ECLI:NL:RBDHA:2026:11549

ECLI:NL:RBDHA:2026:11549

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 13-05-2026
Datum publicatie 12-05-2026
Zaaknummer 09/282393-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

De verdachte heeft van korte afstand eenmaal geschoten richting het gezicht van het slachtoffer. Doodslag wettig en overtuigend bewezen. Bekennende verdachte. Verweer (putatief) noodweer(exces) en psychische overmacht verworpen. Gevangenisstraf 10 jaren – aftrek voorarrest. Meerdere vorderingen tot schadevergoedingen nabestaanden.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige kamer

Parketnummer: 09/282393-25

Datum uitspraak: 13 mei 2026

Tegenspraak

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1974 te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),

BRP-adres: [adres] ,

op dit moment gedetineerd in de penitentiaire inrichting [plaats] , locatie [locatie] .

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 30 april 2026.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. M. Kampen en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. M. van Stratum naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 21 oktober 2025 te ’s-Gravenhage opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade een ander, te weten [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, door met een vuurwapen een kogel te schieten in het gezicht van die [slachtoffer] .

3. De bewijsbeslissing

Opgave van bewijsmiddelen

De rechtbank zal voor het feit met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering volstaan. De verdachte heeft dit bewezen verklaarde feit namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de raadsman geen vrijspraak bepleit.

De officier van justitie heeft met betrekking tot dit feit eveneens gerekwireerd tot bewezenverklaring.

Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Het procesdossier is onderverdeeld in een zaaksdossier en een forensisch dossier. Het zaaksdossier en het forensisch dossier bestaan beiden uit een afzonderlijk genummerd dossier. Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s van het zaaksdossier, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2025357790, van de politie eenheid Den Haag, Districtsrecherche Den Haag-Zuid, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 215). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s van het forensisch dossier, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2025357790, van de politie eenheid Den Haag, Dienst Regionale Recherche, Afdeling Specialistische Opsporing, Team Forensische Opsporing, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 162).

De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen:

1. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting op 30 april 2026;

2. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 23 oktober 2025 (zaaksdossier, p. 36-67);

3. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 22 oktober 2025, (zaaksdossier, p. 32-35);

4. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 17 december 2025, inclusief bijlagen (forensisch dossier, p. 16-22).

Bewijsoverwegingen

Doodslag

De rechtbank stelt op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en het verhandelde ter terechtzitting vast dat de verdachte op 21 oktober 2025 in Den Haag [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ) in zijn gezicht heeft geschoten met een vuurwapen. De verdachte heeft bekend [slachtoffer] één keer te hebben beschoten. Hij heeft verklaard dat [slachtoffer] zijn zoon aanviel, waarna de verdachte naar buiten is gerend en één schot heeft gelost. Op grond van de bevindingen uit het schouwverslag is komen vast te staan dat [slachtoffer] ten gevolge van het opgelopen letsel van het schietincident is overleden. De rechtbank leidt hieruit af dat het de verdachte is geweest die het voor [slachtoffer] dodelijke schot heeft gelost.

De rechtbank is van oordeel dat de verdachte vol opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer] . De verdachte heeft vanaf een korte afstand van slechts enkele meters met het vuurwapen geschoten in de richting van het hoofd van [slachtoffer] . Dit handelen dient naar zijn uiterlijke verschijningsvorm te worden aangemerkt als zozeer gericht op het doden van [slachtoffer] , dat de rechtbank van oordeel is dat het opzet van de verdachte hierop ten volle was gericht.

De rechtbank acht op grond van het vorenstaande bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de doodslag op [slachtoffer] .

Vrijspraak moord

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van voorbedachte raad, zodat de verdachte partieel zal worden vrijgesproken van dit onderdeel.

De bewezenverklaring

De rechtbank is van oordeel dat het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend is bewezen. De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:

hij op 21 oktober 2025 te ’s-Gravenhage opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, door met een vuurwapen een kogel te schieten in het gezicht van die [slachtoffer] .

4. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde en van de verdachte

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat aan de verdachte een geslaagd beroep op noodweer(exces) toekomt. Subsidiair heeft de verdediging betoogd dat de verdachte heeft gehandeld uit putatief noodweer(exces). Meer subsidiair is aangevoerd dat de verdachte heeft gehandeld uit psychische overmacht. De verdachte dient daarom te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. De rechtbank zal hierna, voor zover relevant, nader ingaan op specifieke standpunten van de raadsman.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft betoogd dat een beroep op noodweer niet kan slagen, omdat het handelen van de verdachte niet proportioneel en subsidiair was. Een beroep op noodweerexces kan evenmin slagen, nu geen sprake was van een hevige gemoedsbeweging. De officier van justitie heeft zich verder op het standpunt gesteld dat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die een beroep op putatief noodweer(exces) of psychische overmacht doen slagen.

Het oordeel van de rechtbank

Noodweer(exces)

Ter terechtzitting heeft de raadsman aangevoerd dat de verdachte heeft gehandeld uit noodweer, als bedoeld in artikel 41, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. De raadsman heeft gesteld dat de verdachte zich geconfronteerd zag met de mishandeling van zijn zoon, waarna de verdachte naar buiten is gerend en met het vuurwapen heeft geschoten om zijn zoon te verdedigen.

Voor een geslaagd beroep op noodweer dient aannemelijk te worden gemaakt dat sprake is geweest van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding (dan wel het onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor) van eigen of andermans lichaam, waartegen de verdediging noodzakelijk was.

De rechtbank stelt vast dat voorafgaand aan het schot stevige bedreigingen door [slachtoffer] zijn geuit naar de verdachte. Uit de camerabeelden volgt bovendien dat [slachtoffer] ook fysiek agressief was. Hij probeerde met terrasstoelen te gooien en was kennelijk betrokken bij de mishandeling van de zoon van de verdachte, waarbij ook andere personen betrokken leken te zijn. De verdachte had binnen in het café direct zicht op deze gedragingen. Gelet op de geweldshandelingen gericht tegen de zoon van de verdachte en de eerdere bedreigingen die waren geuit, acht de rechtbank het aannemelijk dat sprake was van een dreigende situatie, waarin de zoon van de verdachte werd geslagen en werd vastgepakt en waarin de verdachte angstig was dat er meer zou kunnen gebeuren. De rechtbank is daarmee van oordeel dat de gedragingen een onmiddellijk dreigend gevaar voor de wederrechtelijke aanranding van het lichaam van de zoon van de verdachte opleverden. Dat maakt dat sprake is geweest van een situatie van wederrechtelijke aanranding als hierboven bedoeld.

Dat betekent nog niet dat het beroep op noodweer slaagt. De rechtbank is van oordeel dat de gekozen reactie van de verdachte, het schieten in het gezicht van [slachtoffer] , als verdedigingsmiddel in geen enkele verhouding staat tot de ernst van de aanranding. Op het moment dat de verdachte zag dat zijn zoon werd geslagen, pakte hij immers direct het vuurwapen, laadde het door en schoot van dichtbij met gestrekte arm in de richting van het gezicht van [slachtoffer] . Deze reactie is buitenproportioneel en in geen enkel opzicht passend bij de situatie. Dat er voor de verdachte geen andere, minder gewelddadige middelen waren om een einde te maken aan de gestelde wederrechtelijke aanranding is uit de behandeling ter terechtzitting en op grond van de stukken niet aannemelijk geworden. Van een noodzakelijke verdediging is hier dan ook geen sprake. Het beroep op noodweer wordt verworpen.

De raadsman heeft voorts aangevoerd dat de verdachte heeft gehandeld uit noodweerexces, als bedoeld in artikel 41, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht. De verdediging heeft gesteld dat de verdachte, door te schieten in de richting van het gezicht van [slachtoffer] , weliswaar de grenzen van een noodzakelijke verdediging heeft overschreden, maar dat deze overschrijding het onmiddellijk gevolg is geweest van een door de ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding veroorzaakte, hevige gemoedsbeweging.

Het door de verdachte uitgeoefende geweld is zodanig buitensporig en heftig geweest ten opzichte van de gedraging waartegen de verdachte zijn zoon zegt te hebben willen verdedigen, dat de rechtbank tot geen andere conclusie kan komen dan dat dit geweld niet het onmiddellijk gevolg kan zijn geweest van een hevige gemoedsbeweging van een aard en intensiteit die de mate van overschrijding kunnen verklaren. De rechtbank neemt hierbij, naast de buitensporigheid van het handelen van de verdachte, ook in aanmerking dat de verdachte voorafgaand aan het plegen van het feit al geruime tijd met het wapen in de hand of in zijn broeksband in het café aanwezig was en dat hij, voordat het geweld jegens zijn zoon plaatsvond en terwijl hij het wapen bij zich droeg, minutenlang door andere aanwezigen werd tegengehouden om naar buiten naar [slachtoffer] te gaan. Het beroep op noodweerexces wordt dus eveneens verworpen.

Putatief noodweer(exces)

Door de verdediging is een beroep gedaan op putatief noodweer(exces). De raadsman heeft betoogd dat de verdachte meende zijn zoon te moeten verdedigen tegen [slachtoffer] , omdat hij in de – onjuist gebleken - veronderstelling was dat [slachtoffer] een vuurwapen bij zich had.

Onder putatief noodweer wordt verstaan het geval dat een verdachte bij vergissing in de veronderstelling verkeerde dat hij zich mocht of moest verdedigen tegen (onmiddellijk dreigend gevaar voor) een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding. Een beroep op putatief noodweer slaagt als de verdachte verschoonbaar heeft gedwaald ten aanzien van het bestaan van een noodweersituatie. Daartoe dient vastgesteld te worden dat de verdachte in redelijkheid kon en mocht menen dat hij zich moest verdedigen op de wijze als hij heeft gedaan omdat hij verontschuldigbaar zich het dreigende gevaar heeft ingebeeld dan wel de aard van de dreiging verkeerd heeft beoordeeld. Voor de beoordeling van putatief noodweer is een “enigszins geobjectiveerde waarneming” van belang. Dit betekent dat een onmiddellijke dreiging van aanranding niet alleen voor de verdachte, maar ook voor derden (voor de gemiddelde mens) aannemelijk moet zijn geweest op grond van hetgeen ter plaatse op dat moment gebeurde.

De rechtbank stelt vast dat het dossier geen enkele aanleiding geeft om aan te nemen dat [slachtoffer] op enig moment een vuurwapen bij zich had. Er was dus geen sprake van een situatie waarin verdachte in redelijkheid kon en mocht menen dat hij zichzelf of zijn zoon op deze vergaande wijze moest verdedigen omdat hij zich verontschuldigbaar (het dreigende gevaar voor) een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding door middel van een vuurwapen heeft ingebeeld. Het beroep op putatief noodweer wordt dan ook verworpen.

Psychische overmacht

Tot slot is door de verdediging een beroep gedaan op psychische overmacht.

De rechtbank is van oordeel dat niet aannemelijk is gemaakt dat sprake was van een situatie waarin de verdachte zodanig onder (psychische) druk heeft gestaan of een zodanig van buiten komende dwang heeft ervaren, dat hij redelijkerwijs geen weerstand kon of hoefde te bieden aan de drang om met het vuurwapen te gaan schieten. De rechtbank verwerpt dan ook het beroep op psychische overmacht.

5. De strafoplegging

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 jaren, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bij bewezenverklaring een strafmaatverweer gevoerd en verzocht rekening te houden met diverse strafverlagende factoren.

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Ernst van het feit

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan doodslag. In de avond van 21 oktober 2025 kregen de verdachte en het latere slachtoffer ruzie in het café waar de verdachte werkzaam was. Deze ruzie escaleerde toen de zoon van de verdachte aan kwam lopen en voor het café werd mishandeld door de groep van het slachtoffer. De verdachte rende naar buiten met een vuurwapen in zijn hand en heeft voor het café en van dichtbij één keer geschoten in de richting van het gezicht van het slachtoffer. Het slachtoffer is als gevolg van het opgelopen letsel van het schot overleden aan zijn verwondingen.

De verdachte heeft met zijn handelen de nabestaanden, vrienden en kennissen van het slachtoffer een enorm en onherstelbaar leed aangedaan. Uit de slachtofferverklaring van de familie blijkt het verdriet over het overlijden van het slachtoffer. Daarnaast vond het schietincident plaats op klaarlichte dag buiten voor het café aan het Soestdijkseplein. Meerdere mensen zijn getuige geweest van het incident. Dergelijk geweld draagt bij aan gevoelens van onveiligheid in de samenleving. De rechtbank rekent dit alles de verdachte zwaar aan.

Strafblad

De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 22 december 2025. Hieruit volgt dat de verdachte niet eerder voor soortgelijke feiten met politie en justitie in aanmerking is gekomen.

Persoon van de verdachte

De rechtbank heeft kennisgenomen van een verslag van een Pro Justitia-consult over de verdachte van 18 november 2025. Hieruit volgt dat er geen aanwijzingen zijn gevonden voor psychische problemen of bijzonderheden. Ook zijn er geen duidelijke indicaties voor psychopathologie. Er was daarom geen reden om verder onderzoek te doen, waardoor onderzoek naar de persoonlijkheid van de verdachte is uitgebleven.

De op te leggen straf

De rechtbank heeft bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf acht geslagen op straffen die in recente vergelijkbare zaken zijn opgelegd. Hoewel er geen landelijke oriëntatiepunten zijn voor op te leggen straffen bij doodslag, werd – voorafgaand aan de verhoging van het strafmaximum – door rechtbanken veelal een bandbreedte van 8 tot 12 jaren gehanteerd. Bij de strafoplegging heeft de rechtbank rekening gehouden met het feit dat het strafmaximum voor doodslag door de wetgever is verhoogd per 1 juli 2023 van 15 jaar naar 25 jaar gevangenisstraf.

Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt. De rechtbank betrekt bij de straftoemeting in het nadeel van de verdachte dat het feit zich op de openbare weg heeft afgespeeld. In strafverlagende zin houdt de rechtbank rekening met de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd, daaronder begrepen het geweld jegens de zoon van de verdachte dat aan dat feit vooraf is gegaan en dat tot enige tegenreactie – zij het evident niet de door de verdachte gekozen reactie – aanleiding had mogen geven.

De rechtbank acht, alles afwegende en gelet op wat in vergelijkbare gevallen doorgaans wordt opgelegd, een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaren passend en geboden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht. Voor oplegging van een voorwaardelijk strafdeel ziet de rechtbank geen aanleiding

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.

6. De vordering van de benadeelde partij/de schadevergoedingsmaatregel

[benadeelde 1] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 20.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat uit affectieschade.

[benadeelde 2] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 20.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat uit affectieschade.

[benadeelde 3] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 17.500,-, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat uit affectieschade.

[benadeelde 4] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 17.500,-, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat uit affectieschade.

[benadeelde 5] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 20.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat uit affectieschade.

[benadeelde 6] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert primair een schadevergoeding van € 20.000,-, bestaande uit immateriële schade ter zake shockschade en te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Subsidiair vordert de benadeelde partij € 17.500,- aan affectieschade, tevens te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

[benadeelde 7] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 26.811,55, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat voor € 6.811,85 aan materiële schade ter zake (toekomstige) medische kosten en € 20.000,- aan immateriële schade ter zake shockschade.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot volledige toewijzing van de vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen [benadeelde 1] , [benadeelde 2] , [benadeelde 3] , [benadeelde 4] en [benadeelde 5] , telkens met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en de wettelijke rente. De officier van justitie heeft verder geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 6] . Tot slot heeft de officier van justitie geconcludeerd tot gedeeltelijke toewijzing van de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 7] ter hoogte van € 2.939,59, ter zake van de gevorderde materiële schade (te weten de reeds gemaakte medische kosten en het eigen risico van 2026) en toewijzing van de gevorderde shockschade van € 20.000,-, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en de wettelijke rente en tot niet-ontvankelijk verklaring van de benadeelde partij voor het overige.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich ten aanzien van de vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen [benadeelde 1] , [benadeelde 2] , [benadeelde 3] , [benadeelde 4] en [benadeelde 5] op het standpunt gesteld dat sprake is geweest van medeschuld van het slachtoffer, waardoor geconcludeerd moet worden tot niet-ontvankelijkverklaring. Ten aanzien van de vordering tot schadevergoeding van [benadeelde 6] is door de verdediging betoogd dat dit niet-ontvankelijk verklaard dient te worden, primair vanwege onvoldoende onderbouwing en subsidiair vanwege medeschuld aan de zijde van het slachtoffer. Meer subsidiair zou de hoogte van het schadebedrag moeten worden gematigd. Tot slot heeft de verdediging ten aanzien van de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 7] aangevoerd dat de post materiële schade afgewezen, dan wel niet-ontvankelijk verklaard dient te worden, nu de gestelde medische kosten voor vergoeding door de verzekeraar in aanmerking komen. Ten aanzien van de post immateriële schade heeft de verdediging aangevoerd dat deze tevens afgewezen, dan wel niet-ontvankelijk verklaard dient te worden, vanwege onevenredige belasting van het strafgeding. De benadeelde partij behoort niet tot de kring van gerechtigden en de door haar gevorderde schade is onvoldoende onderbouwd.

Het oordeel van de rechtbank

Vorderingen tot schadevergoeding [benadeelde 1] , [benadeelde 2] , [benadeelde 3] , [benadeelde 4] en [benadeelde 5]

Toewijzing affectieschade

Op grond van artikel 6:108, derde lid, BW is, indien iemand ten gevolge van een gebeurtenis waarvoor een ander jegens hem aansprakelijk is overlijdt, die ander verplicht tot vergoeding van een bedrag voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat (waaronder affectieschade) aan de in het vierde lid van dat artikel genoemde naasten. De rechtbank stelt vast dat het overlijden van [slachtoffer] het gevolg is van het onrechtmatige handelen van de verdachte. De rechtbank stelt voorts vast dat de benadeelde partijen [benadeelde 1] (zoon), [benadeelde 2] (weduwe), [benadeelde 3] (moeder), [benadeelde 4] (vader) en [benadeelde 5] (zoon), op grond van dit artikel en het Besluit vergoeding affectieschade tot de kring van gerechtigden behoren en aldus een wettelijk recht hebben op vergoeding van affectieschade. De rechtbank zal daarom aan [benadeelde 1] , [benadeelde 2] en [benadeelde 5] de gevorderde bedragen van € 20.000,- en aan [benadeelde 3] en [benadeelde 4] de gevorderde bedragen van € 17.500,- aan vergoeding van affectieschade toewijzen. Voor het verweer van de verdediging dat sprake zou zijn van eigen schuld door het slachtoffer bestaat geen grondslag. Dit verweer wordt verworpen.

Wettelijke rente

De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 21 oktober 2025, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.

Proceskostenveroordeling verdachte

Nu de vorderingen worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partijen tot aan deze uitspraak in verband met de vorderingen hebben gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partijen voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moeten maken.

Schadevergoedingsmaatregel

De verdachte zal voor het onder 3.3 bewezenverklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partijen [benadeelde 1] , [benadeelde 2] en [benadeelde 5] aansprakelijk voor schade die door dit feit aan hen is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van telkens € 20.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 21 oktober 2025 tot aan de dag dat deze bedragen zijn betaald, ten behoeve van [benadeelde 1] , [benadeelde 2] en [benadeelde 5] .

De verdachte zal voor het bewezenverklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partijen [benadeelde 3] en [benadeelde 4] aansprakelijk voor schade die door dit feit aan hen is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van telkens € 17.500,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 21 oktober 2025 tot aan de dag dat deze bedragen zijn betaald, ten behoeve van [benadeelde 3] en [benadeelde 4] .

Vordering tot schadevergoeding [benadeelde 6]

Immateriële schade niet-ontvankelijk

De rechtbank zal, voor zover de vordering betrekking heeft op de post immateriële schade, ter zake shockschade, de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij direct is geconfronteerd met de gevolgen van het delict, namelijk het vasthouden van diens neergeschoten broer in kritieke toestand en het latere overlijden. Ook neemt de rechtbank aan dat de benadeelde partij als gevolg hiervan psychische klachten ondervindt. Hij heeft zich echter niet onder medische behandeling laten stellen. Dat is uiteraard een persoonlijke keuze, maar de vraag of bij hem geestelijk letsel is ontstaan in de zin van shockschade, is daarom niet onderbouwd met stukken van een deskundige. De rechtbank kan daarom niet op grond van een rapportage van een ter zake bevoegde en bekwame deskundige tot het oordeel komen dat sprake is van geestelijk letsel, zoals vereist op grond van de rechtspraak van de Hoge Raad. Bij deze stand van zaken kan de rechtbank in dit strafproces niet overgaan tot toewijzing van de gevorderde vergoeding voor shockschade. Dit deel van de vordering is daarmee namens de verdachte (gemotiveerd) betwist en namens de benadeelde partij onvoldoende onderbouwd. De benadeelde partij de gelegenheid geven voor een nadere onderbouwing van dit deel van de vordering zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De benadeelde partij kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Affectieschade niet-ontvankelijk

Op grond van artikel 6:108, derde lid, BW is, indien iemand ten gevolge van een gebeurtenis waarvoor een ander jegens hem aansprakelijk is overlijdt, die ander verplicht tot vergoeding van een bedrag voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat (waaronder affectieschade) aan de in het vierde lid van dat artikel genoemde naasten. Broers en zussen zijn niet opgenomen in deze opsomming van personen die aanspraak kunnen maken op vergoeding van affectieschade, omdat de wetgever er uitdrukkelijk voor heeft gekozen hen niet standaard een recht op affectieschade toe te kennen. Dit sluit niet uit dat zij in bijzondere gevallen een beroep kunnen doen op de zogeheten hardheidsclausule als bedoeld in artikel 6:108, vierde lid, sub g, BW. De rechtbank neemt tot uitgangspunt dat bij de uitleg van de hardheidsclausule zoveel mogelijk aangesloten moet worden bij de bedoeling van de wetgever, zoals die blijkt uit de memorie van toelichting en wetsgeschiedenis. In de memorie van toelichting staat dat sprake kan zijn van “een nauwe persoonlijke betrekking” tussen bijvoorbeeld broers en zussen als zij langdurig samenwonen en voor elkaar zorgen. De wetgever heeft benadrukt dat de hardheidsclausule niet te lichtvaardig gebruikt moet worden.

De rechtbank is van oordeel dat in de gegeven omstandigheden geen termen aanwezig zijn die een beroep op de hardheidsclausule rechtvaardigen, omdat er geen omstandigheden zijn aangevoerd waaruit blijkt dat de verhouding tussen de nabestaande en zijn overleden broer sterk afweek van wat in het algemeen gebruikelijk is tussen broers en zussen binnen een gezin. De rechtbank zal de benadeelde partij, [benadeelde 6] , daarom niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.

Proceskostenveroordeling benadeelde partij

Dit brengt mee dat de benadeelde partij moet worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met zijn verdediging tegen die vordering heeft moeten maken. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil.

Vordering tot schadevergoeding [benadeelde 7]

Shockschade

Iemand die een ander door zijn onrechtmatige daad doodt, kan – afhankelijk van de omstandigheden waaronder die onrechtmatige daad en de confrontatie met die daad of de gevolgen daarvan, plaatsvinden – ook onrechtmatig handelen jegens degene bij wie die confrontatie met die daad een hevige emotionele schok teweegbrengt. De rechtbank moet toetsen of de gepleegde onrechtmatige daad direct heeft geleid tot een hevige emotionele schok bij de benadeelde partij, waaruit bij diegene geestelijk letsel is voortgevloeid.

Gezichtspunten die een rol spelen bij de beoordeling van de onrechtmatigheid jegens degene bij wie een hevige emotionele schok is teweeggebracht als hiervoor bedoeld (hierna: het secundaire slachtoffer) zijn onder meer:

De aard, de toedracht en de gevolgen van de jegens het primaire slachtoffer gepleegde onrechtmatige daad, waaronder de intentie van de dader en de aard en de ernst van het aan het primaire slachtoffer toegebrachte leed.

De wijze waarop het secundaire slachtoffer wordt geconfronteerd met de jegens het primaire slachtoffer gepleegde onrechtmatige daad en de gevolgen daarvan. Daarbij kan onder meer worden betrokken of hij door fysieke aanwezigheid of anderszins onmiddellijk kennis kreeg van het onrechtmatige handelen jegens het primaire slachtoffer, of dat hij nadien met de gevolgen van dit handelen werd geconfronteerd.

De aard en hechtheid van de relatie tussen het primaire slachtoffer en het secundaire slachtoffer, waarbij geldt dat bij het ontbreken van een nauwe relatie niet snel onrechtmatigheid kan worden aangenomen.

De rechtbank moet aan de hand van onder meer deze gezichtspunten in hun onderlinge samenhang beschouwd van geval tot geval beoordelen of sprake is van onrechtmatigheid.

De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij op 21 oktober 2025 bij het café aanwezig was en dat zij heeft gezien hoe het slachtoffer na een ruzie met een vuurwapen van dichtbij in zijn gezicht is geschoten. Zij heeft het slachtoffer daarna met de wond in zijn gezicht ondersteund en ze zijn samen weggelopen. Later is zij geconfronteerd met zijn overlijden in het ziekenhuis. Het gaat hier om doodslag, een extreem feit met fataal gevolg voor het primaire slachtoffer. De confrontatie met het neerschieten en zijn gewonde gezicht en vervolgens het overlijden moeten heftig en schokkend zijn geweest voor de benadeelde partij.

Het verweer dat de benadeelde partij vanwege de aard en hechtheid niet tot de kring van gerechtigden zou behoren, verwerpt de rechtbank. Gelet op de stukken in het dossier en hetgeen de benadeelde partij hierover heeft gesteld en onderbouwd met de brief van onder andere de broer van het slachtoffer [benadeelde 6] , stelt de rechtbank vast dat sprake was van een nauwe en affectieve relatie tussen hen.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat de benadeelde partij rechtstreeks met het incident en de gevolgen daarvan is geconfronteerd en daarbij betrokken is geraakt. Er is dan ook sprake van onrechtmatigheid jegens de benadeelde partij.

De rechtbank is ook van oordeel dat dit bij haar een emotionele schok teweeg heeft gebracht waardoor geestelijk letsel is ontstaan. Dit blijkt uit de door haar overgelegde stukken van de huisarts en GGZ waarin staat dat als gevolg van het incident een posttraumatische stressstoornis (PTSS) bij de benadeelde partij is geconstateerd.

Gelet op hetgeen in vergelijkbare zaken is toegewezen, waaronder de uitspraken waarnaar de benadeelde partij heeft gewezen, stelt de rechtbank de immateriële schade naar maatstaven van billijkheid vast op een bedrag van € 15.000,-.

Materiële schade door shockschade

De benadeelde partij heeft ook materiële schade gevorderd op grond van de shockschade die zij heeft geleden. De benadeelde partij heeft hiertoe aangevoerd dat het behandelplan voor de PTSS bestaat uit tien tot vijftien gesprekken, waarna het plan zal worden geëvalueerd. Zij heeft ook daadwerkelijk verschillende sessies gehad. Zij vordert een bedrag van € 6.811,85, bestaande uit € 2.554,59 aan reeds ondergaande sessies en het eigen risico dat zij hierdoor zou hebben moeten betalen in 2025 en in 2026 (twee keer het bedrag van € 385,-). Daarnaast vordert zij een bedrag van € 3.872,26 aan sessies die zij nog moet ondergaan en de betaling van het eigen risico in 2027.

Gelet op de stukken die de benadeelde partij heeft overgelegd, acht de rechtbank voldoende onderbouwd dat de benadeelde partij behandelingen heeft ondergaan en dat zij daarvoor kosten heeft moeten maken, welke niet door de verzekering worden gedekt. De enkele betwisting hiervan door de verdediging, verwerpt de rechtbank. Ook blijkt uit de stukken dat de benadeelde partij het eigen risico van 2026 heeft moeten betalen. Dit gedeelte van de vordering (€ 2554,59 en € 385, tezamen € 2.939,59) komt dan ook voor vergoeding in aanmerking.

Uit de stukken kan niet worden afgeleid of de benadeelde partij het eigen risico van 2025 als gevolg van de medische behandelingen van het geestelijk letsel heeft moeten betalen. Ook de toekomstig gevorderde schade is onvoldoende onderbouwd. De benadeelde partij de gelegenheid geven voor een nadere onderbouwing van dit deel van de vordering zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Conclusie

De schadevordering van de benadeelde partij wordt gedeeltelijk toegewezen, namelijk het bedrag van € 17.939,59, bestaande uit € 15.000,- aan immateriële schade en € 2.939,59 aan materiële schade.

Wettelijke rente

De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 21 oktober 2025, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.

Proceskostenveroordeling verdachte

Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moeten maken.

De schadevergoedingsmaatregel

De verdachte zal voor het onder 3.3 bewezenverklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door dit feit aan haar is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 17.939,59, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 21 oktober 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van de [benadeelde 7] .

7. De inbeslaggenomen voorwerpen

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen

(beslaglijst) onder 1 genoemde voorwerp zal worden teruggegeven aan de redelijkerwijs rechthebbende.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft geen standpunt ingenomen ten aanzien van het beslag.

Het oordeel van de rechtbank

Nu het belang van strafvordering zich daartegen niet verzet, zal de rechtbank de teruggave aan de redelijkerwijs rechthebbende gelasten van het op de beslaglijst onder 1 genoemde voorwerp.

8. De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregelen zijn gegrond op de artikelen: 36f, 60a en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

9. De beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.3 bewezen is verklaard;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:

doodslag;

verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 10 (TIEN) JAREN;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] ;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe tot een bedrag van € 20.000,- en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 21 oktober 2025 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [benadeelde 1] ;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;

schadevergoedingsmaatregel van de benadeelde partij [benadeelde 1] ;

legt aan de verdachte op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van € 20.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 21 oktober 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [benadeelde 1] ;

bepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 125 dagen; de toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;

bepaalt dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, en dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;

de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] ;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe tot een bedrag van € 20.000,- en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 21 oktober 2025 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [benadeelde 2] ;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;

schadevergoedingsmaatregel van de benadeelde partij [benadeelde 2] ;

legt aan de verdachte op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van € 20.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 21 oktober 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [benadeelde 2] ;

bepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 125 dagen; de toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;

bepaalt dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, en dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;

de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3] ;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe tot een bedrag van € 17.500,- en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 21 oktober 2025 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [benadeelde 3] ;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;

schadevergoedingsmaatregel van de benadeelde partij [benadeelde 3] ;

legt aan de verdachte op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van € 17.500,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 21 oktober 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [benadeelde 3] ;

bepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 112 dagen; de toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;

bepaalt dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, en dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;

de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 4] ;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe tot een bedrag van € 17.500,- en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 21 oktober 2025 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [benadeelde 4] ;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;

schadevergoedingsmaatregel van de benadeelde partij [benadeelde 4] ;

legt aan de verdachte op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van € 17.500,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 21 oktober 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [benadeelde 4] ;

bepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 112 dagen; de toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;

bepaalt dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, en dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;

de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 5] ;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe tot een bedrag van € 20.000,- en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 21 oktober 2025 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [benadeelde 5] ;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;

schadevergoedingsmaatregel van de benadeelde partij [benadeelde 5] ;

legt aan de verdachte op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van € 20.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 21 oktober 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [benadeelde 5] ;

bepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 125 dagen; de toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;

bepaalt dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, en dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;

de vordering van de benadeelde [benadeelde 6] :

bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding en dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 7] ;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij deels toe tot een bedrag van € 17.939,59, bestaande uit € 15.000,- aan immateriële schade en € 2.939,59 aan materiële schade, en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 21 oktober 2025 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [benadeelde 7] ;

bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding en dat de benadeelde partij dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;

schadevergoedingsmaatregel van de benadeelde partij [benadeelde 7] ;

legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 17.939,59, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 21 oktober 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van de [benadeelde 7] ;

bepaalt dat, als de verdachte niet het volledige bedrag betaalt en/of niet het volledige bedrag op hem kan worden verhaald, gijzeling zal worden toegepast voor de duur van 114 dagen. Het toepassen van gijzeling ontslaat de verdachte niet van zijn betalingsverplichting aan de Staat;

bepaalt dat als de verdachte de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel te betalen aan de Staat en dat als de verdachte het toegewezen bedrag deels of geheel aan de Staat heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel aan de benadeelde partij te betalen;

beslag:

gelast de teruggave aan de rechthebbende van het op de beslaglijst onder 1 genoemde voorwerp, te weten: 1 STK Geluidsdrager (Omschrijving: PL1500-2025357790-G3463493, Hikvision).

Dit vonnis is gewezen door

mr. B.J. van de Griend, voorzitter,

mr. L.K. van Zaltbommel, rechter,

mr. R. Wieringa, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. L.A. Duijm, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 13 mei 2026.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. B.J. van de Griend
  • mr. L.K. van Zaltbommel
  • mr. R. Wieringa

Griffier

  • mr. L.A. Duijm

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand