RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.16479
(gemachtigde: mr. C.F. Wassenaar),
en
(gemachtigde: Mr. J. van Dam).
Procesverloop
Bij besluit van 24 maart 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 1 april 2026 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.C. de Jong, als waarnemer voor zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Het voortraject
1. Eiser voert aan dat de ophouding op een onjuiste grondslag heeft plaatsgevonden. Uit het proces-verbaal van ophouding van 24 maart 2026 blijkt dat eiser is staande gehouden op grond van artikel 50, eerste lid, van de Vw 2000. Hierna is eiser overgenomen en opgehouden op grond van artikel 50, derde lid, van de Vw 2000. Beide artikelen zijn volgens eiser niet van toepassing, omdat voor aanvang van de ophouding al bekend was wat zijn identiteit was en dat hij een Dublinclaimant was.
2. Verweerder heeft ter zitting aangegeven dat de juiste grondslag voor de ophouding artikel 50a, eerste lid, van de Vw had moeten zijn. Dit is een gebrek in het voortraject. Het gebrek maakt de maatregel pas onrechtmatig als de met de maatregel gediende belangen niet in redelijke verhouding staan tot de ernst van het gebrek en de daardoor geschonden belangen. De rechtbank is van oordeel dat niet is gebleken dat eiser in zijn belangen is geschaad doordat een verkeerde grondslag voor de ophouding is aangekruist. De aan de verschillende grondslagen verbonden gevolgen zijn immers hetzelfde in artikel 50, derde lid, en artikel 50a, eerste lid, van de Vw. Gelet hierop bestaat er geen grond voor het oordeel dat de belangen die met de bewaring zijn gediend, niet in redelijke verhouding staan tot de ernst van het geconstateerde gebrek. De rechtbank zal verweerder vanwege het geconstateerde gebrek en het slagen van deze beroepsgrond, wel veroordelen in de proceskosten.
De ondertekening van de maatregel
3. Eiser voert aan dat hij de elektronische handtekening van de maatregel heeft gecontroleerd en heeft geconstateerd dat deze een uur later is getekend dan het moment dat staat aangegeven in de maatregel. Er is volgens eiser in dat geval geen sprake van een geldige uitreiking van de maatregel.
4. De rechtbank heeft ter zitting de elektronische handtekening gecontroleerd en vastgesteld dat deze overeenkomt met hetgeen in de maatregel is aangegeven. Dat er door technische redenen een uur later staat aangegeven in het bestand van eiser, is voor de rechtbank geen aanleiding om te oordelen dat de maatregel niet tijdig is getekend of uitgereikt. De beroepsgrond slaagt niet.
De bewaringsgronden
5. In de maatregel van bewaring heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, tweede, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
6. De verweerder heeft op de zitting lichte grond 4d laten vallen. Eiser betwist dat zware gronden 3a en 3k hem terecht zijn tegengeworpen. Ten aanzien van de zware grond 3a meent eiser dat dit hem niet kan worden tegengeworpen, nu hij eerder in een overdrachtstraject heeft gezeten en dit hem destijds ook is tegengeworpen. Aan deze grond moet daarom volgens eiser weinig gewicht worden toegekend. Ten aanzien van zware grond 3k stelt eiser dat onvoldoende blijkt dat deze grond feitelijk juist is, nu de Kmar slechts in één incident heeft vastgesteld dat eiser niet in staat was om met het vliegtuig overgedragen te worden. Verder blijkt niet uit het dossier dat eiser geen medewerking zou verlenen aan zijn overdracht.
7. De rechtbank overweegt als volgt. In het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling heeft eiser aangegeven zonder geldige reisdocumenten Nederland te zijn binnengekomen. Dat deze omstandigheid in het verleden ligt, doet naar het oordeel van de rechtbank niet af aan de feitelijke juistheid van deze grond. Verder blijkt uit het verslag van het vertrekgesprek van 4 maart 2026 dat eiser op 12 maart 2026 zou worden opgehaald en naar de luchthaven zou worden gebracht. Eiser kon, zo blijkt uit het annuleringsbericht van de vlucht, op het moment van vertrek niet op zijn benen staan, sloeg wartaal uit en leek onder invloed van medicatie, drugs of drank te verkeren. Eiser was onder deze omstandigheden niet in staat om deel te nemen aan zijn overdracht. De verklaring van eiser dat hij wel wilde meewerken en alleen kalmerende pillen had geslikt, volgt de rechtbank niet. Nog daargelaten dat eiser dit niet met stukken heeft onderbouwd, komt het nemen van sterke medicatie op de dag van zijn overdracht voor eisers eigen rekening en risico. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de Afdeling van 25 maart 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:829), waaruit volgt dat verweerder bij de zware gronden 3a en 3k kan volstaan met een toelichting dat deze gronden zich feitelijk voordoen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat zware grond 3k zich feitelijk voordoet.
8. De zware gronden 3a en 3k, in onderling verband en samenhang bezien, kunnen naar het oordeel van de rechtbank de maatregel van bewaring al dragen. Er vloeit namelijk uit voort dat er een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De bestreden lichte gronden behoeven gezien het voorgaande geen bespreking. De beroepsgrond slaagt niet.
Lichter middel
9. Eiser voert aan dat verweerder een lichter middel had kunnen opleggen. Hij betoogt in dat kader dat hij altijd heeft aangegeven mee te willen werken en dat de omstandigheid dat hij op het moment van zijn eerdere vlucht onder de invloed was daar niet aan af doet. Eiser stelt ook dat hij zich steeds heeft willen melden bij DT&V en dat ook vaak heeft aangegeven bij het COA. Daarnaast stelt eiser dat zijn uiterste overdrachtstermijn nog ver in de toekomst ligt en dat hij geen strafrechtelijk verleden heeft. Hij vindt het dan ook onterecht dat hij op basis van slechts één incident in bewaring is gesteld.
10. Bij de beantwoording van de vraag of verweerder met toepassing van een lichter middel had moeten volstaan, beoordeelt de rechtbank of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen andere afdoende maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Daarbij past een grondig onderzoek naar de feitelijke elementen van het concrete geval en een specifieke motivering van verweerder; verwijzing naar de bewaringsgronden volstaat daarvoor niet. De rechtbank wijst op de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 23 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:674) en 10 april 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:1309) en het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 5 juni 2014 (ECLI:EU:C:2014:1320, Mahdi).
11. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich, gelet op wat hierboven is geoordeeld over de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, terecht op het standpunt heeft gesteld dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Er zijn geen omstandigheden door eiser aangevoerd die zouden moeten leiden tot een andere conclusie. De rechtbank betrekt bij dit oordeel dat, zoals in rechtsoverweging 4 overwogen, de grond dat eiser geen medewerking verleent aan zijn overdracht terecht is tegengeworpen. Dat eiser eerder heeft aangegeven dat hij met DT&V wil vertrekken, doet er niet aan af dat hij niet in staat was om deel te nemen aan zijn overdracht. Ook de omstandigheid dat de uiterste overdrachtstermijn nog niet is verstreken, leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel. Dat de termijn voorlopig nog niet is verlopen, brengt niet met zich mee dat er ruimte is voor meerdere overdrachtspogingen als gevolg van de niet-meewerkende houding van eiser. Verder overweegt de rechtbank dat het risico op onttrekking, ondanks de afwezigheid van strafrechtelijke antecedenten, onverminderd aanwezig is. De beroepsgrond slaagt niet.
Ambtshalve toetsing
12. De rechtbank overweegt tot slot dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022 (ECLI:EU:C:2022:858), gehouden is ambtshalve de rechtsmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie en gevolgen
13. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
14. Vanwege het in rechtsoverweging 2 vastgestelde gebrek, veroordeelt de rechtbank verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;- wijst het verzoek om schadevergoeding af;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,00.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Hello, rechter, in aanwezigheid van F.S. Ulrich, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.