RECHTBANK Den Haag
Team handel
Zaaknummer: C/09/686096 / HA ZA 25-474
Vonnis van 4 februari 2026
in de zaak van
1. [eisende partij 1] ,
te [woonplaats] ,2. [eisende partij 2],
te [woonplaats] ,
eisende partijen,
hierna samen te noemen: [eisende partijen] c.s.,
advocaat: mr. F.P. van Galen,
tegen
GEMEENTE LISSE,
te Lisse,
gedaagde partij,
hierna te noemen: de Gemeente,
advocaat: mr. T. Barshini.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 20 mei 2025 met producties 1 tot en met 15;
- de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 12;
- de akte overlegging aanvullende producties, met producties 16 tot en met 21;
- het tussenvonnis van 15 oktober 2025 waarbij een de mondelinge behandeling is bepaald.
Op 12 januari 2026 heeft de mondelinge behandeling van de zaak plaatsgevonden. De advocaten hebben de zaak nader toegelicht, vragen van de rechtbank beantwoord en op elkaar gereageerd. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat er tijdens de mondelinge behandeling is voorgevallen.
2. De feiten
[eisende partij 1] heeft op 16 augustus 2017 met haar toenmalige partner, [naam 1] , een woning met grond, paardenstallen, een paardenbaken twee paddocks gekocht, gelegen aan de [adres] (hierna: de woning). De verkopers waren [naam 2] en [naam 3] . De woning is geleverd op 11 september 2017.
Het zuidelijk deel van (het perceel behorende bij) de woning ligt in het plangebied van het bestemmingsplan “Landelijk Gebied”, zoals dat door de gemeenteraad werd vastgesteld op 12 september 2013. Het noordelijk deel ligt in het plangebied van het bestemmingsplan [bestemmingsplan] , zoals dat door de gemeenteraad werd vastgesteld op 19 juni 2012. Het zuidelijke deel is in onderstaande overzichtsfoto geel/groen gekleurd, en het noordelijke deel omvat het overige gedeelte van perceel 4142.
Op 19 april 2016 heeft [eisende partij 1] , mede namens [naam 1] , een e-mail gestuurd aan de Gemeente. Die e-mail luidt, voor zover relevant, als volgt:
“Graag zou ik u de volgende vragen willen stellen over twee verschillende percelen die wij te koop hebben zien staan. Voordat wij overgaan tot verdere stappen willen wij graag weten wat er mogelijk is op deze percelen.
Het eerste perceel is de [adres] een gemeente die bij de gemeente Lisse hoort. Dit is een perceel van 10.060 meter volgens de makelaar, waar paarden op mogen worden gehouden.
* Mag er op dit perceel bedrijfsmatig paarden worden gehouden? Vanaf hoeveel paarden is paardenhouderij bedrijfsmatig bij de gemeente Lisse?
*Wat is de bestemming van het perceel?
* Staan alle gebouwen die er momenteel staan, daar met vergunning?
* Zou het toegestaan zijn om de rijbak te overkappen? Dat wil zeggen dat we er geen dichte schuur omheen willen bouwen maar eentje met open wanden behalve vanaf de kant waar de meeste regen/wind vandaan komt.
* Wat mag er nog gebouwd worden op het perceel en hoe hoog zou dit mogen zijn?
* Mogen wij een deel van het weiland verzanden? (…).”
Nog dezelfde dag heeft [naam 4] , sinds 2003 Juridisch medewerker Vergunningen bij de Gemeente, geantwoord als volgt:
“Voor dat ik een antwoord kan geven wil ik wat meer informatie van u hebben.
Onduidelijk is de locatie die u bedoeld, het gebied valt in meerdere bestemmingsplannen en bestemmingen.
Zou u dit op de luchtfoto aan willen geven en waar u iets zou willen bouwen.”
[eisende partij 1] heeft nog steeds dezelfde dag, voor zover relevant, geantwoord als volgt:
“Ik heb in de kaart in groen omrand aangegeven het perceel waar het om gaat en in groen waar de buitenbak nu ligt. Daar staat “BAK” op in de tekening. Een eerste vraag is of de huidige paardenbak mag worden overkapt. En verder willen we graag weten of er nog andere mogelijkheden, waar ook op het perceel, zijn tot bouwen. (…)
Wij hebben geprobeerd om ons te verdiepen in de materie bestemmingen en wat wel en niet mag. Maar dat is voor een leek heel lastig te beoordelen. Wat is bijvoorbeeld het verschil tussen wonen en woongebied en wat mag je op een bouwvlak wel en niet? Bovendien hangt er veel van af en is er veel geld mee gemoeid. Ik zou daarom heel graag even bij u langs komen om het e.e.a. te bespreken.”
Op 29 april 2016 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [eisende partij 1] en [naam 4] . [eisende partij 2] , de moeder van [eisende partij 1] , was ook bij dit gesprek aanwezig en heeft daarvan, voor zover relevant, de navolgende schriftelijke aantekeningen gemaakt (hierna: het gespreksverslag):
De relatie tussen [eisende partij 1] en [naam 1] is in 2020 beëindigd. [naam 1] heeft vervolgens zijn aandeel in de onverdeelde gemeenschap overgedragen aan [eisende partij 2] .
Na 2016 zijn gemeenten op aanwijzing van de Provincie Zuid-Holland begonnen met handhaving van de bestemminsplanregels inzake paardenbakken. Op 4 maart 2022 hebben twee toezichthouders namens de Gemeente het terrein rondom de woning bezocht. Uit het constateringsrapport volgt dat op het gedeelte van het terrein waarop de bestemming natuur rust een paardenbak met lichtmasten en een aantal opstallen/bouwwerken aanwezig zijn en dat dit strijd oplevert met het ter plaatse geldende bestemmingsplan.
[eisende partijen] c.s. en de Gemeente hebben in de periode april 2023 - oktober 2024 meerdere gesprekken met elkaar gevoerd en voorstellen uitgewisseld om tot een oplossing te komen, maar tot op heden zonder succes.
Momenteel ligt een voorstel van [eisende partijen] c.s. ter beoordeling voor bij de Provincie.
3. Het geschil
[eisende partijen] c.s. vordert dat de rechtbank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
(i) voor recht verklaart dat de Gemeente jegens [eisende partijen] c.s. onrechtmatig heeft gehandeld;
(ii) de Gemeente veroordeelt tot vergoeding aan [eisende partijen] c.s. van de schade die zij als gevolg van dit onrechtmatig handelen heeft geleden en zal lijden, nader op te maken bij staat;
(iii) de Gemeente in de kosten van deze procedure veroordeelt.
Aan haar vordering legt [eisende partijen] c.s. ten grondslag dat op basis van de mededeling van [naam 4] (de Gemeente) tijdens het gesprek op 29 april 2016 dat de paardenbak legaal was, in samenhang met de omstandigheid dat het bestemmingsplan de functieaanduiding ‘stalruimte’ aan de gronden waarop de stallen staan toekent, zij er op heeft mogen vertrouwen dat de destijds bestaande situatie legaal was. Daarbij is van belang dat zij in de e-mails van 19 april 2016 aan de Gemeente concrete vragen over de mogelijkheden van het perceel binnen het bestemmingsplan heeft gesteld, en uit dezelfde e-mails volgt dat het antwoord op de vragen van belang was met het oog op de aankoop van de woning. De Gemeente had zich dus moeten realiseren dat er met de vragen van [eisende partij 1] een aanzienlijk financieel belang gemoeid was. Verder was [naam 4] bij de Gemeente werkzaam als Juridisch technisch medewerker Vergunningen. Van een medewerker met die functie mag redelijkerwijs verwacht worden dat hij over de kennis beschikt om antwoorden te verstrekken op de vragen die [eisende partij 1] heeft gesteld, zodat [eisende partij 1] er ook op heeft mogen vertrouwen dat [naam 4] haar tijdens het gesprek juiste en volledige inlichtingen heeft gegeven. Op basis van dat gerechtvaardigd vertrouwen heeft zij besloten om de woning aan te kopen. De woning heeft zonder de mogelijkheid tot het gebruik van de paardenbak een aanzienlijk lagere waarde, mede vanwege het feit dat de aanwezig legaal gebouwde paardenstal dan minder bruikbaar is. De schade bestaat in ieder geval uit het bedrag dat [eisende partijen] c.s. te veel betaald heeft voor de aankoop de woning.
De Gemeente voert verweer. [naam 4] kan zich, mede gelet op tijdsverloop en de hoeveelheid soortelijke gesprekken die hij met anderen heeft gevoerd, het gesprek op 29 april 2016 niet herinneren. Het is echter zeer onwaarschijnlijk dat hij heeft gezegd dat de paardenbak legaal was omdat blijkens het gespreksverslag van [eisende partij 2] hij er in ieder geval op heeft gewezen dat op het noordelijke deel van het perceel de bestemming natuur rust, en dat daar niets mag worden gebouwd. Het meest waarschijnlijke scenario is dat [naam 4] zich tijdens het overleg heeft beperkt tot het juist en feitelijk toelichten van de toepasselijke gebruiksregels inzake de bestemmingsplannen ‘Landelijk gebied’ en ‘ [bestemmingsplan] ’. [eisende partijen] c.s. heeft als leek de uitleg van [naam 4] mogelijk verkeerd begrepen. Zelfs indien de door [eisende partijen] c.s. gestelde uitlatingen zijn gedaan, geldt dat zij daar niet zonder meer op mocht vertrouwen. Er kan slechts sprake zijn geweest van een oriënterend gesprek. [eisende partijen] c.s. had niet mogen volstaan met de tijdens een mondeling gesprek verkregen informatie, maar had nader onderzoek naar de geldende bestemmingsplannen moeten doen, of ten minste de van [naam 4] verkregen informatie moeten verifiëren. Ook een leek had redelijkerwijs moeten begrijpen dat de gebruiksmogelijkheden op het gedeelte van het perceel met de bestemming ‘natuur’ zeer beperkt zijn. Juist omdat met de aankoop van de woning een substantiële investering gemoeid was, mocht van [eisende partij 1] een vergaande mate van zorgvuldigheid en onderzoek worden verwacht.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4. De beoordeling
In geschil is of de Gemeente onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eisende partijen] c.s. doordat zij haar onjuiste of onvolledige inlichtingen zou hebben gegeven naar aanleiding van een door [eisende partij 1] gedaan verzoek, over de mogelijkheden die het vigerende bestemmingsplan biedt. Daarbij spitst het geschil zich toe op de in het noordelijk deel van het perceel aanwezige paardenbak.
Onjuiste inlichtingen inzake de paardenbak?
[eisende partij 1] stelt dat zij de Gemeente bij e-mailberichten van 19 april 2016 heeft gevraagd om een gesprek over de mogelijkheden die het bestemmingsplan biedt ten aanzien van twee percelen die zij overwoog te kopen, waarbij zij concrete vragen heeft geformuleerd over onder meer (de overkapping van) de paardenbak. In het daaropvolgende gesprek van 29 april 2016 heeft de Gemeente ( [naam 4] ) gezegd dat de paardenbak zoals die er lag was toegestaan. Dit blijkt ook uit het gespreksverslag dat haar moeder, [eisende partij 2] , tijdens het gesprek heeft gemaakt. [eisende partij 2] heeft in haar professionele loopbaan 46 jaar lang notulen gemaakt, zodat er volgens Stein c.s. geen reden is voor twijfel aan de juistheid daarvan.
De door de Gemeente gegeven informatie blijkt echter onjuist te zijn.
De Gemeente heeft daartegen aangevoerd dat [naam 4] zich het gesprek niet kan herinneren. Daarnaast heeft de Gemeente zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het onwaarschijnlijk is dat [naam 4] gezegd zou hebben dat de paardenbak was toegestaan. De vermelding “bak mag” in de gespreksaantekening ziet volgens de Gemeente op het andere gedeelte van het perceel met bestemming Landelijk Gebied en niet op bestemmingsplan [bestemmingsplan] omdat daarin niet 800 m2 wordt genoemd. In een gesprek zoals gevoerd tussen [naam 4] en [eisende partij 1] beperkt een ambtenaar zich tot een toelichting van het bestemmingsplan en doet geen toezeggingen.
Naar het oordeel van de rechtbank is de enkele stelling van de Gemeente dat [naam 4] zich het gesprek niet kan herinneren onvoldoende betwisting van het door [eisende partij 1] gestelde. Wat de Gemeente voor het overige naar voren heeft gebracht is eveneens onvoldoende voor twijfel aan de juistheid van het gespreksverslag. De rechtbank licht dit als volgt toe.
In het gespreksverslag staat, voor zover hier van belang: “ [bestemmingsplan] is bestem[ming] natuur, daar mag niets gebouwd, niet overkapp[ing].
bak mag is max, niet meer verzanden
bak ligt er mag 800m2
extra zand elders perceel tuin is rest
daar mag wel verzanden in best[emming] tuin”
Zoals Stein ter zitting onweersproken heeft toegelicht is de bestaande paardenbak 800m2 en was een van haar vragen of een grotere paardenbak, van 1200 m2, mogelijk was. De passages “bak mag is max, niet meer verzanden,
bak ligt er mag 800m2” en de daarop volgende passage “extra zand elders perceel tuin is rest
daar mag wel verzanden in best[emming] tuin” sluiten aan op deze vraag. Eerstgenoemde passage moet naar het oordeel van de rechtbank daarom zo begrepen worden dat is gezegd dat de al bestaande bak van 800 m2 mocht, maar niet groter dan dat.
Het verweer van de Gemeente dat [naam 4] enkel zou toetsen aan bestemmingsplannen en geen toezeggingen zou doen, leidt niet tot een ander oordeel. [eisende partij 1] heeft ter zitting onweersproken gesteld dat zij al eigen onderzoek had gedaan naar de geldende bestemmingsplannen, maar dat haar als leek niet volledig duidelijk was wat met bepaalde termen werd bedoeld, zoals de term ‘extensieve dagrecreatie’. In haar emailbericht van 19 april 2016 heeft [eisende partij 1] daarom gevraagd om uitleg van de vigerende bestemmingsplannen betreffende de twee percelen en de daarmee samenhangende mogelijkheden, waarbij zij concrete vragen heeft gesteld en de verbeeldingen (plankaarten) van de percelen heeft meegestuurd. [naam 4] heeft teneinde een antwoord op de gestelde vragen te kunnen geven zich op de hoogte gesteld van de specifieke locatie en de daarop betrekking hebbende bestemmingsplannen, zoals blijkt uit zijn emailbericht van 19 april 2016. Vervolgens heeft het gesprek tussen partijen plaatsgevonden. Aannemelijk is dat daarbij, conform de insteek van het verzoek en aan de hand van de concrete vragen van [eisende partij 1] , waaronder de vraag over de paardenbak, is besproken wat wel en niet mogelijk was op de percelen, zoals is opgetekend in het gespreksverslag. [naam 4] heeft in dit verband ter zitting verklaard dat het bij dit soort gesprekken gebruikelijk is dat, als in de voorbereiding op het gesprek wordt geconstateerd dat op het perceel sprake is van gebruik in strijd met het bestemmingsplan, dit tijdens het gesprek aan de informatieverzoeker wordt medegedeeld. Het is aldus zeer aannemelijk dat [naam 4] de verenigbaarheid van de paardenbak met het bestemmingsplan heeft beoordeeld en dat zijn bevindingen tijdens het gesprek zijn besproken, omdat een dergelijke beoordeling voorafgaat aan het antwoord op de schriftelijke vraag of de paardenbak mag worden overkapt. De rechtbank acht in dit verband ten slotte van belang dat ter zitting namens de Gemeente is verklaard dat ten tijde van het gesprek in 2016 nog geen handhavingsbeleid ten aanzien van paardenbakken bestond of werd uitgevoerd, en daar pas later na een aanwijzing van de Provincie verandering in is gekomen.
De Gemeente heeft ten slotte nog gesteld dat de woorden in de gespreksaantekeningen “bak mag” mogelijk zien op het plangebied “Wonen-Erf” van het bestemmingsplan “Landelijk Gebied”, waar een paardenbak van maximaal 800m2 wel is toegestaan, maar de rechtbank verwerpt dit betoog. Uit de gespreksaantekeningen volgt duidelijk dat de zin “bak mag” onder het kopje “ [bestemmingsplan] ” staat. [eisende partij 1] heeft ter zitting onweersproken gesteld dat de regels waar de Gemeente naar verwijst zien op de aanlegregels. Nu voor de inwerkingtreding van het bestemmingsplan [bestemmingsplan] al een paardenbak van 800m2 op het perceel aanwezig was, blijft deze toegestaan. De aantekeningen sluiten daarmee aan op de vraagstelling van [eisende partij 1] : de huidige bak van 800m2 is wél toegestaan, maar uitbreiding naar 1.200m2 is niet mogelijk.
Op grond van het vorenstaande is de (tussen)conclusie dat er geen reden is om aan de juistheid van het gespreksverslag te twijfelen. De rechtbank gaat er daarom van uit dat tijdens het gesprek op 29 april 2016 de Gemeente ( [naam 4] ) aan [eisende partijen] c.s. heeft gezegd dat de al bestaande paardenbak was toegestaan.
Onrechtmatig?
Niet in geschil is dat deze mededeling onjuist blijkt te zijn. Partijen verschillen echter van mening over de vraag of dit al dan niet een onrechtmatige (overheids)daad jegens [eisende partij 1] oplevert.
Bij de beoordeling stelt de rechtbank voorop dat de (enkele) omstandigheid dat een overheidsorgaan onjuiste en/of onvolledige inlichtingen verschaft niet automatisch betekent dat sprake is van onrechtmatig handelen door dat overheidsorgaan. Het antwoord op de vraag of de Gemeente onrechtmatig heeft gehandeld hangt af van de omstandigheden van het geval, waaronder in de eerste plaats de inhoud van het gedane verzoek en hetgeen de Gemeente daaromtrent heeft moeten begrijpen, en de aard en inhoud van de door de Gemeente in antwoord daarop gegeven inlichtingen en hetgeen de belanghebbende, hier [eisende partij 1] , daaromtrent heeft moeten begrijpen. Eerst indien de belanghebbende in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs erop heeft mogen vertrouwen dat hem juiste en volledige inlichtingen met een bepaalde inhoud werden gegeven, kan plaats zijn voor het oordeel dat het verstrekken van die inlichtingen, indien deze onjuist of onvolledig zijn, onrechtmatig is jegens de belanghebbende en dat de Gemeente deswege jegens de belanghebbende aansprakelijk is doordat deze door die onjuiste of onvolledige inlichtingen, kort gezegd, op het verkeerde been is gezet (HR 25 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW0219, r.o. 3.5.1).
Op grond van de hoofdregel van artikel 150 Rv rust op [eisende partijen] c.s. de stelplicht en bij voldoende betwisting, de bewijslast voor feiten en omstandigheden waarop haar vorderingen zijn gebaseerd.
De rechtbank is van oordeel dat dit zo is, gelet op alle omstandigheden van het geval. De rechtbank motiveert dat hieronder als volgt.
Eén van de omstandigheden die relevant is, is of het doel van de vraag die werd gesteld (voldoende) duidelijk kenbaar was voor degene aan wie de informatie gevraagd werd en degene die het antwoord heeft gegeven. Een andere omstandigheid die relevant is, is of kenbaar was welke belangen op het spel stonden.
[eisende partijen] c.s. heeft onweersproken gesteld dat zij eerst eigen onderzoek heeft gedaan naar de bestemmingsplannen en de mogelijkheden, en daartoe ook meerdere professionals heeft geraadpleegd. Ieder van hen heeft, toen onduidelijkheden over de mogelijkheden binnen de bestemmingsplannen bleven bestaan, doorverwezen naar de Gemeente, als opsteller van de bestemmingsplannen. [eisende partij 1] heeft daarom een gesprek gevraagd met de Gemeente om uitleg van de bestemmingsplanregels en de daarmee samenhangende mogelijkheden op de percelen te krijgen alvorens zij tot een mogelijke koop van die percelen zou besluiten. Zij heeft haar vragen van tevoren op schrift gesteld en per e-mail aan de Gemeente toegestuurd en daarbij vermeld dat zij een leek is en dat er veel van de antwoorden op haar vragen afhing omdat er veel geld was gemoeid met de (mogelijke) aankoop van de twee percelen. [naam 4] heeft daarop bericht (email van 19 april 2016) dat hij voor de beantwoording van haar vragen meer informatie nodig had, over de locatie. Die heeft [eisende partij 1] hem diezelfde dag gestuurd. Daarna vond het gesprek plaats op 29 april 2016.
Uit deze geschetste gang van zaken wordt duidelijk dat het doel van het gesprek was dat [eisende partij 1] (definitieve) antwoorden zou verkrijgen op enkele concrete vragen die zij de Gemeente op 19 april 2016 had toegestuurd en dat daartoe het gesprek dat op 29 april 2016 plaatsvond van tevoren is voorbereid (email [naam 4] van 19 april 2016). [eisende partij 1] heeft daarbij duidelijk gecommuniceerd dat de antwoorden bepalend waren voor haar beslissing om al dan niet tot aankoop van de percelen over te gaan. Het betrof dus niet slechts een oriënterend gesprek. [eisende partij 1] heeft in haar e-mails eveneens vermeld dat er veel geld was gemoeid met de (mogelijke) aankoop van de twee percelen, zodat er veel van afhing.
Het doel en het belang van [eisende partij 1] waren daarom kenbaar voor [naam 4] (en de Gemeente).
Een verdere relevante omstandigheid is of de informatie die is verstrekt in antwoord was op een duidelijke vraag, of dat die vraag voor verschillende uitleg vatbaar was. De vragen van [eisende partij 1] waren 1) of zij de huidige paardenbak van 800 m2 mocht overkappen, en 2) of de bestaande paardenbak eventueel mocht worden uitgebreid naar 1200 m2 ? Het betrof hier duidelijke vragen waarop door de Gemeente duidelijk antwoord is gegeven: de bestaande paardenbak van 800 m2 was toegestaan, maar overkapping en uitbreiding daarvan niet.
Een laatste omstandigheid die meeweegt is of [eisende partij 1] redelijkerwijs heeft mogen vertrouwen op de juistheid van de verstrekte informatie of dat van haar mocht worden verwacht dat zij de informatie verder zou verifiëren. [eisende partij 1] meent dat zij op de gegeven informatie mocht vertrouwen, maar de Gemeente betwist dit.
Bij de vraag of een burger redelijkerwijs had mogen vertrouwen op de juistheid van de informatie speelt de hoedanigheid van de burger een rol, en hoe de informatie verstrekt is en door wie de informatie verstrekt is.
[eisende partij 1] is een particulier, die bovendien in haar email duidelijk heeft vermeld dat zij een leek is op het gebied van bestemmingsplannen. [naam 4] daarentegen was als sinds 2003 werkzaam als Juridisch medewerker Vergunningen bij de Gemeente en beschikte dus over de nodige professionele expertise. De Gemeente heeft ook niet duidelijk gemaakt hoe [eisende partij 1] anders dan het informeren bij de Gemeente uitsluitsel over de mogelijkheden van de percelen binnen de bestemmingsplannen had kunnen krijgen. Naar het oordeel van de rechtbank mocht [eisende partijen] c.s. er daarom in redelijkheid op vertrouwen dat de door de Gemeente ( [naam 4] ) gegeven informatie dat de bestaande paardenpak was toegestaan juist was.
De rechtbank ziet niet in dat er nog meer van [eisende partij 1] verwacht mocht worden, zoals de Gemeente stelt. Gelet op het voortraject (concrete vragen en voorbereiding), het doel van het gesprek (het verkrijgen van duidelijkheid over specifieke mogelijkheden op de percelen) en het resultaat daarvan (gegeven duidelijkheid over de mogelijkheden) was er immers geen reden voor een nader gesprek. Ook het feit dat [eisende partij 1] geen nadere e-mail heeft gestuurd na het gesprek ter bevestiging van het besprokene, maakt niet dat [eisende partijen] c.s. niet mocht uitgaan van de juistheid van de door de Gemeente tijdens het gesprek verstrekte informatie over de paardenbak, nu het antwoord van de Gemeente duidelijk en overzichtelijk was. [eisende partij 1] hoefde er daarom niet bedacht op te zijn dat zij de informatie mogelijk verkeerd zou hebben begrepen, zodat een bevestigingsmail in die zin geen toegevoegde waarde zou hebben.
De rechtbank komt op basis van het voorgaande tot de conclusie dat de Gemeente door het geven van de onjuiste inlichting jegens [eisende partij 1] onrechtmatig heeft gehandeld omdat zij hierdoor op het verkeerde been is gezet. Nu [eisende partij 2] bij het gesprek aanwezig is geweest, in 2020 het aandeel van [naam 1] heeft overgenomen, en de Gemeente jegens [eisende partij 2] geen zelfstandig verweer heeft gevoerd, is de gevorderde verklaring voor recht ook met betrekking tot [eisende partij 2] toewijsbaar.
Schade
[eisende partijen] c.s. heeft verder een veroordeling tot schadevergoeding van haar schade nader op te maken bij staat gevorderd. Voor een verwijzing naar de schadestaatprocedure is nodig dat de mogelijkheid van schade aannemelijk is. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [eisende partijen] c.s. de mogelijkheid van schade door de onjuiste informatie voldoende aannemelijk gemaakt. Op basis van de onjuiste informatie heeft [eisende partijen] c.s. immers besloten tot aankoop van de woning voor een aanzienlijke koopprijs terwijl, zoals zij onweersproken heeft gesteld, de functionaliteit daarvan zonder het gebruik van de paardenbak minder is, waardoor ook de waarde lager is. Daarnaast is ter zitting naar voren gekomen dat inmiddels een actief handhavingsbeleid wordt gevoerd op paardenbakken zodat [eisende partijen] c.s. verwijdering van de huidige paardenbak boven het hoofd hangt, met alle kosten van dien. Ook deze vordering zal daarom worden toegewezen op de wijze als bepaald in de beslissing.
Proceskosten
Als de in het ongelijk gestelde partij zal de Gemeente worden veroordeeld in de kosten van deze procedure. De kosten worden aan de kant van [eisende partijen] c.s. als volgt begroot:
- dagvaarding € 148,04
- griffierecht € 331
- salaris advocaat € 1.306 (2 punten × tarief II à € 653)
- nakosten € 189 (plus verhoging bij betekening van het vonnis)
totaal € 1.974,04
5. De beslissing
De rechtbank:
verklaart voor recht dat de Gemeente onrechtmatig tegenover [eisende partijen] c.s. heeft gehandeld door mee te delen dat het vigerende gemeentelijke bestemmingsplan de bestaande paardenbak van 800 m2 toestaat;
veroordeelt de Gemeente tot vergoeding van de daardoor door [eisende partijen] c.s. geleden en nog te lijden schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;
veroordeelt de Gemeente in de proceskosten van [eisende partijen] c.s. van € 1974,04, te betalen binnen 14 dagen na aanschrijving daartoe. Als de Gemeente niet tijdig aan deze veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet zij € 92 extra aan nakosten betalen, plus de kosten van betekening;
verklaart de veroordeling onder 5.2 en 5.3. van dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.J. Kuipers en in het openbaar uitgesproken op 4 februari 2026.
3150