RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [nummer] , eiser
Samenvatting
Zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.50503
(gemachtigde: mr. J.P. van Mulken),
en
de minister van Asiel en Migratie ,
(gemachtigde: mr. E. Sweerts);
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid), de Staat.
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 7 december 2022 in zaak NL22.3899 op het beroep van eiser vernietigd en de zaak naar de rechtbank terugverwezen ter beoordeling van het beroep met inachtneming van de uitspraak van de Afdeling. De rechtbank heeft de behandeling van de zaak voortgezet onder zaaknummer NL25.50503.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. De minister moet een nieuw besluit nemen. Eiser heeft ook recht op een schadevergoeding van € 500,- wegens overschrijding van de redelijke termijn voor het doen van uitspraken. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft op 9 maart 2021 een aanvraag ingediend om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft met het bestreden besluit van 14 februari 2022 deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond.
De rechtbank heeft bij uitspraak van deze zittingsplaats van 7 december 2022 in zaaknummer NL22.3899 het beroep van eiser tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld. De Afdeling heeft het hoger beroep gegrond verklaard, de uitspraak van 7 december 2022 vernietigd en de zaak terugverwezen naar de rechtbank. De rechtbank moet in het licht van wat eiser daarover heeft aangevoerd opnieuw beoordelen of de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser zich nog immer onder bescherming van de United Nations Relief and Works Agency for Palestine Refugees in the Near East (UNRWA) kan stellen. Daarnaast moet de rechtbank opnieuw beoordelen of de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser bij terugkeer naar Libanon geen reëel risico loopt op ernstige schade.
De rechtbank heeft de behandeling van de zaak voortgezet onder zaaknummer NL25.50503. Aan de hand van voornoemde beroepsgronden beoordeelt de rechtbank nogmaals de afwijzing van de asielaanvraag op voornoemde punten.
De rechtbank heeft het beroep in de zaak NL25.50303 op 10 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, J. El Sayed (40339) als tolk en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Het bestreden besluit
3. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende relevante elementen:
a. Identiteit, nationaliteit en herkomst;
b. Incident op straat en de daaruit voortvloeiende problemen;
c. Eiser is Palestijns en heeft hierdoor problemen ondervonden.
De minister heeft in het bestreden besluit de identiteit, de staatloosheid en herkomst van eiser geloofwaardig geacht. De minister heeft eveneens geloofwaardig geacht dat zich op 2 of 3 november 2020 een incident heeft voorgedaan waarbij eiser heeft ingegrepen bij een mishandeling van een kind door [naam]. De problemen met deze [naam] en leden van Hezbollah die daar volgens eiser uit zouden zijn voortgekomen heeft de minister echter niet geloofwaardig geacht. De minister heeft voorts geloofwaardig geacht dat eiser in Libanon problemen heeft ondervonden omdat hij Palestijn is, maar heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser bescherming en bijstand geniet van de UNRWA en dat de uitsluitingsgrond van artikel 1D, van het Vluchtelingenverdrag van toepassing is. Daarbij heeft de minister het standpunt ingenomen dat ten aanzien van eiser geen sprake is van dusdanige discriminatie dat hij bij terugkeer zo ernstig in zijn bestaansmogelijkheden zal worden beperkt dat functioneren op sociaal en maatschappelijk gebied onmogelijk is. Daarom is geen sprake van vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag dan wel ernstige schade in de zin van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
Het oordeel van de rechtbank over de gestelde problemen met [naam] staat in rechte vast
4. De rechtbank heeft in de uitspraak van 7 december 2022 geoordeeld dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de problemen met deze [naam] en leden van Hezbollah die volgens eiser uit het incident op 2 of 3 november 2020 zouden zijn voortgekomen niet geloofwaardig zijn. De Afdeling heeft eisers grief in hoger beroep tegen dit oordeel van de rechtbank verworpen. Dit oordeel staat daarom in rechte vast. Daarmee staat ook in rechte vast dat de minister de gestelde problemen met [naam] niet ten onrechte niet geloofwaardig heeft geacht. De rechtbank beoordeelt het bestreden besluit op dit punt daarom niet opnieuw.
Verzoek om aanhouding
5. De minister wijst er in zijn brief van 9 maart 2026 op dat in het bestreden besluit een individuele toets is uitgevoerd ten aanzien van vraag of eiser bescherming of bijstand heeft genoten van de UNRWA en dat uit openbare informatie niet is gebleken dat de UNRWA niet in staat in om aan hun mandaat te voldoen. De minister erkent dat ingevolge de uitspraak van de Afdeling van 9 oktober 2025 sprake moet zijn van een ex-nunc toetsing. De minister stelt echter dat hij gezien de actuele ontwikkelingen in de veiligheidssituatie in Libanon op dit moment niet in staat is een complete ex-nunc beoordeling te maken met betrekking tot de bescherming van de UNRWA en het reëel risico op ernstige schade, bedoeld in artikel 15, onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Op dit moment geldt het landenbeleid dat ten aanzien van het gebied Baalbek sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld. Echter is op dit moment nog niet duidelijk wat de huidige veiligheidssituatie voor gevolgen zal hebben voor het landenbeleid en daarmee de risico-inschatting bij terugkeer. Gezien de vereiste ex-nunc toetsing op beide onderwerpen heeft de minister de rechtbank verzocht de beroepszaak acht weken aan te houden. De minister verwacht dat over de op dit moment ongewisse situatie na die acht weken meer duidelijkheid zal bestaan.
De rechtbank ziet geen aanleiding het aanhoudingsverzoek te honoreren, reeds omdat de minister ter zitting niet aannemelijk heeft kunnen maken dat binnen de genoemde periode van acht weken wel de gewenste duidelijkheid over de veiligheidssituatie in Libanon of Baalbek zal ontstaan. Aanhouding van het beroep voor een onbepaalde periode acht de rechtbank gezien de sinds eisers asielaanvraag verstreken tijd niet gewenst.
Kon of kan eiser zich onder bescherming stellen van UNRWA en moet hij vrezen voor ernstige schade bij terugkeer naar Libanon?
6. De Afdeling heeft in de uitspraak van 9 oktober 2025 geoordeeld dat de rechtbank niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom zij het oordeel van de minister heeft gevolgd dat op eiser wel de uitsluitingsgrond van artikel 1(D) van het Vluchtelingenverdrag, maar niet de insluitingsgrond van dat artikel van toepassing is. De rechtbank heeft ten onrechte ook geen oordeel gegeven over de in beroep aangevoerde andere redenen waarom eiser meent bij terugkeer naar Libanon een reëel risico te lopen op ernstige schade.
De rechtbank heeft bij bericht van 15 oktober 2025 de minister verzocht:
te onderbouwen dat en waarom de bescherming of bijstand die de UNRWA dient te bieden aan staatloze Palestijnen in Libanon niet is opgehouden om redenen buiten de invloed en onafhankelijk van de wil van eiser. De minister dient bij deze onderbouwing zowel de feitelijke situatie op het moment van eisers vertrek uit Libanon als met inachtneming van de feitelijke situatie ten tijde van het bestreden besluit en de actuele feitelijke situatie te betrekken;
te onderbouwen dat en waarom eiser gezien de feitelijke situatie op de hiervoor genoemde momenten bij terugkeer naar Libanon geen reëel risico loopt op ernstige schade.
Eiser heeft bij bericht van 5 maart 2026 aanvullende beroepsgronden ingediend ter onderbouwing van zijn standpunt dat de minister onvoldoende heeft onderzocht of eiser bij terugkeer naar Libanon voldoende hulp en bescherming zal ontvangen van de UNRWA en dat de minister niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat er geen sprake is van een reëel risico op schending van artikel 3 van het EVRM, dan wel van een situatie als bedoeld in artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn. Hij verwijst naar informatie in een brief van VluchtelingenWerk Nederland van 2 maart 2026 over de situatie van Palestijnse vluchtelingen in Libanon, afkomstig uit meerdere bronnen. Kort samengevat komt die informatie hierop neer:
wat betreft de financiële situatie van UNRWA wordt gemeld dat de organisatie vanaf juli 2025 kampt met ernstige tekorten (VN, juni 2025), waardoor noodmaatregelen zijn genomen in de basisgezondheidszorg, onderwijs en watervoorziening in de twaalf vluchtelingenkampen. UNRWA bouwt haar hulp verder af, met kleinere voedselpakketten en strengere voorwaarden, waaronder herregistratie via een online platform (The Rights Forum, 28 maart 2025). Daarnaast belemmert verslechterde veiligheid de logistiek en distributie van hulpgoederen (OFPRA, 7 februari 2025);
sociaaleconomische omstandigheden: 93% van de Palestijnse vluchtelingen in Libanon leeft in armoede (Human Rights Watch, 4 februari 2026). Er is sprake van structurele discriminatie, waaronder uitsluiting van 39 beter betaalde banen, toegang tot staatsgezondheidszorg en het bezit van onroerend goed (EUAA, 5 november 2025). Voedselonzekerheid neemt toe, waarbij naar verwachting 1,24 miljoen mensen (23% van de bevolking) tegen oktober 2025 hiermee te maken zullen hebben. De escalatie van het conflict tussen Israël en Hezbollah heeft geleid tot binnenlandse ontheemding van meer dan 96.000 personen en verdere verslechtering van sociaaleconomische omstandigheden;
de onveiligheid door geweld is ernstig en groeiende. Volgens meerdere berichten van begin 2026 hebben Israëlische luchtaanvallen in zuidelijke en oostelijke regio’s van Libanon, waaronder Baalbek en de Bekaa-vallei, geleid tot tientallen doden en gewonden (Al Jazeera, Middle East Monitor, Straits Times, Volkskrant). Israëlische strijdkrachten voeren al sinds november 2024 duizenden lucht- en grondaanvallen uit, met ten minste 108 geverifieerde burgerslachtoffers (VN). Israël bezet vijf gebieden op Libanees grondgebied, wat wederopbouw en terugkeer van ontheemden belemmert. De veiligheidssituatie beperkt ook de bewegingsvrijheid en toegang tot hulp, terwijl de humanitaire nood hoog blijft door de aanhoudende conflicten en de gevolgen van de binnenlandse ontheemding (IOM, 6 maart 2025; EUAA, november 2025).
Eiser stelt dat de minister deze ontwikkelingen niet voldoende heeft onderzocht en dat de minimale ondersteuning door UNRWA onvoldoende is om bescherming te bieden. Tevens wijst eiser op het reële risico op schending van artikel 3 van het EVRM wegens de onveilige situatie in Libanon, vooral in de regio van herkomst. Het bestreden besluit is in strijd met het recht en de wet, onzorgvuldig tot stand gekomen, dan wel ondeugdelijk gemotiveerd en kan daarom geen stand kan houden. Het bestreden besluit dient dan ook te worden vernietigd.
De minister heeft bij brief van 9 maart 2026 onder aanbieding van excuses aangegeven dat deze vragen ten onrechte niet beantwoord zijn. De minister erkent dat in het bestreden besluit geen ex-nunc toetsing heeft plaatsgevonden, maar hij wijst er op dat tevens een beroepsprocedure loopt tegen de herhaalde asielaanvraag van eiser onder het kenmerk NL24.18561. In het besluit van 5 september 2024 op die aanvraag is een recentere en individuele ex-nunc toetsing gemaakt ten aanzien van de vraag of eiser naar het mandaatgebied kan terugkeren en om bescherming van de UNRWA kan vragen. Gezien de actuele ontwikkelingen in de veiligheidssituatie in Libanon is de minister op dit moment echter niet in staat om een complete ex nunc beoordeling te maken met betrekking tot de bescherming van de UNRWA en het reëel risico op ernstige schade als bedoeld in artikel 15, onder c, Kwalificatierichtlijn.
De minister heeft in de brief van 9 maart 2026 niet alsnog antwoord gegeven op de vragen die de rechtbank op 31 oktober 2025 heeft gesteld. Ook is de minister niet ingegaan op de aanvullende beroepsgronden van eiser van 5 maart 2026.
De Afdeling heeft in haar uitspraak van 14 juli 2021 onder verwijzing naar het arrest Alhetoen het arrest XT overwogen dat artikel 12, eerste lid, onder a, tweede volzin, van de Kwalificatierichtlijn van toepassing is als:
- de betrokken staatloze Palestijn in een persoonlijke situatie van ernstige onveiligheid verkeert;
- de betrokkene UNRWA om bijstand heeft gevraagd; en
- UNRWA niet in staat is in dat gebied levensomstandigheden te bieden die stroken met haar opdracht, waardoor de staatloze wegens omstandigheden buiten zijn wil gedwongen is het werkgebied van de UNRWA te verlaten.
In dat geval kan deze staatloze, tenzij hij valt onder een van de in de richtlijn genoemde uitsluitingsgronden, zich op deze richtlijn beroepen zonder te hoeven aantonen dat hij een gegronde vrees voor vervolging heeft (…).
De opdracht van de UNRWA is om Palestijnse vluchtelingen te beschermen, maar ook om hun welzijn en ontwikkeling te dienen (zie het arrest XT, punten 5 en 48). Deze opdracht omvat aldus meer dan het beschermen van de Palestijnse vluchtelingen tegen een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM (…).
Door louter op te sommen welke vorm van bijstand de UNRWA volgens hem nog wél aan de Palestijnse vluchtelingen biedt, heeft de staatssecretaris onvoldoende uitgelegd hoe hij de door de vreemdeling ingebrachte landeninformatie heeft beoordeeld in relatie tot de vraag of de UNRWA in staat is (…) levensomstandigheden te bieden die stroken met haar opdracht.
Nu de minister geen inhoudelijke reactie heeft gegeven op de vragen van de rechtbank van 31 oktober 2025 en evenmin is ingegaan op de door eiser op 5 maart 2026 ingebrachte informatie, is de rechtbank in het licht van de hiervoor genoemde uitspraak van de Afdeling en van rechtsoverwegingen 2 en 2.1 van de uitspraak van de Afdeling van 9 oktober 2025 van oordeel dat de minister in het bestreden besluit noch nadien deugdelijk heeft gemotiveerd dat wel de uitsluitingsgrond op eiser van toepassing is, maar niet de insluitingsgrond. De rechtbank benadrukt daarbij dat voor de toepassing van de insluitingsgrond op grond van artikel 1(D) van het Vluchtelingenverdrag en artikel 12, eerste lid, aanhef en onder a, tweede volzin van de Kwalificatierichtlijn een ex-nunc-beoordeling is vereist, terwijl de minister heeft aangegeven dat hij – gezien de actuele ontwikkelingen in de veiligheidssituatie in Libanon – op dit moment niet in staat is om een complete ex-nunc beoordeling te maken. Evenmin heeft de minister in het bestreden besluit of nadien een gemotiveerd oordeel gegeven over de vraag of eiser bij terugkeer naar Libanon een reëel risico loopt op ernstige schade. Het feit dat de minister gezien de onduidelijke actuele situatie in Iran en Libanon op dit moment niet in staat is een oordeel over deze vragen te geven maakt dat oordeel – gelet op de vereiste ex-nunc beoordeling – niet anders.
Het beroep is om die reden gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit daarom. De rechtbank merkt hierbij op dat het oordeel in het bestreden besluit dat eiser met hetgeen hij in deze procedure heeft aangevoerd niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Libanon moet vrezen voor [naam] en zijn trawanten in rechte vast staat, zodat de minister in het nieuw te nemen besluit van de juistheid van dat oordeel kan uitgaan.
De rechtbank ziet geen aanleiding de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien. De reden daarvoor is dat de minister op basis van actuele feiten en omstandigheden moet beoordelen of de UNRWA in het geval van eiser zal kunnen voldoen aan de verplichtingen die uit haar mandaat volgen als eiser naar het mandaatgebied moet terugkeren. Tevens moet de minister in het licht van wat eiser daarover heeft aangevoerd alsnog een oordeel geven over de vaag of eiser bij terugkeer naar Libanon een reëel risico loopt op ernstige schade.
Is de redelijke termijn voor het doen van een uitspraak op het beroep geschonden?
7. Eiser heeft verzocht om schadevergoeding in verband met de overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
De redelijke termijn is overschreden als de duur van de totale procedure te lang is. De Afdeling heeft in de uitspraak van 9 oktober 2025 overwogen dat de redelijke termijn nog niet was overschreden omdat deze zou eindigen op 9 maart 2026, ofwel 4 jaar na de datum van indiening van het beroep bij de rechtbank. Daarbij heeft de Afdeling - naar de rechtbank begrijpt - tot uitgangspunt genomen dat de rechtbank binnen twee jaar na de datum van indiening van het beroep uitspraak moest doen, en de Afdeling binnen vier jaar na de datum van indiening van het beroep.
In dit geval is de procedure niet geëindigd met de uitspraak van de Afdeling van 9 oktober 2025. De uitspraak van de rechtbank van 7 december 2022 is immers vernietigd met terugverwijzing van de zaak naar de rechtbank om deze opnieuw te beoordelen. Gelet op de inmiddels verstreken tijd sinds de indiening van het beroep en de daarmee gepaard gaande onzekerheid voor eiser acht de rechtbank een periode van een half jaar na de uitspraak van de Afdeling een redelijke behandelingsduur voor deze procedure, die eindigt met deze uitspraak. Deze termijn eindigde op 9 april 2026, en is dus overschreden.
Eiser komt dus in aanmerking voor schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank hanteert een forfaitaire vergoeding van € 500,00 per half jaar waarmee de redelijke termijn is overschreden. Dat betekent dat de rechtbank eiser een schadevergoeding toekent van eenmaal € 500,-. Deze vergoeding moet worden betaald door de Staat (de minister van Justitie en Veiligheid).
Conclusie en gevolgen
8. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat de minister een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank zal vanwege de onduidelijke actuele situatie in Libanon geen termijn aan deze opdracht verbinden.
Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten.
De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen.
De rechtbank veroordeelt de Staat (de minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling aan eiser van een schadevergoeding van € 500,-.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 14 februari 2022;
- draagt de minister op een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser;
- veroordeelt de Staat (de minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling aan eiser van een schadevergoeding van € 500,-.
.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.F.C.J. Mosheuvel, rechter, in aanwezigheid van H.J. Renders, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 8 mei 2026.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.