[eiser] , eiser,
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. A. Kurt-Gecoglu)
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. S.H.J. Muijlkens).
Inleiding
In het besluit van 7 februari 2024 heeft verweerder bepaald dat eiser na 4 maart 2024 geen recht meer heeft op tijdelijke bescherming zoals bedoeld in de Richtlijn 2001/55/EG (Richtlijn Tijdelijke Bescherming, RTB), en dat hij binnen vier weken na die datum moet terugkeren naar zijn land van herkomst.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen dit besluit.
De rechtbank heeft het beroep aangehouden in afwachting van de beantwoording van de aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) gestelde prejudiciële vragen in de verwijzingsuitspraken van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 29 maart 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:4394, en van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 25 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1742.
Het HvJ EU heeft deze vragen beantwoord in het arrest van 19 december 2024, ECLI:EU:C:2024:1038, in de zaak Kaduna en Abkez. Vervolgens zijn op 23 april 2025 de einduitspraken van de Afdeling verschenen (ECLI:NL:RVS:2025:1827, ECLI:NL:RVS:2025:1829 en ECLI:NL:RVS:2025:1836) en is op 10 juli 2025 de einduitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, verschenen (ECLI:NL:RBAMS:2025:4843).
Naar aanleiding van deze uitspraken heeft verweerder op 22 juli 2025 een vervangend terugkeerbesluit genomen. Op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft het beroep van rechtswege mede betrekking op dit besluit. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld om schriftelijk op dit besluit en de hiervoor genoemde jurisprudentie te reageren.
Eiser heeft aanvullende beroepsgronden ingediend.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het voornemen geuit om uitspraak te doen zonder een zitting te houden. Hierop hebben partijen niet binnen de gegeven termijn gereageerd. De rechtbank doet uitspraak buiten zitting op grond van artikel 8:57, eerste lid, van de Awb.
Beoordeling door de rechtbank
1. Eiser is geboren op [datum] 1996 en heeft de Algerijnse nationaliteit.
2. Ten tijde van de inval in Oekraïne door Rusland op 24 februari 2022 verbleef eiser rechtmatig in Oekraïne op basis van een tijdelijke verblijfsvergunning. Na zijn vlucht naar Nederland vanwege deze inval heeft hij tijdelijke bescherming gekregen op grond van de facultatieve bepaling van de RTB als een zogenoemde ‘derdelander Oekraïne’.
3. In het besluit van 7 februari 2024 heeft verweerder bepaald dat eiser na 4 maart 2024 geen recht meer heeft op tijdelijke bescherming en Nederland binnen vier weken na die datum moet verlaten. Vervolgens is er onduidelijkheid ontstaan over de vraag of de tijdelijke bescherming van de ‘derdelanders Oekraïne’ eerder beëindigd mag worden dan die van ontheemden met de Oekraïense nationaliteit. Daarom heeft verweerder de gevolgen van dit besluit bevroren. Deze bevriezingsmaatregel is per 4 september 2025 gestopt, maar blijft gelden voor personen zoals eiser die nog een lopende procedure hebben. In het vervangende besluit van 22 juli 2025 heeft verweerder bepaald dat het eerdere besluit te vroeg is genomen en dat eiser binnen vier weken na deze uitspraak Nederland moet verlaten.
4. Eiser is het niet eens met de besluiten van 7 februari 2024 en 22 juli 2025 en voert daartoe aan dat aan hem geen terugkeerbesluit kan worden uitgevaardigd nu hij nog tot 4 september 2025 in Nederland mag verblijven. Daarnaast heeft verweerder bij het nemen van het terugkeerbesluit onvoldoende rekening gehouden met eisers recht op eerbiediging van zijn privéleven als bedoeld in artikel 7 van het Handvest en met artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn. Eiser verblijft inmiddels geruime tijd in Nederland, hij verricht arbeid en heeft inmiddels sterke sociale banden met Nederland opgebouwd. In dat kader beroept eiser zich tevens op het evenredigheidsbeginsel als bedoeld in artikel 52 van het Handvest. Gelet hierop had verweerder eiser voorafgaand aan het nemen van het terugkeerbesluit moeten horen. Verweerder stelt ten onrechte dat daartoe geen verplichting bestond. Het terugkeerbesluit is daarom onzorgvuldig tot stand gekomen en ontoereikend gemotiveerd.
5. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het rechtmatig verblijf van eiser op 4 maart 2024 van rechtswege geëindigd is, zodat het vervangende terugkeerbesluit rechtmatig is. Hij had op dat moment ook geen verblijfsvergunning of lopende verblijfsrechtelijke aanvraag. De bevriezingsmaatregel heeft niet te gelden als rechtmatig verblijf en staat dus niet aan het uitvaardigen van een terugkeerbesluit in de weg. Verder
bestaat geen aanleiding voor toetsing aan het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel, nu de
facultatieve tijdelijke bescherming van rechtswege is geëindigd. Verweerder verwijst in dit verband onder meer naar de uitspraak van de Afdeling van 17 januari 2024. Bovendien heeft eiser onvoldoende geconcretiseerd en onderbouwd waarom het terugkeerbesluit in zijn geval onevenredig zou zijn. Dat eiser gedurende zijn tijdelijke verblijf banden met Nederland heeft opgebouwd betekent niet dat het terugkeerbesluit in strijd is met het recht op familie- of privéleven. Eiser heeft immers vanwege het tijdelijke karakter van zijn verblijfsrecht altijd rekening moeten houden met terugkeer. Daarbij is van belang dat eiser onvoldoende heeft onderbouwd waarom het terugkeerbesluit strijd oplevert met zijn recht op privéleven dan wel, gelet op de Terugkeerrichtlijn, onrechtmatig zou zijn. Tot slot is de hoorplicht niet geschonden, omdat eiser vier weken de tijd heeft gekregen om zijn standpunt kenbaar te maken en de omstandigheden die hij naar voren heeft gebracht bij de besluitvorming zijn betrokken.
De rechtbank oordeelt als volgt.
6. In het arrest Kaduna en Abkez en de daarop gevolgde einduitspraken is geoordeeld dat de tijdelijke bescherming van ‘derdelanders Oekraïne’ eerder dan die van Oekraïners mag worden beëindigd, zij het niet vóór 4 maart 2024. Met het vervangende besluit is de tijdelijke bescherming van eiser na die datum beëindigd. Niet gebleken is dat eiser op dat moment of sindsdien in het bezit is geweest van een verblijfsvergunning, dan wel dat hij een aanvraag daartoe heeft lopen. Dat eiser procedureel rechtmatig verblijf heeft om de uitkomst van onderhavige beroepsprocedure af te kunnen wachten, doet niet af aan de vaststelling dat hij met de beëindiging van de facultatieve tijdelijke bescherming niet langer voldoet aan de voorwaarden voor legaal verblijf in Nederland. Verweerder was daarom bevoegd en verplicht om een terugkeerbesluit op te leggen. Daarnaast kan de bevriezingsmaatregel niet anders worden gekwalificeerd dan als een feitelijke opschorting, en daarmee dus niet als rechtmatig verblijf. Het vervangende besluit vermeldt dat hij binnen vier weken moet terugkeren naar Algerije. Daarmee voldoet het vervangende besluit aan de vereisten van de Terugkeerrichtlijn.
7. Eisers beroepsgrond dat hij niet is gehoord voordat een terugkeerbesluit is genomen slaagt ook niet. De rechtbank stelt vast dat verweerder op 4 juni 2025 een voornemen tot het nemen van een terugkeerbesluit heeft uitgebracht. Vervolgens heeft eiser op dit voornemen gereageerd met een zienswijze. Eiser is daarmee voldoende in de gelegenheid gesteld om feiten en omstandigheden naar voren te brengen voordat het vervangende terugkeerbesluit werd genomen, waardoor niet is gebleken van strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel.
8. Op grond van artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn moet bij het uitvaardigen van een terugkeerbesluit rekening worden gehouden met het familie- en gezinsleven. Uit wat door eiser is aangevoerd kan echter niet worden opgemaakt dat hij in Nederland beschermenswaardig familie- of privéleven heeft opgebouwd zoals bedoeld in artikel 7 van het Handvest.
9. De rechtbank ziet ambtshalve geen aanleiding om het vervangende besluit onrechtmatig te achten vanwege strijd met het beginsel van non-refoulement, en verwijst hierbij naar het arrest van het HvJ EU van 17 oktober 2024, ECLI:EU:C:2024:892, in de zaak Ararat.
10. Dit leidt tot de conclusie dat het beroep ongegrond moet worden verklaard. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Het vervangende terugkeerbesluit blijft in stand.
11. Omdat het oorspronkelijke besluit gelet op het arrest Kaduna en Abkez en de daarop gevolgde einduitspraken een gebrek bevatte, is het beroep in zoverre terecht ingediend en bestaat er aanleiding om verweerder de veroordelen in de door eiser(es) gemaakte proceskosten. Deze kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 934, bestaande uit een punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934 en vermenigvuldigd met wegingsfactor 1 (gemiddeld).
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten ter hoogte van € 934 (negenhonderdvierendertig euro).
Deze uitspraak is gedaan op 11 mei 2026 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. P. Lukanika, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.