RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.15282
(gemachtigde: mr. D. Schaap),
en
(gemachtigde: mr. X.R. Schuitemaker).
Procesverloop
Verweerder heeft op 29 december 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd en heeft voorafgaand aan de zitting aan eiser een schadevergoeding aangeboden.
Eiser heeft hierop gereageerd en is daarbij niet ingegaan op het aanbod van een schadevergoeding.
Verweerder heeft op 16 maart 2026 de maatregel van bewaring opgeheven.
De rechtbank heeft het beroep op 1 april 2026 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Toetsingskader
1. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 19 januari 2026 (in de zaak NL25.64098) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek op 14 januari 2026.
Onrechtmatig voortduren van de maatregel
3. Eiser stelt dat de door verweerder aangeboden schadevergoeding onvoldoende is. Volgens eiser, en met verwijzing naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 5 maart 2026, ECLI:EU:C:2026:148 (het arrest Aroja), moeten zijn eerdere periodes van bewaring worden meegeteld bij de schadevergoeding, omdat deze in de vorige berekening zijn verwaarloosd. Eiser betoogt dat de schadevergoeding in verband met de vorige bewaringsmaatregel, welke op 29 december 2025 werd opgeheven, onjuist is berekend. Daarbij werd namelijk uitgegaan van een termijn vanaf 26 juni 2025. Uit het Aroja-arrest blijkt echter dat ook de voorgaande bewaringstrajecten van eiser in de berekening moeten worden meegenomen. Hierdoor heeft het omzetten van de bewaringsmaatregel op 29 december 2025 niet 8 dagen te laat plaatsgevonden, maar 58 dagen, gerekend vanaf eisers eerste inbewaringstelling op 11 april 2025. Daarnaast stelt eiser dat de termijn van zes maanden, waarbinnen een verlengingsbesluit had moeten worden genomen, al op 2 november 2025 verstreken was. Het besluit van verweerder om de bewaring te verlengen, dat werd genomen met een termijn die tot 22 december 2025 zou duren, is derhalve veel te laat genomen. Gelet op het bovenstaande is eiser van mening dat de onderhavige bewaringsmaatregel van meet af aan onrechtmatig is geweest. Eiser meent daarom dat de schadevergoeding voor de gehele te toetsen periode moet worden toegekend en niet slechts vanaf 11 maart 2026. Voor zover het verlengingsbesluit in rechte vast zou staan, verwijst eiser naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 18 februari 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:925) en stelt dat, omdat het besluit onmiskenbaar onjuist is ten aanzien van het Unierecht, ook dit onherroepelijke besluit herzien moet worden.
4. De rechtbank stelt vast dat de Afdeling op 6 februari 2026, uitspraak heeft gedaan op het hoger beroep van eiser ten aanzien van het verlengingsbesluit (ECLI:NL:RVS:2026:656). De Afdeling heeft het verlengingsbesluit en de daaropvolgende maatregelen van bewaring niet vernietigd, ondanks het feit dat het verlengingsbesluit te laat zou zijn genomen. Dat verlengingsbesluit staat dan ook in rechte vast. De rechtbank volgt eiser niet in zijn verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 18 februari 2026. Die uitspraak ziet op een wezenlijk andere situatie en rechtsgebied. In het onderhavige geval er reeds uitspraak is gedaan in hoger beroep over het relevante besluit en het verlengingsbesluit, alleen gelet op het verlopen van het zesmaandentermijn, kan niet zonder meer onmiskenbaar onrechtmatig worden geacht. Het onrechtmatig voortduren van de maatregel voorafgaand aan de te toetsen periode en tevens ook de (on)rechtmatigheid van het verlengingsbesluit vallen buiten de reikwijdte van het onderhavige beroep. Naar het oordeel van deze rechtbank en zittingsplaats moet het verlengingsbesluit jegens eiser dan ook rechtmatig worden geacht, en bestaat geen andere aanleiding voor het oordeel dat het voortduren van de onderhavige maatregel van meet af aan onrechtmatig is geweest.
5. De rechtbank stelt verder vast dat niet in geschil is dat het omzetten van de maatregel te laat heeft plaatsgevonden, en dat het voortduren van de bewaring daarom vanaf 11 maart 2026 onrechtmatig is geweest. De rechtbank zal het beroep daarom gegrond verklaren en een schadevergoeding toekennen.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is gegrond en de maatregel is met ingang van 11 maart 2026 onrechtmatig geweest.
7. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 6 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vrijheidsontnemende maatregel van 6 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 720,-.
8. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 720,-, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,00.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Hello, rechter, in aanwezigheid van F.S. Ulrich, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.