uitspraak van de enkelvoudige kamer op het verzet van
de Minister van Asiel en Migratie, opposant
(gemachtigde: mr. P.A.L.A. van Ittersum),
tegen de uitspraak van de rechtbank in de beroepszaak van 15 juli 2025 in het geding tussen
opposant
en
[naam] , geopposeerde,
geboren op [geboortedatum] ,
van Marokkaanse nationaliteit,
V-nummer: [nummer] ,
(gemachtigde: mr. V.L. van Wieringen),
en uitspraak in de beroepszaak tussen
[naam] , eiser,
geboren op [geboortedatum] .
van Marokkaanse nationaliteit,
V-nummer: [nummer] ,
gemachtigde: mr. V.L. van Wieringen)
en
de Minister van Asiel en Migratie.
Inleiding
1. Deze uitspraak op het verzet van opposant gaat over de uitspraak van de rechtbank van 15 juli 2025 waarin de rechtbank het beroep van de geopposeerde tegen het terugkeerbesluit van 7 februari 2024 gegrond heeft verklaard en dat besluit heeft vernietigd met veroordeling van opposant in de proceskosten van geopposeerde.
De rechtbank heeft het verzet op 8 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan
heeft deelgenomen: de gemachtigde van opposant. Geopposeerde en zijn gemachtigde zijn, met kennisgeving, niet verschenen.
Beoordeling door de rechtbank
2. In artikel 8:55, eerste lid, van de Awb is bepaald dat tegen een uitspraak die is gedaan met toepassing van artikel 8:54 Awb van deze wet verzet kan worden gedaan.
Verzet, als bedoeld in artikel 8:55 van de Awb, betreft uitsluitend de vraag of de bestuursrechter ten onrechte tot vereenvoudigde behandeling is overgegaan wegens de kennelijke uitkomst van het beroep. Dit betekent dat de beoordeling van de rechtbank in deze verzetprocedure beperkt is tot de vraag of terecht uitspraak is gedaan zonder opposante ter zitting te horen.
De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak uitsluitend of in de uitspraak van 15 juli 2025 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel was, dat het beroep kennelijk gegrond was. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet. Aan de inhoud van de beroepsgronden komt de rechtbank in deze zaak pas toe als het verzet gegrond is.
De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Beoordeling van het verzet
De uitspraak van 15 juli 2025
3. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Artikel 8:54 van de Awb biedt die mogelijkheid als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft het beroep kennelijk gegrond geacht. De reden hiervoor is dat de rechtbank tot de conclusie is gekomen dat het aan eiser opgelegde terugkeerbesluit van 7 februari 2024 prematuur is opgelegd, omdat – gelet op de jurisprudentie van de Afdeling van 23 april 2025 – de tijdelijke bescherming van derdelanders eerst per 4 maart 2024 is geëindigd. Tot die datum behield eiser rechtmatig verblijf op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming (RTB), zodat vóór die datum geen rechtsgeldig terugkeerbesluit kon worden genomen.
Het verzet van opposant
4. Opposant stelt zich op het standpunt dat de rechtbank de zaak ten onrechte vereenvoudigd heeft afgedaan en het beroep van geopposeerde ten onrechte met artikel 8:54 Awb kennelijk gegrond heeft verklaard. Het verzetschrift richt zich tegen de overweging van de rechtbank om het bestreden besluit van 7 februari 2024 te vernietigen. Geopposeerde heeft op 27 februari 2024 beroep ingesteld tegen het besluit van 7 februari 2024, maar dat besluit was reeds bij brief van 22 februari 2024 ingetrokken. Deze intrekking was bij de rechtbank ook bekend, omdat op 28 februari 2024 de brief betreffende de intrekking is toegezonden. Deze omstandigheid is ten onrechte niet (kenbaar) betrokken in de uitspraak van 15 juli 2025. De rechtbank heeft opposant niet in de gelegenheid gesteld om haar standpunt kenbaar te maken en verzoekt de rechtbank dan ook om het verzet gegrond te verklaren. Opposant stelt dat, indien het verzet gegrond wordt verklaard, de rechtbank het onderzoek moet hervatten en om dan te beoordelen of geopposeerde nog procesbelang heeft bij het beroep. Opposant stelt dat het procesbelang is komen te vervallen nu het terugkeerbesluit van 7 februari 2024 al is ingetrokken en hij verzoekt dan ook om het beroep niet-ontvankelijk te verklaren.
De rechtbank deelt het standpunt van opposant. Uit de zich in het dossier bevindende stukken blijkt dat ten tijde van de uitspraak van 15 juli 2025 het terugkeerbesluit van 7 februari 2024 reeds was ingetrokken. Dat volgt uit de brief van 22 februari 2024, toegezonden aan de rechtbank op 28 februari 2024.
Nu deze intrekking ten onrechte niet bij de eerdere beoordeling in de uitspraak van 15 juli 2025 is betrokken, is het verzet gegrond. Dat betekent dat de uitspraak van 15 juli 2025 vervalt en dat de rechtbank het onderzoek hervat in de stand waarin dat zich bevond voordat die uitspraak werd gedaan. De rechtbank zal hierbij tevens uitspraak doen op het beroep.
Beoordeling door de rechtbank van het beroep
5. Partijen zijn uitgenodigd voor de zitting over het verzet. De rechtbank ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:55, tiende lid, van de Awb tevens uitspraak te doen op het beroep, nu nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak en partijen in de gelegenheid zijn gesteld om op een zitting te worden gehoord en zijn gewezen op de bevoegdheid van de rechtbank om tevens uitspraak te doen op het beroep. De rechtbank doet daarom op grond van artikel 8:55, tiende lid, van de Awb niet alleen uitspraak op het verzet, maar ook op het beroep.
Opposant wordt hierna de minister genoemd en geopposeerde eiser.
Beoordeling van het beroep
6. De rechtbank beoordeelt allereerst of eiser nog procesbelang heeft.
Eiser stelt dat hij niet bekend was met de intrekking van het terugkeerbesluit en dat hij daarom terecht beroep heeft ingesteld
De rechtbank deelt het standpunt van de minister dat niet gebleken is van enig procesbelang van eiser bij zijn beroep tegen het terugkeerbesluit van 7 februari 2024. Eiser kan immers met deze beroepsprocedure niet bereiken wat hij aangaf te willen bereiken, omdat het besluit kenbaar is ingetrokken. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is niet-ontvankelijk. Eiser komt in dit geval niet in aanmerking voor een vergoeding van de proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Sijens, rechter, in aanwezigheid van mr. F. Aissa, griffier en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Tegen deze uitspraak staat voor zover daarbij is beslist op het verzet geen hoger beroep of verzet open. Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover daarbij is beslist op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.