ECLI:NL:RBDHA:2026:11609

ECLI:NL:RBDHA:2026:11609

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 15-05-2026
Datum publicatie 13-05-2026
Zaaknummer 09/340936-25 en 09/164300-22 (TUL)
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Veroordeling voor 6 insluipingen in woningen en 3 pogingen daartoe in Zoetermeer en Voorschoten. Gevangenisstraf van 24 maanden waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar en bijzondere voorwaarden. Beslissing vordering benadeelde partij en vordering tenuitvoerlegging.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige kamer

Parketnummers: 09/340936-25 en 09/164300-22 (TUL)

Datum uitspraak: 15 mei 2026

Tegenspraak

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 2002 te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),

BRP-adres: [adres 1] ,

op dit moment gedetineerd in de penitentiaire inrichting [regio] , PPC .

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 23 maart 2026 (pro forma) en 1 mei 2026 (inhoudelijke behandeling).

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. A.M.A. Ramdhari-Beckers, en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsvrouw, mr. W.G. Nieman, naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 24 oktober 2025 tot enmet 6 december 2025 te Voorschoten en/of Zoetermeer, in elk geval in Nederland,(meermalen en/of telkens) in een woning alwaar verdachte zich buiten weten oftegen de wil van de rechthebbende bevond,- een bankpas en/of een crypto(bank)pas en/of ongeveer 50 euro, en/of- twee paar schoenen en/of vier truien en/of een Playstation (spelcomputer) en/oftwee stuks parfum, en/of- ongeveer 150 euro en/of een cadeaubon (ter waarde van 50 euro), en/of- twee pin-/bankpassen en/of een creditcard en/of ongeveer 50 euro, en/of- ongeveer 350 euro en/of een Ray-Ban zonnebril, en/of- twee bankpassen en/of een creditcard, en/of- twee bankpassen en/of een creditcard en/of een contant geldbedrag,in elk geval (meermalen en/of telkens) enig goed, dat/die geheel of ten deletoebehoorde aan, respectievelijk,- [naam 1] , en/of- [naam 2] , en/of- [naam 3] , en/of- [naam 4] , en/of- [naam 5] , en/of- [naam 6] , en/of- [naam 7] en/of [naam 8] ,in elk geval (telkens) aan een ander toebehoorde, heeft weggenomen (telkens) methet oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

2.hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode 24 oktober 2025 tot en met6 december 2025 te Voorschoten en/of Zoetermeer, in elk geval in Nederland,(telkens) ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om(meermalen en/of telkens) in een woning een of meer goederen van zijn gading, inelk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [naam 9] en/of [naam 10] en/of[naam 11] , in elk geval (telkens) aan een ander toebehoorde(n) weg te nemen(telkens) met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deuitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

3. De bewijsbeslissing

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten.

De verdediging heeft geen opmerkingen ten aanzien van de bewijsvoering gemaakt.

Partiële vrijspraak

De rechtbank is met betrekking tot de onder feit 1 tenlastegelegde insluiping in de woning van aangever [naam 2] aan de [adres 2] van oordeel dat dit deel van de tenlastelegging niet wettig en overtuigend kan worden bewezen en dat de verdachte daarvan moet worden vrijgesproken.

Gebruikte bewijsmiddelen

De rechtbank heeft in de bijlage opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.

De bewezenverklaring

De rechtbank is met betrekking tot de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten van oordeel dat deze feiten wettig en overtuigend zijn bewezen. De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:

1.hij in de periode van 3 november 2025 tot en met 6 december 2025 te Voorschoten en Zoetermeer, telkens in een woning alwaar verdachte zich buiten weten oftegen de wil van de rechthebbende bevond,- een bankpas en een crypto(bank)pas en 50 euro, en- ongeveer 150 euro en een cadeaubon ter waarde van 50 euro en

- twee pin-/bankpassen en een creditcard en 5 euro, en

- ongeveer 300 euro en een Ray-Ban zonnebril, en - twee bankpassen en een creditcard, en - twee bankpassen en een creditcard en een contant geldbedrag,in elk geval telkens enig goed, dat geheel of ten deletoebehoorde aan, respectievelijk,- [naam 1] , en

- [naam 3] , en - [naam 4] , en

- [naam 5] , en- [naam 6] , en - [naam 7] en/of [naam 8] ,in elk geval (telkens) aan een ander toebehoorde, heeft weggenomen telkens methet oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

2.hij in de periode van 24 oktober 2025 tot en met 6 december 2025 te Voorschoten en Zoetermeer, telkens ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om in een woning een of meer goederen van zijn gading, die geheel aan [naam 9] en [naam 10] en [naam 11] , toebehoorden weg te nementelkens met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deuitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

4. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5. De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6. De strafoplegging

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren, waarvan twee jaren voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren en met daaraan verbonden de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw van de verdachte heeft de rechtbank primair verzocht om ervoor zorg te dragen dat er ten behoeve van de verdachte een zorgmachtiging wordt afgegeven. Subsidiair heeft zij verzocht aan de verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen conform de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting (LOVS) met als uitgangspunt ‘recidive’ en geen veelvuldige recidive, waarvan een deel voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en met daaraan verbonden de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd.

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Ernst van de feiten

De verdachte heeft zich in een periode van ongeveer anderhalve maand schuldig gemaakt aan zes insluipingen en drie pogingen daartoe. Bij de zes insluipingen heeft hij meerdere goederen, waaronder geld en bankpassen, weggenomen. Dergelijke feiten veroorzaken veel schade en overlast voor de bewoners en niet in de laatste plaats gevoelens van angst en onveiligheid. Te meer omdat de feiten hebben plaatsgevonden in de nacht of vroege ochtend, waarbij voor enkele woningen gold dat de bewoners thuis waren en in dezelfde woning lagen te slapen. Een woning is bij uitstek een plek waar iemand zich veilig moet kunnen voelen. Het is ook een inbreuk op de privacy van de bewoners. Het is voor hen een nare ervaring om te leven met de wetenschap dat een vreemde in hun woning is geweest en hun persoonlijke spullen heeft doorzocht.

Strafblad

De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 15 december 2025. Hieruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van soortgelijke strafbare feiten. Bovendien liep de verdachte ten tijde van het plegen van de strafbare feiten in deze zaak in een proeftijd, na een veroordeling voor onder meer insluiping in een woning.

Persoon van de verdachte

De rechtbank heeft kennisgenomen van reclasseringsadviezen over de verdachte van

4 juli 2022, 17 december 2025 en 10 maart 2026. Hieruit volgt dat de reclassering het risico op recidive en letselschade als hoog inschat. Er zijn meerdere risicofactoren die hierop van invloed zijn, waarvan het psychosociaal functioneren van de verdachte de voornaamste is. Er is sprake van een ontwikkelingsachterstand en psychotische episoden waardoor de verdachte zijn gedrag moeilijk kan reguleren en overzien en alleen maar verder lijkt af te glijden. Zo lang de verdachte geen structuur van buitenaf krijgt aangeboden, kan het probleemgedrag van de verdachte niet worden doorbroken. Als de verdachte langdurig klinisch wordt opgenomen, kan er gewerkt worden aan het aanleren van structuur en regelmaat. Het is van belang voor de verdachte dat hij langdurig en intensief begeleid zal worden om de risico’s te kunnen beperken. De reclassering adviseert bij een veroordeling een (deels) voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden op te leggen. De bijzondere voorwaarden zijn in het rapport nader gespecificeerd.

De rechtbank heeft bij de bepaling van de strafmodaliteit en strafmaat aansluiting gezocht bij de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting. Daarin is bij een insluiping in een woning en recidive als uitgangspunt vermeld een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden. De rechtbank gaat, anders dan de officier van justitie en gelet op het strafblad van de verdachte, niet uit van veelvuldige recidive. Ook houdt de rechtbank bij het bepalen van de strafmaat in sterke mate rekening met de psychische problematiek van de verdachte en het belang van een door hem te ondergane behandeling.

Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die deels onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt. De rechtbank zal een deel van die straf voorwaardelijk opleggen, met, gelet op het langdurige en intensieve traject dat benodigd is om de risico’s te kunnen beperken, een proeftijd van drie jaren. Daaraan zullen de door de reclassering geadviseerde voorwaarden worden verbonden, om te bewerkstelligen dat een oplossing wordt gevonden voor de problematiek van de verdachte en zo de kans op recidive terug te dringen. De verplichting tot het gebruik van voorgeschreven medicatie als onderdeel van de behandeling zal niet in de bijzondere voorwaarden die zien op de klinische en ambulante behandeling worden opgenomen. De verdachte heeft ter terechtzitting kenbaar gemaakt dat hij niet bereid is om vrijwillig medicijnen te nemen. In het PPC krijgt hij dwangmedicatie. Indien dwangmedicatie (opnieuw) nodig blijkt te zijn voor de verdachte, zal dit via de daarvoor geldende procedure dienen te verlopen.

Met betrekking tot het verzoek van de raadsvrouw een beslissing te nemen die ertoe leidt dat er een zorgmachtiging wordt afgegeven, overweegt de rechtbank als volgt. De verdachte liep tot begin februari 2026 in een zorgmachtiging. Gedurende dat jaar is hij in aanraking met politie en justitie gekomen voor de bewezenverklaarde strafbare feiten. Dat heeft de zorgmachtiging dus niet kunnen voorkomen. Gelet daarop en gelet op de inhoud van het reclasseringsrapport, waaruit volgt dat een langdurig en intensief traject binnen een forensisch kader nodig is om recidiverisico te verminderen, ziet de rechtbank geen aanleiding om de officier van justitie opdracht te geven een zorgmachtiging te laten voorbereiden.

Naar het oordeel van de rechtbank is – alles afwegende – een gevangenisstraf voor de duur van vierentwintig maanden, met aftrek van de tijd doorgebracht in voorarrest, waarvan tien maanden voorwaardelijk, passend en geboden.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.

7. De vordering van de benadeelde partij [naam 11]

heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een vergoeding van geleden immateriële schade ter hoogte van € 1.750,-, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering dient te worden verklaard, vanwege gebrek aan onderbouwing.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering dient te worden verklaard, nu toewijzing een onevenredige belasting van het strafgeding met zich zou brengen. Subsidiair dient een lager bedrag dan gevorderd te worden toegewezen.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. De vordering is door de benadeelde partij onvoldoende onderbouwd. De benadeelde partij de gelegenheid geven voor een nadere onderbouwing van dit deel van de vordering zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De benadeelde partij kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Dit brengt mee dat de benadeelde partij moet worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met zijn verdediging tegen die vordering heeft moeten maken. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil.

8. De vordering tot tenuitvoerlegging

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij vordering van 6 februari 2026 gevorderd dat de bij parketnummer 09/164300-22 door de politierechter van de rechtbank Den Haag op

14 oktober 2022 voorwaardelijke opgelegde straf van vier maanden jeugddetentie, ten uitvoer wordt gelegd wegens niet naleven van de algemene voorwaarden.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht de vordering tot tenuitvoerlegging af te wijzen, omdat een spoedige behandeling prevaleert.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht termen aanwezig voor toewijzing van de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde jeugddetentie, waartoe de verdachte werd veroordeeld bij onherroepelijk geworden vonnis van de politierechter in deze rechtbank d.d. 14 oktober 2022. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de verdachte de algemene voorwaarde niet heeft nageleefd, doordat deze zich voor het einde van de proeftijd die bij voormeld vonnis was opgelegd, wederom heeft schuldig gemaakt aan strafbare feiten.

9. De toepasselijke wetsartikelen

10. De beslissing

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:

- 14 a, 14b, 14c, 45, 57 en 311 van het Wetboek van Strafrecht;

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.4 bewezen is verklaard;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feit 1:

diefstal in een woning, door iemand die zich aldaar buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevindt, meermalen gepleegd;

ten aanzien van feit 2:

poging tot diefstal in een woning, door iemand die zich aldaar buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevindt, meermalen gepleegd;

verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 24 (VIERENTWINTIG) MAANDEN;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot 10 (TIEN) MAANDEN, niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op drie jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich gedurende de proeftijd meldt bij Reclassering GGZ Fivoor te Den Haag op door de reclassering te bepalen tijdstippen, zo frequent en zolang de reclassering dat noodzakelijk acht;

- zich gedurende de proeftijd, of zoveel korter als zijn behandelaars in overleg met de reclassering nodig achten, laat opnemen in en behandelen door een zorginstelling, te bepalen door de voor plaatsing verantwoordelijke instantie. De opname start bij voorkeur aansluitend aan detentie of zo spoedig mogelijk nadat de proeftijd is gestart en zodra de plaatsing mogelijk is. De zorginstelling bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek, verslavingsproblematiek, agressiebeheersing, cognitieve vaardigheden, sociale vaardigheden, schuldenproblematiek, woonoverlast en/of andere problematiek. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en aanwijzingen van de zorginstelling en de behandelaren. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg of verblijf in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang nodig vindt, werkt de veroordeelde mee aan de indicatiestelling en plaatsing;

- zich gedurende de proeftijd onder behandeling stelt van het Ambulant Centrum van Fivoor of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De behandeling start aansluitend aan de opname in een zorginstelling. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek, verslavingsproblematiek, agressiebeheersing, cognitieve vaardigheden, sociale vaardigheden,

schuldenproblematiek, woonoverlast en/of andere problematiek;

- gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt, verblijft in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf start aansluitend aan de opname in een zorginstelling. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt;

- gedurende de proeftijd zich inspant voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding met een vaste structuur;

- gedurende de proeftijd meewerkt aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. De veroordeelde geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden;

- gedurende de proeftijd meewerkt aan controles om zicht te krijgen op het gebruik en/of het gebruik te leren beheersen van alcohol en verdovende middelen, genoemd in lijst I (harddrugs), en lijst II (softdrugs) en middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet. Deze controles kunnen bestaan uit urineonderzoek/ademonderzoek/speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;

geeft opdracht aan Reclassering GGZ Fivoor Den Haag tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:

de vordering van de benadeelde partij [naam 11] ;

bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding en dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

de vordering tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde straf;

gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voorwaardelijk opgelegd bij voormeld vonnis van de politierechter in deze rechtbank d.d. 14 oktober 2022, gewezen onder parketnummer 09/164300-22, te weten jeugddetentie voor de duur van 4 (vier) maanden.

Dit vonnis is gewezen door

mr. F.M. Guljé, voorzitter,

mr. E.C. Kole, rechter,

mr. L.J. van den Herik, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. L.A. Haas en R.S. Benjamin, griffiers,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 15 mei 2026.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. E.C. Kole
  • mr. L.J. van den Herik

Griffier

  • mr. L.A. Haas en R.S. Benjamin

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand