[eiseres] , eiseres
(gemachtigde: [naam 1] , LL.B.)
en
de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OC&W), verweerder
(gemachtigde: [naam 2] ).
Inleiding
1. Deze uitspraak gaat over het beroep van eiseres tegen twee besluiten van verweerder, namelijk een besluit over de startdatum van de aanloopfase van de terugbetalingsperiode van de studieschuld van eiseres en een besluit tot het niet uitkeren van een bestuurlijke dwangsom aan eiseres.
Vaststelling startdatum aanloopfase
Bij besluit van 9 november 2024 (het primaire besluit) heeft verweerder vastgesteld dat de aanloopfase van eiseres haar terugbetalingsperiode voor de studieschuld op 1 september 2025 aanvangt.
Bij besluit van 21 december 2024 (het wijzigingsbesluit) heeft verweerder het primaire besluit gewijzigd en vastgesteld dat de aanloopfase vanaf 1 januari 2025 begint.
Bij besluit van 20 januari 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van eiseres, gericht tegen het primaire besluit en, met toepassing van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), het wijzigingsbesluit, ongegrond verklaard.
Bij besluit van 6 juni 2025 (het aanvullende besluit) is verweerder op het bestreden besluit teruggekomen en heeft de startdatum alsnog vastgesteld op 1 september 2025.
Bestuurlijke dwangsom
Namens eiseres is aan verweerder een ingebrekestelling verstuurd, waarin gesteld wordt dat verweerder niet tijdig op het bezwaar van eiseres heeft beslist.
Bij afzonderlijk besluit van 7 februari 2025 (het dwangsombesluit) heeft verweerder beslist dat eiseres geen recht heeft op een bestuurlijke dwangsom.
Deze beroepszaak
Eiseres heeft beroep ingesteld. Dit beroep richt zich op grond van artikel 6:19 van de Awb zowel tegen het bestreden besluit als het aanvullende besluit, en op grond van artikel 4:19 van de Awb ook tegen het dwangsombesluit.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
Eiseres heeft op het verweerschrift een schriftelijke reactie uitgebracht, waar verweerder tot slot ook schriftelijk op heeft gereageerd.
De rechtbank heeft het beroep op 19 maart 2026 op zitting behandeld. Eiseres is niet verschenen op de zitting en heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. De gemachtigde van verweerder heeft aan de zitting deelgenomen via een video-verbinding.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
2. Eiseres heeft van september 2015 tot en met september 2022 studiefinanciering ontvangen voor het volgen van een universitaire opleiding, ten laatste de bachelor Geneeskunde aan de Universiteit van Amsterdam (UvA), en heeft in die periode ook een studieschuld opgebouwd.
Omdat eiseres in september 2015 voor het eerst recht op studiefinanciering heeft genoten, is de diplomatermijn van 10 jaar - op grond van artikel 5.5 van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) - van rechtswege geëindigd op 31 augustus 2025.
De aanloopfase van de terugbetalingsperiode van de studieschuld van eiseres is aangevangen op 1 januari 2023. Op grond van artikel 6.5, derde lid, aanhef en onder b van de Wsf 2000 is de aanloopfase op verzoek van eiseres in het jaar 2023 en 2024 geschorst geweest, omdat zij nog een studie volgde.
Eiseres is met ingang van 1 september 2024 gestart met een masteropleiding Investigative Journalism aan Götenborgs Universitet in Zweden. De aanvraag voor studiefinanciering die eiseres hiervoor heeft ingediend, is afgewezen door verweerder, omdat eiseres haar maximale recht op studiefinanciering had verbruikt. Verweerder heeft beoordeeld of de schorsing van de aanloopfase van de terugbetalingsperiode van de studieschuld kon worden verlengd in verband met deze studie.
Wat heeft verweerder besloten over de startdatum van de aanloopfase?
3. Verweerder heeft met het primaire besluit aan eiseres medegedeeld dat de aan eiseres verleende schorsing van de terugbetalingsperiode nog zal voortduren van januari tot en met augustus 2025, in verband met de masteropleiding in Zweden en dat de aanloopfase vanaf september 2025 zal aanvangen.
Met het wijzigingsbesluit is verweerder teruggekomen op het primaire besluit en heeft bepaald dat de aanloopfase start vanaf 1 januari 2025. Redengevend daarvoor is dat eiseres het ‘formulier controle inschrijving’ onvolledig had ingevuld en geretourneerd. Uit het ingevulde formulier bleek namelijk niet de naam van de opleiding waarbij zij stond ingeschreven. Bij gebrek aan deze informatie heeft verweerder bij het wijzigingsbesluit de schorsing van de terugbetalingsperiode opgeheven en bepaald dat de aanloopfase aanvangt vanaf 1 januari 2025.
In het bestreden besluit heeft verweerder de conclusies van het wijzigingsbesluit en daarmee de startdatum van de aanloopfase op 1 januari 2025 onverkort gehandhaafd.
Vervolgens heeft eiseres alsnog het volledig ingevulde formulier controle inschrijving bij verweerder ingediend. Op grond daarvan is met het aanvullende besluit van 6 juni 2025 alsnog vastgesteld dat de aanloopfase aanvangt vanaf 1 september 2025.
Wat heeft verweerder besloten over de bestuurlijke dwangsom?
4. Bij aangetekende brief, door de gemachtigde van eiseres gedagtekend op 3 februari 2025, is verweerder in gebreke gesteld vanwege het niet tijdig beslissen op het bezwaar van eiseres, gedateerd op 12 december 2024 en gericht tegen het primaire besluit. Eiseres heeft verweerder in deze brief verzocht om binnen veertien dagen alsnog te beslissen op straffe van een bestuurlijke dwangsom.
Bij besluit, gedagtekend op 7 februari 2025, heeft verweerder beslist dat eiseres niet in aanmerking komt voor een bestuurlijke dwangsom, omdat met het besluit op bezwaar, gedateerd op 20 januari 2025, tijdig en bovendien reeds vóór het indienen van de ingebrekestelling op het bezwaar van eiseres is beslist.
Wat vinden eiseres en verweerder in beroep?
5. Ten aanzien van de vaststelling van de startdatum van de aanloopfase heeft eiseres in beroep aangevoerd dat het bestreden besluit een zorgvuldigheidsgebrek kent. Onder het besluit op bezwaar van 20 januari 2025 is namelijk niet vermeld namens welk bestuursorgaan het besluit in mandaat is genomen. Dit is in strijd is met artikel 10:10 van de Awb. Omdat eiseres niet twijfelt dat de vermelde bezwaarmedewerker op grond van de Ondermandaatregeling DUO 2013 bevoegd was namens verweerder te beslissen, heeft eiseres verzocht dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 Awb te passeren.
Ook voert eiseres aan dat verweerder de startdatum van de aanloopfase ondeugdelijk gemotiveerd heeft vastgesteld op 1 september 2025. De schorsing moet langer duren, omdat eiseres nog steeds een studie volgt. Ook moet de aanloopfase altijd starten op 1 januari van het jaar volgend op het jaar dat de student is opgehouden te studeren. De aanloopfase moet daarom vanaf 1 januari 2026 aanvangen.
Ook vindt eiseres dat sprake is van excessief formalisme in het bestreden besluit van 20 januari 2025. Verweerder heeft de schorsing teruggedraaid, alleen omdat eiseres de naam van haar studie was vergeten in te vullen op het ‘formulier controle inschrijving’. Eiseres doet daarbij een beroep op het evenredigheidsbeginsel.
Tot slot heeft eiseres aangevoerd dat ten onrechte geen bestuurlijke dwangsommen zijn toegekend. Verweerder heeft ten onrechte geconcludeerd dat hij nog vóór of tenminste binnen twee weken na ontvangst van de ingebrekestelling een besluit op het bezwaar van eiseres heeft genomen. Dat het bestreden besluit op 20 januari 2025 en de dwangsombeschikking op de juiste wijze zijn bekendgemaakt, volgt volgens eiseres niet uit de verzendadministratie van verweerder.
6. Verweerder heeft in het verweerschrift en op de zitting gemotiveerd gereageerd op de beroepsgronden van eiseres.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
7. Op de zitting heeft de gemachtigde van eiseres medegedeeld dat geen oordeel meer wordt gevraagd over de beroepsgronden, gericht tegen de dwangsombeschikking en het gestelde excessief formalisme, zoals die zijn beschreven onder rechtsoverweging 5.2 en 5.3 van deze uitspraak. De rechtbank zal daarom enkel oordelen over de beroepsgronden beschreven in rechtsoverweging 5 en 5.1.
Mandaatgebrek artikel 10:10 Awb
De rechtbank heeft vastgesteld dat in het bestreden besluit van 20 januari 2025 niet vermeld is namens welk bestuursorgaan de medewerker bezwaar krachtens mandaat het besluit genomen heeft. Dat bovenaan het bestreden besluit het logo van de Rijksoverheid staat en daarbij ook staat vermeld “Dienst Uitvoering Onderwijs – Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen” maakt dit niet anders, nu daarmee alsnog geen expliciete vermelding is gemaakt van het bevoegde bestuursorgaan, namelijk de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Dit is in strijd met artikel 10:10 van de Awb en er is hiermee sprake van een zorgvuldigheidsgebrek in het bestreden besluit. De rechtbank is van oordeel dat dit gebrek echter gepasseerd kan worden met toepassing van artikel 6:22 van de Awb. Niet in geschil tussen partijen is namelijk dat het besluit is ondertekend door een ambtenaar die daartoe bevoegd was en niet gesteld of gebleken is dat eiseres in haar belangen is geschaad door het niet vermelden van het bestuursorgaan onder dit besluit.
Startdatum aanloopfase
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder op goede gronden de startdatum van de aanloopfase vastgesteld op 1 september 2025. Vaststaat dat de terugbetalingsperiode van rechtswege, namelijk op grond van artikel 6.5, eerste lid van de Wsf 2000, is aangevangen op 1 januari 2023. Dat is ook bij besluit van 13 maart 2023 aan eiseres medegedeeld. Dat de terugbetalingsperiode op grond van artikel 6.5, derde lid, aanhef en onder b van de Wsf 2000, op verzoek van eiseres vervolgens geschorst is geweest, betekent niet dat de startdatum van de terugbetalingsperiode daardoor wijzigt. Verweerder heeft de terugbetalingsperiode verder niet langer kunnen schorsen dan tot 1 september 2025. Uit artikel 6.5, derde lid, van de Wsf 2000 volgt namelijk dat schorsing alleen plaats kan vinden ‘gedurende de voor de debiteur geldende diplomatermijn’. Het staat vast dat de diplomatermijn van eiseres is verlopen met ingang van 1 september 2025. Deze beroepsgrond slaagt dus niet.
Indien eiseres na het verlopen van de aanloopfase van twee jaar opschorting van de betalingsverplichting wenst, kan zij hiervoor een beroep doen op de betreffende regeling voor de aflosfase, zoals beschreven in artikel 6.7, tweede lid van de Wsf 2000.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat verweerder op goede gronden de startdatum van de aanloopfase van de terugbetalingsperiode van de studieschuld heeft vastgesteld op 1 september 2025.
9. Omdat het gebrek in het bestreden besluit van 20 januari 2025, gelet op rechtsoverweging 7.1 van deze uitspraak, met toepassing van artikel 6:22 van de Awb wordt gepasseerd, bestaat er op grond van vaste jurisprudentie van de hoogste bestuursrechter aanleiding om verweerder in de proceskosten te veroordelen.
10. De rechtbank stelt deze proceskostenvergoeding op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op een bedrag van € 1.868,- voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op de zitting, waarde van € 934,- per punt, wegingsfactor 1).
11. Er bestaat in dit geval ook aanleiding om verweerder op grond van artikel 8:74, tweede lid van de Awb, op te dragen het griffierecht van € 53,- aan eiseres te vergoeden.
Beslissing
De rechtbank
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. de Kock-Molendijk, rechter, in aanwezigheid van mr. M.J.J. Roks, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 8 mei 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep, waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. De verzenddatum van deze uitspraak ziet u hierboven vermeld met een stempel.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.