalve toetsend geen onrechtmatigheden vaststelt, zal de rechtbank het beroep tegen de vrijheidsbeperkende maatregel ook ongegrond verklaren.
Conclusie en gevolgen
10. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en dat het COa het besluit tot plaatsing in de HTL en de minister de vrijheidsbeperkende maatregel mochten nemen.
Eisers verzoek om schadevergoeding wordt gezien het voorgaande afgewezen. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. van Waterschoot, rechter, in aanwezigheid van R. de Hoop, griffier, op 11 mei 2026 en gepseudonimiseerd gepubliceerd op rechtspraak.nl.
de griffier de rechter
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Tegen deze uitspraak, voor zover het betreft het beroep tegen het plaatsingsbesluit, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking. Tegen deze uitspraak, voor zover het betreft het beroep tegen de vrijheidsbeperkende maatregel, staat geen rechtsmiddel open.