ECLI:NL:RBDHA:2026:11528

ECLI:NL:RBDHA:2026:11528

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 14-04-2026
Datum publicatie 12-05-2026
Zaaknummer 26.17759
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Samenvatting

Bewaring, 59b, zware en lichte gronden, lichter middel.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [nummer] , eiser

de minister van Asiel en Migratie, de minister.

Zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.17759

(gemachtigde: mr. E.R. Weegenaar),

en

(gemachtigde: mr. J.S.W. Boorsma).

Procesverloop

Bij besluit van 29 maart 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

De rechtbank heeft het beroep op 10 april 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen O. Diallo. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Gambiaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1997.

2. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de bewaring noodzakelijk is met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een asielaanvraag. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000), als zware gronden vermeld dat eiser:3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;en als lichte gronden vermeld dat eiser:4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb 2000 heeft gehouden;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

2. Eiser heeft de zware grond 3b en de lichte grond 4c en 4d betwist. De overige gronden heeft eiser niet bestreden. Eiser stelt dat ten aanzien van zware grond 3b dat hij niet van plan was zich aan het toezicht te onttrekken omdat hij bezig was een herhaalde asielaanvraag in te dienen voordat hij in beeld kwam. Hij had geen intentie om in de illegaliteit te verdwijnen. Hij wil juist graag bescherming. Wat betreft de lichte gronden stelt eiser dat hij een vaste plek heeft om te verblijven en ook dat hij wat geld heeft.

3. De rechtbank stelt vast dat in de maatregel van bewaring als feitelijke motivering bij zware grond 3b is aangegeven:

“Betrokkene heeft zich niet aan de op hem, in het kader van het toezicht op vreemdelingen, rustende verplichting(en) voldaan. Van betrokkene is zijn asielaanvraag, bij besluit met zaaknummer Z1-160623832006, door de Immigratie en Naturalisatie dienst afgewezen. Betrokkene diende Nederland binnen 4 weken te verlaten maar heeft dit niet gedaan.”

4. Hoewel het juist is dat de asielaanvraag van eiser is afgewezen en hij niet voldaan heeft aan zijn vertrekplicht, is de weergave van alleen deze feiten niet voldoende om de zware grond 3b te motiveren. Bij deze grond gaat het immers om feiten en omstandigheden waaruit moet blijken dat eiser zich in strijd met de vreemdelingenwetgeving aan het toezicht heeft onttrokken. De in de maatregel opgenomen feiten zien op het geen gevolg geven aan een opgelegde vertrekplicht. Dit betreft feiten en omstandigheden die samenhangen met de zware grond 3c. De verwijzing van de minister ter zitting naar het dossier waaruit blijkt dat eiser tweemaal met onbekende bestemming (MOB) is vertrokken, kan de minister in dit geval niet baten. Weliswaar zijn dit feiten en omstandigheden die behoren bij de toelichting van de zware grond 3b, echter de MOB meldingen zijn in de maatregel van bewaring in het geheel niet genoemd. De maatregel van bewaring bevat ook geen algemene inleiding of opsomming van feiten en omstandigheden die kunnen zien op zware grond 3b. Ook bij de motivering van de andere gronden zijn geen feiten en omstandigheden genoemd die betrekking hebben op zware grond 3b. In dit geval kan dan ook niet uit de context van de maatregel een feitelijke motivering van zware grond 3b begrepen worden. In die zin kan de verwijzing van de minister naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht van 10 juni 2022 niet slagen. Voor zover de minister met de verwijzing naar het dossier de zware grond 3b alsnog heeft willen motiveren wijst de rechtbank erop dat een alsnog ter zitting gegeven motivering niet bij de toetsing van het besluit kan worden betrokken. Naar het oordeel van de rechtbank is de zware grond 3b feitelijk onjuist gemotiveerd en ten onrechte aan de maatregel ten grondslag gelegd.

5. Dit betekent niet, zoals door eiser ter zitting is betoogd, dat de maatregel van bewaring reeds daarom onrechtmatig is. Immers op grond van artikel 5.1c, tweede lid, van het Vb 2000 zijn voor een maatregel op grond van artikel 59b, eerste lid, onder b van de Vw 2000 ten minste twee gronden benodigd, bedoeld in artikel 5.1b, derde en vierde lid, van het Vb 2000. In het geval van eiser is hieraan voldaan. Hiertoe wordt als volgt overwogen.

6. Zware grond 3c is door eiser niet betwist en de rechtbank is (ambtshalve) van oordeel dat deze feitelijk juist is gemotiveerd in de maatregel.

7. Over de betwiste lichte gronden 4c en 4d stelt de rechtbank vast dat deze eveneens feitelijk juist zijn gemotiveerd en dat het onttrekkingsrisico dat daaruit volgt eveneens is gemotiveerd. De minister heeft er in dat kader terecht op gewezen dat de mogelijkheid dat eiser bij vrienden kan verblijven niet betekent dat sprake is van een vaste woon- of verblijfplaats. Verder beschikt eiser over 7 euro en 75 cent, hetgeen niet voldoende is om in zijn levensonderhoud te voorzien.

8. De zware grond 3c en de lichte gronden 4c en 4d en de daarbij door de minister gegeven (feitelijke) toelichting en motivering, zijn voldoende om aan te nemen dat er een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Deze gronden kunnen de maatregel van bewaring dragen.

9. Eiser stelt dat de minister had moeten volstaan met het opleggen van een lichter middel dan inbewaringstelling omdat hij al bezig was een herhaalde asielaanvraag in te dienen. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht en voldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregel dan de inbewaringstelling doeltreffend kon worden toegepast. Ten eerste heeft daarbij te gelden dat de gronden en de daarbij gegeven motivering wijzen op een risico dat eiser zich aan toezicht zal onttrekken. Verder is in dit kader van belang dat eiser geen bijzondere omstandigheden heeft aangevoerd die zouden moeten leiden tot het opleggen van een lichter middel. De medische omstandigheden die eiser heeft genoemd in het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling heeft de minister in de maatregel van bewaring kenbaar betrokken en gewogen. Gelet hierop heeft de minister zich terecht en voldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat in eisers omstandigheden geen aanleiding wordt gezien om te volstaan met de toepassing van een lichter middel dan de inbewaringstelling. Ook deze beroepsgrond slaagt niet.

10. Het voorgaande betekent dat de beroepsgronden niet leiden niet tot de conclusie dat de maatregel van bewaring onrechtmatig is te achten. Met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe de rechtbank gehouden is, ziet de rechtbank evenmin grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring onrechtmatig is.

11. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H. van Marle, rechter, in aanwezigheid van mr. D.E. Maas, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 14 april 2026

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. R.H. van Marle

Griffier

  • mr. D.E. Maas

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand