Gezag en verdeling van de zorg- en opvoedingstaken c.q. omgangsregeling
Beschikking op het op 24 augustus 2022 ingekomen verzoek van:
[de moeder],
de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. N.E. de Vries te Alphen aan den Rijn.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de vader],
de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. J.L.J. Kapteijn te Alphen aan den Rijn, voorheen mr. M.B. Brouwer te Den Haag.
Procedure
Bij beschikking van 15 december 2022 van deze rechtbank is in de zaak met nummer C/09/634542:
Bij beschikking van 12 september 2024 van deze rechtbank is in de zaken met nummers C/09/634542 en C/09/663320:
Bij beschikking van 25 maart 2025 van deze rechtbank is in de zaken met nummers C/09/634542 en C/09/663320:
- bepaald dat [minderjarige] voorlopig contact zal hebben met de vader:
ingeval het voor BOR Humanitas operationeel haalbaar is: gedurende vier uur op vrijdag;
ingeval het voorgaande voor BOR Humanitas operationeel niet haalbaar is: twee keer per week gedurende twee uur, waarvan in ieder geval een moment plaatsvindt op vrijdag;
Bij beschikking van 8 januari 2026 van deze rechtbank is in de zaak met nummer C/09/634542:
Bij beschikking van 8 januari 2026 van deze rechtbank is in de zaak met nummer C/09/663320:
De rechtbank heeft opnieuw kennisgenomen van de stukken, waaronder nu ook:
Op 23 februari 2026 is de behandeling op de zitting voortgezet. Hierbij zijn verschenen: de moeder met haar advocaat, de vader met zijn advocaat en [naam] namens de Raad.
Beoordeling
De rechtbank handhaaft al hetgeen bij genoemde beschikkingen is overwogen en beslist. Aan de rechtbank liggen nu nog voor het verzoek van de moeder om met het eenhoofdig gezag over [minderjarige] te worden belast en de verzoeken van beide ouders ten aanzien van de zorgregeling.
Gezag
Wettelijk kader
Op grond van artikel 1:253n lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechtbank op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of één van hen het gezamenlijk gezag beëindigen, indien nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Op grond van artikel 1:253n, tweede lid, BW zijn de gronden van artikel 1:251a, eerste en derde lid, BW, van overeenkomstige toepassing. Dit leidt ertoe dat het gezamenlijk gezag kan worden beëindigd, indien: (a) er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of (b) wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
De rechtbank zal het gezamenlijk gezag van de ouders over [minderjarige] in stand laten. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt. Uitgangspunt van de wetgever is dat ouders gezamenlijk het gezag uitoefenen. Slechts in uitzonderingsgevallen mag worden aangenomen dat het belang van een kind vereist dat één van de ouders met het gezag wordt belast. Uit de stukken en dat wat op de zitting is besproken is duidelijk geworden dat de communicatie tussen de ouders verbetering behoeft, maar dat geeft op zichzelf onvoldoende aanleiding om de moeder met het eenhoofdig gezag te belasten. Niet is gebleken dat de ouders niet in staat zijn om samen beslissingen over [minderjarige] te nemen of dat de vader gezagsbeslissingen belemmert. De rechtbank zal daarom het verzoek van de moeder om haar met het eenhoofdig gezag te belasten afwijzen.
Verdeling van de zorg- en opvoedingstaken
Wettelijk kader
Artikel 1:253a lid 1 BW bepaalt dat in geval van gezamenlijke gezagsuitoefening geschillen tussen de ouders op verzoek van beiden of één van hen aan de rechtbank kunnen worden voorgelegd. Volgens lid 2 sub a van voornoemd artikel stelt de rechter op verzoek van de ouders of op verzoek van één van hen een regeling vast inzake een toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken. De rechtbank is er niet in geslaagd partijen te verenigen. De rechtbank neemt hierom een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt.
Uit de stukken en dat wat op de zitting is besproken is de rechtbank het volgende gebleken. De Raad adviseerde in het rapport dat omgang met de vader in het belang is van [minderjarige] en er geen contra-indicaties zijn. De Raad adviseerde de rechtbank om het verzoek van vader over de verdeling van de zorg- en opvoedtaken aan te houden voor negen maanden, zodat in de tussentijd begeleide omgang door BOR Humanitas en hulpverlening voor [minderjarige] en beide ouders ingezet kan worden. Hierna wenste de Raad opnieuw onderzoek te doen. Naar aanleiding van de patstelling die is ontstaan, doordat beide ouders op de zitting hebben aangegeven niet te willen meewerken aan de begeleide omgang bij BOR Humanitas, heeft de Raad op de zitting haar advies aangepast. De Raad adviseert nu onbegeleide omgang en beargumenteert dit als volgt. De ouders willen beiden geen begeleide omgang door BOR Humanitas. Begeleide omgang door Cardea, zoals de moeder graag zou willen, is volgens de Raad een te zwaar en niet passend traject in deze situatie. De eerdere begeleide omgang met de vader is positief verlopen. Het is duidelijk dat [minderjarige] het goed heeft met haar vader en hem mist. Volgens de Raad is het enige belang van [minderjarige] op dit moment dat er omgang met de vader is.
Gelet op het bovenstaande is het nu aan de rechtbank om te beoordelen wat in het belang van [minderjarige] is en hierbij zorgvuldig haar belangen af te wegen. Naar het oordeel van de rechtbank is het belang van [minderjarige] meer gediend bij omgang met de vader dan met de gegarandeerde veiligheid waar de moeder naar op zoek is. De rechtbank stelt zich daarbij de vraag of volledige veiligheid ooit gegarandeerd kan worden door zowel de vader als de moeder. Er is niet gebleken dat er op dit moment sprake is van aanmerkelijke veiligheidsrisico’s, ook niet met betrekking tot het vervoeren van [minderjarige] met de auto door de vader. Zo zijn er in de afgelopen jaren geen meldingen gedaan van incidenten en is de vader gestart met het afbouwen van medicatie onder begeleiding van de huisarts. Ook staan beide ouders aangemeld voor het traject Parallel Solo Ouderschap. Op basis van al het hiervoor genoemde concludeert de rechtbank dat omgang tussen [minderjarige] en de vader zodanig in het belang van [minderjarige] is, dat als de ouders niet willen meewerken aan begeleide omgang, de rechtbank van oordeel is dat onbegeleide omgang het meest in het belang van [minderjarige] is. De rechtbank zal daarom een onbegeleide omgangsregeling vaststellen. De moeder heeft aangegeven dat haar zorgdagen van maandag tot en met woensdag vastliggen in verband met haar werk. De vader heeft aangegeven flexibel te zijn. De rechtbank zal daarom omgang op donderdag en vrijdag vaststellen, die wordt opgebouwd zoals beschreven in het dictum. De vader zal daarbij het halen en brengen voor zijn rekening nemen. De eerste twee keer dat de vader [minderjarige] terugbrengt naar de moeder neemt de vader een begeleider mee die [minderjarige] bij de deur af zal zetten, bijvoorbeeld iemand van [instantie]. Met betrekking tot de meivakantie geldt het volgende. Voor het geval de moeder geen vakantie heeft gepland zal [minderjarige] in de meivakantie van donderdag om 16:00 uur tot vrijdag om 17:00 uur bij de vader zijn. De vader zal [minderjarige] hierbij halen en brengen. In het geval de moeder voorafgaand aan de datum van deze beschikking een vakantie heeft gepland zal zij de boekingsformulieren, binnen een week na de beschikking, via de advocaten naar de vader sturen en wordt de omgang een week overgeslagen zonder compensatie.
De vakantie- en feestdagenregeling kunnen de ouders onderling in het Parallel Solo Ouderschap traject afspreken. Zij kunnen daar ook een eventuele verdere uitbreiding van de omgangsregeling bespreken, waarbij de rechtbank denkt aan een regeling waarbij [minderjarige] tot maandag naar school bij de vader is. Als het Parallel Solo Ouderschap traject niet slaagt omdat de moeder het traject eindigt, zullen de vakanties en feestdagen verdeeld worden zoals verzocht door de vader.
Dwangsom
Gelet op het feit dat de moeder heeft aangegeven niet te zullen meewerken aan onbegeleide omgang tussen [minderjarige] en de vader, ziet de rechtbank zich genoodzaakt om een dwangsom op te leggen van € 250,- voor iedere dag of gedeelte daarvan dat de moeder zich niet houdt aan de hiervoor bepaalde (opbouwende) zorgregeling, tot een maximum van € 7.500,- is bereikt.
Beslissing
De rechtbank:
*
bepaalt dat de [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2020 te [geboorteplaats], bij de vader zal zijn:
waarbij de vader [minderjarige] haalt en brengt;
*
bepaalt dat de ouders in het Parallel Solo Ouderschap traject gezamenlijk tot een vakantie- en feestdagenregeling zullen komen en dat als het Parallel Solo Ouderschap niet slaagt omdat de moeder het traject eindigt, de volgende vakantie- en feestdagenregeling van kracht zal gaan:
*
bepaalt dat de moeder aan de vader een dwangsom verbeurt van € 250,- voor iedere keer dat zij voormelde (opbouwende) zorgregeling niet nakomt, met een maximum van € 7.500,-;
*
verklaart deze beschikking in zoverre uitvoerbaar bij voorraad;
*
wijst af het meer of anders verzochte.