RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.39648
(gemachtigde: mr. V.M. Oliana),
en
(gemachtigde: mr. Y.M. van der Leij).
Procesverloop
Op 8 februari 2024 heeft verweerder een informatiebrief aan eiser gestuurd waarin staat dat eiser tot en met 4 maart 2024 valt onder de Richtlijn Tijdelijke Bescherming en dat zijn recht op tijdelijke bescherming daarna automatisch stopt. Eiser heeft op 1 maart 2024 tegen deze informatiebrief beroep ingesteld (NL24.8179). Hij heeft ook een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend (NL24.8180).
Het verzoek om een voorlopige voorziening is bij uitspraak van 28 maart 2024 afgewezen.
Eiser heeft daarna een nieuw verzoek om een voorlopige voorziening ingediend (NL24.13911). Bij uitspraak van 4 april 2024 heeft de voorzieningenrechter dit verzoek toegewezen en bij wijze van voorlopige voorziening bepaald dat eiser niet wordt uitgezet en dat hij wordt behandeld alsof het recht op tijdelijke bescherming bedoeld in de Richtlijn Tijdelijke Bescherming op hem van toepassing is, totdat op het door hem ingestelde beroep is beslist.
Bij besluit van 28 juli 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder tegen eiser een terugkeerbesluit uitgevaardigd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld (NL25.39648).
De rechtbank heeft beide beroepen (NL24.8179 en NL25.39648) op 19 december 2025 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Ter zitting heeft eiser het beroep met kenmerk NL24.8179 ingetrokken. Deze uitspraak gaat daarom alleen nog over het beroep met kenmerk NL25.39648 (tegen het terugkeerbesluit).
Overwegingen
Inleiding
Asielprocedure
Eiser heeft de Nepalese nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1993. Hij is vanuit Oekraïne naar Nederland gekomen en heeft hier op 5 december 2022 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (asielaanvraag) ingediend. Eiser heeft vervolgens facultatieve tijdelijke bescherming verkregen op grond van de Richtlijn 2001/55/EG (Richtlijn Tijdelijke Bescherming, hierna: RTB) en het daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/3822 van 4 maart 2022.
Bij besluit van 29 augustus 2023 heeft verweerder eisers asielaanvraag buiten behandeling gesteld.
Tijdelijke bescherming
Verweerder heeft aanvankelijk bij separaat besluit van 29 augustus 2023 bepaald dat de eiser geboden facultatieve tijdelijke bescherming met ingang van 4 september 2023 eindigt. Bij brief van 6 september 2023 heeft verweerder eiser geïnformeerd dat de gevolgen van de beëindiging van de tijdelijke bescherming zijn bevroren. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft bij uitspraak van 17 januari 2024 geoordeeld dat verweerder de facultatieve tijdelijke bescherming niet per 4 september 2023 heeft kunnen beëindigen, en heeft bepaald dat het recht op tijdelijke bescherming van derdelanders met een tijdelijke verblijfsvergunning in Oekraïne van rechtswege eindigt op 4 maart 2024. Op 8 februari 2024 heeft verweerder het (onder 2.1. genoemde) besluit van 29 augustus 2023 ingetrokken. Tevens heeft verweerder bij informatiebrief van 8 februari 2024 aan eiser meegedeeld dat zijn tijdelijke bescherming van rechtswege eindigt op 4 maart 2024.
Deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, en de Afdeling hebben op 29 maart 2024 en 25 april 2024 prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) over de beëindiging van deze tijdelijke bescherming. Naar aanleiding hiervan heeft verweerder een bevriezingsmaatregel genomen, inhoudende dat personen van wie de tijdelijke bescherming was beëindigd langer gebruik mochten maken van de rechten die zij onder de RTB hadden. Verweerder heeft eiser op 1 mei 2024 bericht dat hij onder deze bevriezingsmaatregel valt.
Het Hof heeft bij arrest van 19 december 2024 de door de Afdeling en zittingsplaats Amsterdam gestelde prejudiciële vragen beantwoord. Het Hof heeft geoordeeld dat het Unierecht een lidstaat toestaat om de door hem verleende facultatieve tijdelijke bescherming op een eerder tijdstip in te trekken dan dat waarop de verplichte tijdelijke bescherming geen rechtsgevolgen meer heeft. De Afdeling heeft in haar uitspraken van 23 april 2025 uitgelegd hoe het arrest van het Hof dient te worden toegepast en heeft bevestigd dat de tijdelijke bescherming voor derdelanders op 4 maart 2024 is geëindigd. Bij brief van 3 juni 2025 heeft verweerder aan de Tweede Kamer meegedeeld dat hij naar aanleiding van deze Afdelingsuitspraken besloten heeft om de bevriezingsmaatregel per 4 september 2025 te beëindigen. Op 10 juli 2025 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, naar aanleiding van het arrest van 19 december 2024 einduitspraak gedaan.
Het terugkeerbesluit van 28 juli 2025
Beroepsgronden
3. Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte op 28 juli 2025 een terugkeerbesluit tegen hem heeft uitgevaardigd. Volgens hem was er op dat moment geen sprake van illegaal verblijf in de zin van artikel 3 van de Terugkeerrichtlijn (Richtlijn 2008/115/EG), zodat het terugkeerbesluit prematuur is genomen. Hij wijst in dit verband op zijn (op dat moment) nog lopende beroepsprocedure, de toegewezen voorlopige voorziening en de bevriezingsmaatregel waar hij onder valt. Daarmee is er volgens hem, mede gelet op de rechten die hij nog heeft (zoals opvang en arbeid), sprake van een ‘formele gedoogstatus’, hetgeen volgens paragraaf 1.2 van de Aanbeveling (EU) 2017/2338 van de Europese Commissie van 16 november 2017 (hierna: het Terugkeerhandboek) impliceert dat hij ‘niet als illegaal verblijvend’ wordt beschouwd. Voorts voert eiser, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 7 mei 2025, aan dat zijn asielaanvraag ten onrechte buiten behandeling is gesteld, wat volgens hem betekent dat hij als rechtmatig in Nederland verblijvende asielzoeker moet worden aangemerkt.
Het oordeel van de rechtbank
4. De rechtbank stelt voorop dat uit de onder 2.3. genoemde Afdelingsuitspraken van 23 april 2025, welke uitspraken de rechtbank onderschrijft (zie ook de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 12 januari 2026), volgt dat verweerder de facultatieve tijdelijke bescherming van derdelanders met een tijdelijke verblijfsvergunning in Oekraïne mocht beëindigen op 4 maart 2024. Dat staat in deze zaak tussen partijen ook niet ter discussie. De discussie in deze zaak gaat over de vraag of het verblijf van eiser in Nederland ten tijde van het uitvaardigen van het terugkeerbesluit op 28 juli 2025 illegaal was in de zin van artikel 3, aanhef en onder 2, van de Terugkeerrichtlijn. Eiser stelt dat dit niet het geval was en heeft hiertoe een aantal argumenten aangevoerd. Die argumenten loopt de rechtbank hierna langs.
Als eerste argument waarom ten tijde van het terugkeerbesluit geen sprake was van illegaal verblijf in de zin van de Terugkeerrichtlijn, heeft eiser aangevoerd dat hij op dat moment onder de (onder 2.2. genoemde en tot 4 september 2025 geldende) bevriezingsmaatregel van verweerder viel. De rechtbank volgt dit argument van eiser niet. Uit de uitspraak van de Afdeling van 31 oktober 2025 volgt dat de bevriezingsmaatregel er niet toe heeft geleid dat verweerder voor derdelanders uit Oekraïne geen terugkeerbesluit kon nemen. De rechtbank onderschrijft dit oordeel van de Afdeling. De bevriezingsmaatregel houdt immers niet in dat de tijdelijke bescherming (na 4 maart 2024 alsnog) is verlengd, maar enkel dat eiser nog feitelijk gebruik mag maken van de rechten die hij onder de tijdelijke bescherming had. Dit betreft naar het oordeel van de rechtbank niet meer dan een tijdelijk uitstel van vertrek of verwijdering en niet een toestemming tot legaal verblijf in de zin van de Terugkeerrichtlijn. Eisers verwijzing naar paragraaf 1.2 van het Terugkeerhandboek kan hem niet baten. Daarin staat dat personen aan wie uitstel van verwijdering is verleend – wat met de bevriezingsmaatregel dus in feite is gebeurd – worden beschouwd als ‘illegaal in de betrokken lidstaat verblijvend’. Een legaal verblijf genererende ‘formele gedoogstatus’, zoals eiser onder verwijzing naar het Terugkeerhandboek stelt, is de bevriezingsmaatregel niet, alleen al niet omdat het nationale recht een dergelijke formele status niet kent.
Als tweede argument waarom ten tijde van het terugkeerbesluit geen sprake was van illegaal verblijf in de zin van de Terugkeerrichtlijn, heeft eiser aangevoerd dat op dat moment zijn beroepsprocedure tegen de informatiebrief van 8 februari 2024 nog liep én de toegewezen voorlopige voorziening nog van kracht was. Ook dit argument volgt de rechtbank niet. Op grond van de lopende beroepsprocedure en/of de toegewezen voorlopige voorziening had eiser ten tijde van het terugkeerbesluit procedureel rechtmatig verblijf op grond van artikel 8, aanhef en onder h, van de Vreemdelingenwet 2000. Dergelijk procedureel rechtmatig verblijf betekent echter niet dat het verblijf van eiser dan niet illegaal is in de zin van de Terugkeerrichtlijn. De rechtbank verwijst in dit verband naar het arrest van het Hof in de zaak Gnandi van 19 juni 2018 en de uitspraak van de Afdeling van 8 juni 2022. Daaruit volgt dat het recht om een rechtsmiddel in een verblijfsrechtelijke procedure op het grondgebied af te wachten niet met zich brengt dat het verblijf van de vreemdeling dan niet illegaal is in de zin van de Terugkeerrichtlijn. Indien de Terugkeerrichtlijn zo zou worden uitgelegd dat er geen sprake van illegaal verblijf kan zijn wanneer toestemming is gegeven om in afwachting van de uitkomst van een rechtsmiddel op het grondgebied van een lidstaat te blijven, zou dit indruisen tegen de doelstelling van de Terugkeerrichtlijn om een doeltreffend verwijderings- en terugkeerbeleid te ontwikkelen, aldus het Hof in het arrest Gnandi (punt 50).
Als derde – en laatste – argument waarom ten tijde van het terugkeerbesluit geen sprake was van illegaal verblijf in de zin van de Terugkeerrichtlijn, heeft eiser aangevoerd dat verweerder zijn asielaanvraag ten onrechte buiten behandeling heeft gesteld, wat maakt dat hij als rechtmatig in Nederland verblijvende asielzoeker moet worden aangemerkt. Dit argument volgt de rechtbank evenmin. Nog daargelaten dat eiser op 8 juli 2023 en 11 augustus 2023 heeft laten weten dat hij geen asielprocedure meer wenste, zodat geen sprake is van eenzelfde situatie als aan de orde in de onder 3. vermelde Afdelingsuitspraak van 7 mei 2025, geldt dat het op eisers weg lag om, indien hij het met de buitenbehandelingstelling van zijn asielaanvraag niet eens was, daartegen beroep in te stellen. Dat heeft hij niet gedaan, waardoor dat besluit in rechte vaststaat, en ook heeft hij geen nieuwe asielaanvraag ingediend. Hij had daarom ten tijde van het terugkeerbesluit geen legaal verblijf als asielzoeker in Nederland.
Uit het voorgaande volgt dat geen van de door eiser aangevoerde argumenten slaagt. Het leidt tot de slotsom dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het verblijf van eiser in Nederland ten tijde van het uitvaardigen van het terugkeerbesluit op 28 juli 2025 illegaal was in de zin van artikel 3, aanhef en onder 2, van de Terugkeerrichtlijn. Verweerder was dan ook bevoegd om een terugkeerbesluit te nemen.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep is gezien het voorgaande ongegrond. Dat betekent dat het terugkeerbesluit van 28 juli 2025 in stand blijft.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F.A. Groeneveld, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. Mercelina, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.