RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres] , V-nummer: [V-nummer], eiseres
de minister van Asiel en Migratie.
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.23702
gemachtigde: mr. M. Pater,
en
Procesverloop
Bij besluit van 22 april 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiseres de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De minister heeft op 4 mei 2026 de maatregel van bewaring opgeheven.
Partijen hebben ingestemd met schriftelijke behandeling. Eiseres heeft op 1 mei 2026 de gronden van beroep ingediend. De minister heeft hier niet op gereageerd.
De rechtbank heeft het onderzoek gesloten op 11 mei 2026.
Overwegingen
1. Eiseres stelt van Syrische nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1983.
2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiseres schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiseres een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
3. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de maatregel nodig was, omdat een concreet aanknopingspunt bestond voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestond dat eiseres zich aan het toezicht zou onttrekken.
De minister heeft als zware gronden vermeld dat eiseres:3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;3e. in verband met haar aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over haar identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;3k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van haar asielverzoek;3m. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en onmiddellijke overdracht of overdracht op zeer korte termijn noodzakelijk is ten behoeve van het realiseren van de overdracht binnen zes maanden na het akkoord van de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van haar asielverzoek;en als lichte gronden vermeld dat eiseres:4a. zich niet aan een of meer andere voor haar geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
4. Eiseres betwist de aan de maatregel van bewaring ten grondslag gelegde gronden.
De rechtbank stelt vast dat de zware gronden 3a, 3b en 3e feitelijk juist zijn. Eiseres heeft immers verklaard zonder documenten Nederland te zijn ingereisd. Dat zij als asielzoeker naar Nederland is gekomen, doet aan de feitelijke juistheid niet af. Ook zware grond 3b is feitelijk juist, omdat eiseres op 2 december 2024 met onbekende bestemming is vertrokken. Eiseres stelt dat zij ten onrechte is aangemerkt als met onbekende bestemming vertrokken. Eiseres zegt dat zij zich in een psychisch schrijnende situatie bevond en dat zij niet langer welkom was op het AZC. Eiseres meent dat er te weinig rekening gehouden wordt met haar psychische toestand. Eiseres heeft dit echter op geen enkele wijze onderbouwd. Ook blijkt uit de Eurodac-registratie dat eiseres tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt in een andere lidstaat, wat zware grond 3e feitelijk juist maakt. De zware gronden 3a, 3b en 3e zijn reeds voldoende om de maatregel van bewaring te dragen. Hetgeen eiseres voor het overige heeft aangevoerd hoeft geen bespreking.
5. Eiseres meent dat in de bewaringsmaatregel onvoldoende is gemotiveerd waarom er niet is gekozen voor een lichter middel. Eiseres heeft immers gemeld te begrijpen dat zij naar Kroatië dient te vertrekken en Nederland dus dient te verlaten. De minister heeft deze bijzondere omstandigheden niet, althans niet voldoende betrokken in de overwegingen
omtrent het lichter middel.
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht en voldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. De minister heeft bij deze beoordeling terecht betrokken dat een eerdere vrijwillige overdracht geannuleerd moest worden, omdat eiseres met onbekende bestemming is vertrokken. Dit alles maakt dat de minister niet het risico hoefde te lopen dat eiseres zich opnieuw zou onttrekken aan de overdracht. Deze beroepsgrond slaagt niet.
6. Ook overigens is niet gebleken dat (het voortduren van) de maatregel van
bewaring onrechtmatig was.
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.W.H. Oude Aarninkhof, rechter, in aanwezigheid van H.B. Slot - Akkerman, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.