RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser,
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.21931
V-nummer: [V-nummer] ,
(gemachtigde: mr. R. Deniz),
en
Procesverloop
Bij het besluit van 13 april 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen, omdat Bulgarije verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Awb uitspraak zonder zitting.
Beoordeling door de rechtbank
1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 2007 en de Nigeriaanse nationaliteit te hebben. Hij heeft op 13 maart 2026 een asielaanvraag in Nederland ingediend.
2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen. Uit onderzoek in EU-Vis is gebleken dat eiser door de buitenlandse vertegenwoordiging van Bulgarije in het bezit is gesteld van een visum, dat geldig was van 20 januari 2026 tot 14 april 2026. Op grond van artikel 12, tweede lid, van de Dublinverordening heeft verweerder aan Bulgarije een verzoek om overname gedaan. Op 4 april 2026 hebben de Bulgaarse autoriteiten het verzoek aanvaard, waarmee de verantwoordelijkheid van Bulgarije vaststaat.
3. Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit en voert daartegen aan dat verweerder onvoldoende kenbaar alle persoonlijke omstandigheden heeft betrokken bij de besluitvorming. In dit verband verwijst eiser naar de uitspraak van de Afdeling van 11 april 2025. Het aan het besluit ten grondslag liggende voornemen bevat onvoldoende maatwerk en niet alle dragende overwegingen inzichtelijk zijn gemaakt. Daarnaast voert eiser aan dat niet kenbaar is op welke wijze verweerder toepassing heeft gegeven aan artikel 17 van de Dublinverordening. Ten slotte stelt eiser dat overdracht aan Bulgarije leidt tot een schending van artikel 3 van het EVRM, gelet op zijn medische omstandigheden.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. Eiser wordt niet gevolgd in zijn stelling dat niet al zijn persoonlijke omstandigheden in het voornemen zijn betrokken. Hoewel niet alle verklaringen van eiser kenbaar in het voornemen zijn betrokken, zijn daarin wel de door verweerder dragende overwegingen opgenomen. Eiser heeft door het indienen van een zienswijze de gelegenheid gehad om op het voornemen te reageren. Verweerder heeft vervolgens in het bestreden besluit de verklaringen van eiser uit het aanmeldgehoor en hetgeen eiser in de zienswijze naar voren heeft gebracht, betrokken. In dit kader verwijst de rechtbank naar de uitspraak van de Afdeling van 23 november 2023, waarin sprake was van een vergelijkbare handelwijze van verweerder. De verwijzing van eiser naar de uitspraak van de Afdeling van 11 april 2025 leidt niet tot een ander oordeel, nu de Afdeling daarin bevestigt dat het voornemen de dragende overwegingen moet bevatten. Daarvan is in dit geval sprake. Door eiser is ook niet geconcretiseerd hoe hij hierdoor in zijn belangen is geschaad. Daarnaast is het voornemen geen rechtshandeling, maar een voorgenomen mededeling van feitelijke aard die aan eiser wordt bekendgemaakt en geen op rechtsgevolg gericht besluit vormt. Eiser is in de gelegenheid gesteld om op het voornemen te reageren voordat het bestreden besluit werd genomen, waarvan hij gebruik heeft gemaakt. De beroepsgrond slaagt niet.
5. In beginsel mag verweerder ten opzichte van Bulgarije, dat evenals Nederland partij is bij het EVRM en het Vluchtelingenverdrag, uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit is reeds bevestigd in de uitspraken van de Afdeling van 25 mei 2025 en 20 april 2026. Het ligt op de weg van eiser om aannemelijk te maken dat in zijn geval hier niet van kan worden uitgegaan. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser er niet in is geslaagd om aannemelijk te maken dat de Bulgaarse autoriteiten hun verdragsverplichtingen jegens hem niet zullen nakomen en dat bij terugkeer een situatie zal ontstaan die in strijd is met artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest. Ook is niet gebleken van ernstige, structurele tekortkomingen in het asielsysteem of de opvangvoorzieningen. Daarnaast heeft verweerder terecht overwogen dat eiser zich bij voorkomende problemen kan wenden tot de (hogere) Bulgaarse autoriteiten. Niet is gebleken dat eiser bij voorkomende problemen niet kan klagen of dat dit bij voorbaat zinloos is.
6. Verder heeft verweerder in de gestelde omstandigheden geen reden hoeven zien om de verantwoordelijkheid aan zich te trekken. De rechtbank merkt daarbij op dat eiser zijn gestelde depressie niet heeft onderbouwd. Niet is gebleken dat sprake is van medische omstandigheden of dat eiser hiervoor onder behandeling staat. Verder heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij eventuele medische behandelingen niet in Bulgarije zou kunnen krijgen of dat de behandeling enkel in Nederland beschikbaar is. Ook zijn het geen aanwijzingen dat Nederland het meest geschikte land is voor een eventuele behandeling. Verweerder heeft dan ook in redelijkheid kunnen beslissen dat er geen aanleiding is om toepassing te geven aan artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening.
7. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser terecht niet in behandeling genomen. Het beroep is ongegrond.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op *** mei 2026 door mr. ***, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Mohandes, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.