RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
de minister van Asiel en Migratie,
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.24649
(gemachtigde: mr. S. Jankie),
en
(gemachtigde: S. Faddach).
Procesverloop
De minister heeft op 9 februari 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd.
Eiser heeft hierop gereageerd.
Vervolgens heeft de minister een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 11 mei 2026 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser stelt van Marokkaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [2005] .
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank overweegt ambtshalve als volgt.
Rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel
4. De rechtbank stelt vast dat de onderhavige maatregel is gebaseerd op het als terugkeerbesluit aan te merken samenstel van de besluiten van 20 februari 2020 en 27 maart 2023 (hierna: het terugkeerbesluit). Uit de stukken blijkt dat eiser eerder van 23 juni 2023 tot 11 december 2023, te weten gedurende 168 dagen, op basis van het terugkeerbesluit in bewaring heeft gezeten. Dit maakt, gelet op de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) van 5 maart 2026 en de inbewaringstelling op 9 februari 2026, dat de maatregel van bewaring uiterlijk op 20 februari 2026 verlengd had moeten worden omdat eiser op dat moment 180 dagen op grond van hetzelfde terugkeerbesluit in bewaring heeft gezeten. Dit alles is tussen partijen niet in geschil.
5. De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat onderhavige maatregel van bewaring mede dient te worden aangemerkt als een verlengingsbesluit, nu hierin veelvuldig is gerefereerd aan de niet coöperatieve houding van eiser. Ter zitting heeft de minister nog verklaard dat is voldaan aan de materiële eisen van artikel 59, zesde lid, van de Vw.
6. In artikel 59, vijfde lid, van de Vw is – voor zover hier van belang – bepaald dat de bewaring krachtens het eerste lid niet langer dan zes maanden duurt. In artikel 59, zesde lid, van de Vw is – voor zover hier van belang – bepaald dat in afwijking van het vijfde lid de bewaring krachtens het eerste lid ten hoogste met nog eens twaalf maanden kan worden verlengd, indien de uitzetting, alle redelijke inspanningen ten spijt, wellicht meer tijd zal vergen, op grond dat de vreemdeling niet meewerkt aan zijn uitzetting of de daartoe benodigde documentatie uit derde landen nog ontbreekt.
7. Uit het hiervoor reeds genoemde arrest Aroja volgt onder meer dat de maximale bewaringsduur ter uitvoering van een en hetzelfde terugkeerbesluit niet meer dan achttien maanden mag bedragen en dat alle afzonderlijke perioden van bewaring ter uitvoering van een en hetzelfde terugkeerbesluit bij elkaar opgeteld moeten worden. Uit rechtsoverwegingen 56 en 87 van dit arrest kan verder worden afgeleid dat vóór het verstrijken van de (opgetelde) oorspronkelijke maximale bewaringsduur van zes maanden een verlengingsbesluit moet worden genomen. Uit artikel 59, zesde lid, van de Vw en de uitspraak van het HvJEU van 5 juni 2024 volgt dat de minister kenbaar dient te motiveren dat aan de verlengingsvoorwaarden is voldaan.
8. De rechtbank is van oordeel dat het besluit van 9 februari 2026, waarbij eiser in bewaring is gesteld, niet mede kan worden aangemerkt als een verlengingsbesluit als bedoeld in artikel 59, zesde lid, van de Vw. Een verlengingsbesluit moet schriftelijk worden gelast met opgave van de feitelijke en juridische gronden. Volgens de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State moet bij de beoordeling of aan de verlengingsvoorwaarden is voldaan, uitsluitend worden uitgegaan van de gronden die zijn opgenomen in het verlengingsbesluit. De minister heeft deze gronden niet vermeld en gemotiveerd in het bestreden besluit. De stelling van de minister dat uit de verwijzing naar de niet coöperatieve houding van eiser volgt dat aan de verlengingsvoorwaarden is voldaan, maakt dit niet anders. Uit de hiervoor vermelde Afdelingsjurisprudentie volgt dat de toepasselijke verlengingsvoorwaarden en de motivering daarvan moeten zijn opgenomen in een verlengingsbesluit en dat deze niet kunnen worden ingelezen in andere delen van het besluit of in het dossier. Verder volgt uit het bestreden besluit niet per wanneer en met welke duur de maatregel is verlengd. Aangezien de minister hier wel toe gehouden was, is sprake van een gebrek dat leidt tot onrechtmatige voortduring van de maatregel van bewaring.
Schadevergoeding en de te beoordelen periode
9. De rechtbank heeft deze maatregel van bewaring al eerder getoetst. Uit de uitspraak van 1 april 2026 (in de zaak NL26.15757) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, te weten 27 maart 2026, rechtmatig was.
10. Dit leidt de rechtbank tot het oordeel dat de periode waarin eiser op grond van de maatregel van 9 februari 2026 in bewaring heeft gezeten al rechterlijk getoetst is tot en met 27 maart 2026. De daarover gedane uitspraken hebben formele rechtskracht gekregen. Deze rechtskracht kan in deze procedure niet worden doorbroken. Slechts via het bijzondere rechtsmiddel van herziening kunnen onherroepelijke uitspraken opnieuw ter discussie worden gesteld. Desgewenst kan eiser een dergelijk verzoek doen, waarna aan de daarvoor geldende voorwaarden zal worden getoetst. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring in deze procedure slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek op 27 maart 2026.
Conclusie en gevolgen
11. Gelet op het vorenstaande komt de rechtbank tot de conclusie dat het beroep gegrond is en de maatregel van bewaring met ingang van 28 maart 2026 onrechtmatig was. De overige beroepsgronden behoeven daarom geen bespreking meer.
12. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van bewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 46 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vrijheidsontnemende maatregel van 46 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 5.520,-.
13. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van vandaag;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 5.520,-, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,00.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Bruins, rechter, in aanwezigheid van N. Dayerizadeh, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt door publicatie op rechtspraak.nl op: 12 mei 2026
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.