RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.23842
(gemachtigde: mr. M.K. Bhadai),
en
Procesverloop
1. Verweerder heeft op 9 maart 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.
Overwegingen
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 3 april 2026 (in de zaak NL26.14156) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek.
4. Kort samengevat voert eiser aan dat verweerder onvoldoende voortvarend werkt aan zijn uitzetting en dat er ook geen zicht is op uitzetting. Daarbij werkt eiser volledig mee aan de vaststelling van zijn identiteit en nationaliteit. Verder had verweerder kunnen volstaan met een lichter middel. Eiser heeft nooit overlast veroorzaakt in Nederland en is hij geen gevaar voor de openbare orde. Daarnaast heeft hij familie in Nederland waar hij zou kunnen verblijven. De maatregel is daarom disproportioneel.
5. De rechtbank overweegt als volgt.
6. De rechtbank stelt het volgende vast. Verweerder heeft sinds de sluiting van het onderzoek in de zaak met zaaknummer NL26.14156 gerappelleerd over de aanvraag om een laissez-passer (lp) af te geven. Dit rappel was op 2 april 2026. Vervolgens heeft verweerder op 15 april 2026 met eiser een vertrekgesprek gehouden. Op 22 april 2026 is eiser in persoon gepresenteerd bij de ambassade van India. Een dag later, op 23 april 2026, heeft verweerder opnieuw gerappelleerd.
Naar het oordeel van de rechtbank handelt verweerder hiermee voldoende voortvarend. Weliswaar heeft eiser meegewerkt aan de presentatie in persoon, maar hieruit volgt niet dat verweerder sneller moet handelen dan hij nu doet. Verder is er nog steeds zicht op uitzetting. Niet is gebleken van signalen van de Indiase autoriteiten dat geen lp aan eiser zal worden verstrekt, of dat de Indiase autoriteiten in het algemeen geen medewerking (meer) verlenen aan gedwongen uitzetting. Verweerder is afhankelijk van de voortgang en werkwijze van de Indiase autoriteiten en mag de lp vooralsnog afwachten.
Voor de beroepsgronden over het opleggen van een lichter middel, verwijst de rechtbank naar haar eerdere uitspraak van 3 april 2026 (in de zaak NL26.14156). In wat eiser nu aanvoert ziet de rechtbank geen aanleiding voor een ander oordeel. Eiser heeft weliswaar gesteld, maar niet onderbouwd dat hij familie in Nederland heeft waar hij zou kunnen verblijven. Dat eiser geen gevaar is voor de openbare orde en geen overlast veroorzaakt is onvoldoende om te oordelen dat hij in vrijheid moet worden gesteld. Eiser zit namelijk niet vast voor overlast of openbare ordeproblemen, maar omdat er een risico bestaat dat hij zich aan het toezicht zal onttrekken.
7. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe de rechtbank gehouden is, ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring onrechtmatig is geweest. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Smeets, rechter, in aanwezigheid van mr. J.R. Froma, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.