RECHTBANK DEN HAAG
[eiser] , eiser en verzoeker, hierna eiser
de minister van Asiel en Migratie, de minister
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummers: NL26.7157 (beroep)
NL26.7158 (voorlopige voorziening)
V-nummer: [V-nummer]
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
(gemachtigde: mr. K. Mohasselzadeh),
en
(gemachtigde: mr. Y.M. van der Lei).
Procesverloop
Bij besluit van 9 februari 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld bij de rechtbank en de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De rechtbank/voorzieningenrechter (hierna rechtbank) heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 12 maart 2026 samen op zitting behandeld. Eiser is verschenen, samen met zijn gemachtigde en M. Erbek als tolk in de Turkse taal. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Overwegingen
De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.
1. Eiser voert aan dat het claimverzoek te laat is gedaan, waardoor eiser onnodig lang op de uitkomst heeft moeten wachten. Daarnaast is eiser bang om terug te gaan naar Duitsland, omdat zijn eerdere asielaanvraag daar al is afgewezen en hij nu vreest te worden uitgezet naar Azerbeidzjan, het land dat hij is ontvlucht.
2. De asielaanvraag is ingediend op 4 september 2025. Het terugnameverzoek is gedaan op 4 november 2025. Duitsland heeft het verzoek op 5 november 2025 geaccepteerd. Het claimverzoek is dus precies binnen twee maanden na de asielaanvraag gedaan, zoals vereist is in artikel 23, tweede lid, van de Dublinverordening. Dat is dus tijdig.
3. Met betrekking tot het risico om door Duitsland te worden uitgezet naar Azerbeidzjan overweegt de rechtbank als volgt. In de Dublinprocedure bestaat voor de bestuursrechter geen ruimte om te onderzoeken of de vreemdeling een risico loopt op indirect réfoulement als gevolg van het beschermingsbeleid dat geldt in de lidstaat waarnaar een vreemdeling wordt overgedragen. Dat is vaste jurisprudentie. Ten overvloede voegt de rechtbank daaraan toe dat in Duitsland dezelfde Europese regels gelden voor de behandeling van asielaanvragen als in Nederland. Eisers asielaanvraag in Nederland zou dus aan dezelfde regels worden getoetst als een eventuele nieuwe aanvraag in Duitsland.
4. De beroepsgronden slagen niet. Het beroep is ongegrond. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 12 maart 2026 door mr. H.J. Schaberg, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. E. Waal, griffier.
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.