RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 mei 2026 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
de minister van Asiel en Migratie,
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.22823
(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),
en
(gemachtigde: mr. F.S. Schoot).
Procesverloop
Bij besluit van 26 maart 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.
De minister heeft de rechtbank op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw 2000 van de bewaring in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 6 mei 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Heeft de minister voldoende voortvarend gehandeld?
1. Eiser betoogt dat de minister onvoldoende voortvarend handelt. Uit het dossier blijkt namelijk niet dat de minister na het vertrekgesprek op 30 maart 2026 nog vertrekhandelingen heeft verricht.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank oordeelt dat de minister voldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser. De minister heeft op de zitting namelijk toegelicht dat op zowel 3 april 2026 als 23 april 2026 een rappel is gestuurd aan de Algerijnse autoriteiten voor de afgifte van een laissez-passer. Ook staat er op 7 mei 2026 een volgend vertrekgesprek met eiser gepland. Dat de rappelbrieven of de aankondiging voor het volgende vertrekgesprek zich niet in het dossier bevinden en evenmin een M120 voortgangsrapport, leidt niet tot een onrechtmatigheid. Het is namelijk niet gebruikelijk of nodig dat rappelbrieven en aankondigingen zich in een dossier bevinden en bij een eerste kennisgeving is het evenmin nodig om een M120 voortgangsrapport op te maken. De rechtbank ziet, gelet op voornoemd verloop van de door de minister verrichte handelingen in zijn geheel, geen aanleiding om te twijfelen aan de door de minister gestelde gang van zaken.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
2. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens verder geen grond om te komen tot het oordeel dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment onrechtmatig is geweest.
Conclusie en gevolgen
3. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. van der Straaten, rechter, in aanwezigheid van mr. V. Bouman, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.