Gezag en verdeling van de zorg- en opvoedingstaken c.q. omgangsregeling
Beschikking op het op 18 oktober 2022 ingekomen verzoek van:
[de moeder] ,
de moeder,
wonende op een voor de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. R.G. Jagesar te ’s-Gravenhage.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de vader] ,
de vader,
wonende op een voor de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. A. Smit te Vught.
Procedure
Bij beschikking van 28 februari 2023 van deze rechtbank – voor zover hier van belang –:
De rechtbank heeft opnieuw kennisgenomen van de stukken, waaronder nu ook:
Op 23 februari 2026 is de behandeling op de zitting voortgezet. Hierbij zijn verschenen: de moeder met haar advocaat, de vader met zijn advocaat en [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming.
Openstaande verzoeken
Aan de rechtbank liggen nu nog voor:
de verzoeken van de moeder– na wijziging – om:
voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
de zelfstandige verzoeken van de vader– na wijziging – om:
- te bepalen dat de moeder haar medewerking dient te verlenen aan de zorgregeling zoals opgenomen in de beschikking van de rechtbank Den Haag van 23 juli 2020 – bekend onder zaaknummer C/09/558563 – inhoudend dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de vader zijn:
althans een door de rechtbank in goede justitie vast te stellen zorgregeling, een en ander onder verbeurte van een dwangsom van € 100,- per kind voor iedere dag dat de moeder nakoming van de in deze te wijze beschikking weigert, althans een door de rechtbank in goede justitie vast te stellen dwangsom;
voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
Beoordeling
De rechtbank handhaaft al hetgeen bij de beschikking van 28 februari 2023 is overwogen en beslist, voor zover in deze beschikking niet anders wordt overwogen of beslist.
Gezag
Wettelijk kader
Op grond van artikel 1:253n, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechtbank op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of één van hen het gezamenlijk gezag beëindigen, indien nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Op grond van artikel 1:253n, tweede lid, BW zijn de gronden van artikel 1:251a, eerste en derde lid, BW, van overeenkomstige toepassing. Dit leidt ertoe dat het gezamenlijk gezag kan worden beëindigd, indien: (a) er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of (b) wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
De rechtbank zal het gezamenlijk gezag van de ouders over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in stand laten. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt. Uitgangspunt van de wetgever is dat ouders gezamenlijk het gezag uitoefenen. Slechts in uitzonderingsgevallen mag worden aangenomen dat het belang van een kind vereist dat één van de ouders met het gezag wordt belast. De rechtbank ziet geen reden om het gezag bij de vader weg te halen. De vader is een betrokken vader in het leven van de kinderen. Uit de stukken en dat wat op de zitting is besproken is duidelijk geworden dat de communicatie over de omgang niet altijd soepel verloopt, maar dat geeft op zichzelf onvoldoende aanleiding om de moeder met het eenhoofdig gezag te belasten. Niet is gebleken dat de vader gezagsbeslissingen belemmert. Zo zijn er in de afgelopen jaren verschillende gezamenlijke beslissingen genomen, zoals de schoolkeuze van [minderjarige 1] en de zwemlessen van [minderjarige 2] . Ook is de rechtbank niet gebleken dat, anders dan de moeder stelt, de eventuele betrokkenheid van de nieuwe partner van de vader bij gezagsbeslissingen enig nadelig effect heeft gehad op de totstandkoming van gezagsbeslissingen. De rechtbank zal daarom het verzoek van de moeder om haar met eenhoofdig gezag te belasten afwijzen.
Verdeling van de zorg- en opvoedingstaken
De rechtbank heeft op de zitting een vergelijk tussen de ouders beproefd. Dit heeft erin geresulteerd dat de ouders het eens zijn geworden over een voorlopige regeling voor het contactherstel tussen [minderjarige 1] en de vader. [minderjarige 1] zal, gelijktijdig met de weekenden dat [minderjarige 2] bij de vader verblijft, op zondag van 11:00 uur tot 17:00 uur bij de vader verblijven. [minderjarige 1] mag zelf bepalen of zij op deze dag bij de vader blijft eten of niet. De vader zal de moeder berichten of [minderjarige 1] wel of niet blijft eten. De rechtbank zal conform deze overeenstemming van de ouders beslissen.
Op de zitting hebben de ouders verder afgesproken om in een mediationtraject te werken aan de verbetering van hun onderlinge verstandhouding en communicatie. De rechtbank geeft voor de mediation als opdracht mee om de communicatie tussen de vader, de moeder en de nieuwe partner van de vader te normaliseren. Concreet denkt de rechtbank aan een kennismakingsgesprek tussen de moeder en de nieuwe partner van de vader, eventueel begeleid. Daarnaast acht de rechtbank het wenselijk dat er een gesprek plaatsvindt tussen [minderjarige 1] en de nieuwe partner van de vader, eveneens begeleid en eventueel met de moeder erbij, afhankelijk van wat de mediator passend vindt. Tijdens dit gesprek kunnen afspraken worden gemaakt over de omgang tussen [minderjarige 1] en de nieuwe partner van de vader als [minderjarige 1] bij de vader is. De vader kan mogelijk, naar inzicht van de mediator, bij dit gesprek aanwezig zijn. Tot slot wordt in de mediation betrokken of er bereidheid is om de oude zorgregeling te hervatten en wat hiervoor nodig is. Op de zitting is besproken dat de gesprekken voor de mediation voor de helft online en voor de helft fysiek zullen plaatsvinden. De vader laat bij de online gesprekken de ruimte zien waar hij zich bevindt.
In afwachting van de resultaten van de mediation zal de rechtbank de beslissing ten aanzien van de zorgregeling pro forma aanhouden tot 1 juli 2026. De ouders dienen de rechtbank in ieder geval veertien dagen vóór die datum ervan op de hoogte te brengen of de mediation tot overeenstemming heeft geleid of niet, onder de mededeling of de zaak op de stukken kan worden afgedaan of dat zij een nadere mondelinge behandeling wensen. De rechtbank zal daarover dan vervolgens een beslissing nemen.
Proceskosten
Nu de rechtbank de beslissing ten aanzien van de zorgregeling zal aanhouden, zal de rechtbank ook de beslissing over de proceskosten aanhouden.
Beslissing
De rechtbank:
*
wijst af het verzoek van de moeder om haar voortaan met het eenhoofdig gezag over de minderjarigen:
te belasten;
*
stelt vast dat [minderjarige 1] voorlopig bij de vader is eens in de twee weken op zondag van
11:00 uur tot 17:00 uur, gelijktijdig met de weekenden dat [minderjarige 2] bij de vader verblijft, waarbij [minderjarige 1] zelf bepaalt of zij aansluitend bij de vader blijft eten of niet;
*
verwijst de ouders naar een mediator met als doel hun onderlinge communicatie te verbeteren en te trachten hun geschil ten aanzien van de zorgregeling tot een oplossing te brengen;
bepaalt dat de ouders zich uiterlijk veertien dagen vóór voornoemde pro formadatum schriftelijk dienen uit te laten over het resultaat van de mediation en de voortgang van deze procedure;
*
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
*
houdt iedere verdere beslissing ten aanzien van de zorgregeling en de proceskosten aan tot 1 juli 2026 pro forma.