ECLI:NL:RBDHA:2026:11612

ECLI:NL:RBDHA:2026:11612

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 28-04-2026
Datum publicatie 13-05-2026
Zaaknummer NL26.6717
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig

Samenvatting

Eiser is afkomstig uit Sinjar in Noordwest-Irak en behoort tot de jezidi bevolkingsgroep. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven, omdat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom sinds juli 2024 de ontheemdenkampen in de Koerdische Autonome Regio (KAR) als normale woon- of verblijfplaats worden aangemerkt voor jezidi’s die afkomstig zijn uit de Sinjar-regio. Ook heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd waarom eiser bij terugkeer naar het ontheemdenkamp geen reëel risico loopt in de zin van artikel 3 van het EVRM. Het beroep is gegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

Samenvatting

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.6717

V-nummer: [nummer] ,

(gemachtigde: mr. C.C. Smit),

en

(gemachtigde: mr. V.J.C.M. Tielemans).

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven, omdat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom sinds juli 2024 de ontheemdenkampen in de Koerdische Autonome Regio (KAR) als normale woon- of verblijfplaats worden aangemerkt voor jezidi’s die afkomstig zijn uit de Sinjar-regio. Ook heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd waarom eiser bij terugkeer naar het ontheemdenkamp geen reëel risico loopt in de zin van artikel 3 van het EVRM. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 17 februari 2023 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 9 januari 2026 deze aanvraag in de verlengde asielprocedure afgewezen als kennelijk ongegrond en uitstel van vertrek verleend aan eiser.

Eiser heeft op 6 februari 2026 beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Verweerder heeft op 8 april 2026 een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft het beroep op 9 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser, de gemachtigde van eiser, [tolk] als tolk en de gemachtigde van verweerder deelgenomen.

Overwegingen

Het asielrelaas

3. Eiser is geboren op [datum] 1996 en heeft de Iraakse nationaliteit. Hij behoort tot de jezidi bevolkingsgroep. Eiser is afkomstig uit Sinjar in Noordwest-Irak. In augustus 2014 is eiser met zijn familie gevlucht toen extremisten van Islamitische Staat (IS) Sinjar aanvielen. Hij is met zijn familie naar een ontheemdenkamp in de KAR gegaan. Hij heeft sindsdien verbleven in het ontheemdenkamp Kaberto II (ook wel: Kabarto II). Eisers broertje is in 2016/2017 naar Nederland gegaan en heeft een asielstatus gekregen. Eisers familie is met een nareis-visum in 2018 naar Nederland gereisd in het kader van gezinshereniging. Eisers verzoek om gezinshereniging is destijds afgewezen en verblijft eiser sinds 2018 alleen in het tentenkamp. In augustus 2022 is eiser legaal vanuit Irak, via Turkije, naar Griekenland gereisd. Daar heeft eiser een vluchtelingenstatus gekregen op 20 oktober 2022. Op 28 januari 2023 is eiser Nederland ingereisd en hij heeft op 17 februari 2023 een asielaanvraag ingediend.

Eiser heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij in Irak discriminatie heeft ondervonden vanwege het zijn van jezidi. Hij heeft verklaard geen werk te kunnen krijgen en dat de medische zorg beperkt was. Eiser heeft reuma en de medicatie die hij hiervoor kreeg hielp niet. Eiser heeft in Irak aan de universiteit gestudeerd, maar is gestopt vanwege psychische klachten die ontstonden door zijn ziekte en het vertrek van zijn familie in 2018. Eiser heeft daarna geen werk meer gehad vanwege zijn medische klachten. Hij kreeg financiële steun van zijn familie in Nederland. Hij heeft verklaard dat de omstandigheden in het ontheemdenkamp zeer slecht waren en dat hij om die reden niet terug kan keren. Bij terugkeer vreest eiser te worden vermoord door moslims. Eiser verwijst naar anderhalf miljoen haatberichten die tussen 4 augustus 2024 en 12 augustus 2024 tegen jezidi’s zijn verspreid door Koerdische mullah’s en docenten op de universiteiten in Koerdistan. Er is geen bescherming voor jezidi’s in Irak. Ook heeft eiser een politieke overtuiging, namelijk dat de Iraakse overheid de jezidi’s onvoldoende heeft beschermd. Hij wil zich daarover uitspreken maar heeft dat nog niet gedaan omdat hij vreest voor de gevolgen.

Het bestreden besluit

4. Verweerder heeft de aanvraag van eiser afgewezen als kennelijk ongegrond als bedoeld artikel 31, eerste lid, van de Vw en artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder h, Vw. Verweerder heeft vastgesteld dat eisers asielrelaas bestaat uit de volgende asielmotieven:

1. Eisers identiteit, nationaliteit en herkomst;2. De discriminatie vanwege eisers religie, het zijn van jezidi;3. Eisers politieke mening over het handelen van de Iraakse en Koerdische overheid.

Verweerder acht eisers identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig. De discriminatie vanwege eisers religie, het zijn van jezidi, is deels geloofwaardig geacht. Verweerder neemt aan dat eiser vanwege zijn jezidi achtergrond is gediscrimineerd. Verweerder vindt echter niet geloofwaardig dat eiser zich niet zelfstandig staande kon houden in het ontheemdenkamp. Eisers politieke mening over het handelen van de Iraakse en Koerdische overheid is geloofwaardig geacht.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat uit eisers verklaringen niet blijkt dat hij een gegronde vrees voor vervolging heeft. Het feit dat eiser uit Irak komt is op zichzelf niet genoeg om te worden aangemerkt als vluchteling, zoals bedoeld in het Vluchtelingenverdrag. Wat het tweede asielmotief betreft, stelt verweerder zich op het standpunt dat het feit dat eiser jezidi is niet maakt dat hij het risico loopt om slachtoffer van vervolging te worden. Eisers vrees dat hij bij terugkeer aan discriminatie wordt blootgesteld, is onvoldoende zwaarwegend. Voorts heeft eiser de vrees dat hij bij terugkeer naar Irak wordt gedood niet aannemelijk gemaakt. Verder heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer dusdanig gediscrimineerd zal worden dat het onmogelijk voor hem zal zijn om op sociaal en maatschappelijk vlak te functioneren. Dat eiser in Griekenland een vluchtelingenstatus heeft gehad, betekent niet dat verweerder eiser ook een vluchtelingenstatus moet verlenen. Ook heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij vanwege zijn politieke mening problemen zal krijgen bij terugkeer, nu hij niet in de negatieve belangstelling staat. Eiser krijgt daarom geen verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.

Daarnaast overweegt verweerder dat eiser geen verblijfsvergunning krijgt op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b van de Vw. Dat eiser uit Irak komt is op zichzelf niet genoeg om een risico op ernstige schade aan te nemen. Verweerder volgt dat eisers leven bij terugkeer naar een ontheemdenkamp moeilijk zou kunnen zijn, maar stelt zich op het standpunt dat eiser voldoende toegang tot levensvoorzieningen zal hebben. Eiser heeft dan ook niet aannemelijk gemaakt dat hij een reëel risico loopt op ernstige schade of een behandeling in strijd met van artikel 3 van het EVRM.

Verweerder wijst eisers aanvraag af als kennelijk ongegrond, omdat eiser niet onmiddellijk asiel heeft aangevraagd toen dat mogelijk was.

Verweerder heeft aan eiser voorlopig uitstel van vertrek verleend op grond van artikel 64 van de Vw, voor de duur van maximaal zes maanden, of zoveel korter tot het moment waarop op de ambtshalve beoordeling is beslist. Daarom is aan eiser geen terugkeerbesluit opgelegd.

Beoordeling door de rechtbank

Heeft verweerder de beleidswijziging van 1 juli 2024 voldoende gemotiveerd?

5. Eiser voert aan dat verweerder de wijziging van het landgebonden beleid per 1 juli 2024 onvoldoende heeft gemotiveerd. In de beleidswijziging is niet gemotiveerd waarom voor jezidi’s uit de Sinjar-regio de ontheemdenkampen in de KAR als gebruikelijke woon- of verblijfsplaats worden aangemerkt, terwijl uit landeninformatie blijkt dat de situatie in die kampen nog steeds slecht was ten tijde van de beleidswijziging. In dat kader verwijst eiser naar twee uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, van 4 februari 2025 en van 24 november 2025.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat de beleidswijziging van 1 juli 2024 rechtmatig is en dat verweerder deze voldoende heeft gemotiveerd met de verwijzing naar de Kamerbrief van 27 mei 2024. In het verweerschrift heeft verweerder toegelicht dat in plaats van nog langer het genereuze beleid voor jezidi’s te voeren, er toen weer is aangesloten bij de normale asielbeoordeling waarbij het op de weg van de vreemdeling ligt om in zijn individuele geval aannemelijk te maken dat hij bij terugkeer naar zijn gebruikelijke woon- of verblijfsplaats heeft te vrezen voor vervolging. Het is niet aan verweerder om inzichtelijk te motiveren dat de situatie in de kampen in de KAR is verbeterd, reeds omdat dit geen onderdeel is van de normale beoordeling van wat geldt als normale woon- of verblijfplaats. Verweerder verwijst in dat verband naar uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 18 september 2012 en 21 maart 2011. Hoewel uit het Algemeen Ambtsbericht (AAB) Irak van oktober 2021 ook al bleek dat het jezidisme als religie is erkend, is met het AAB Irak van november 2023 gebleken dat de situatie voor jezidi’s in algemene zin is verbeterd. Dit was voor verweerder aanleiding om het beleid te wijzigen. Tenslotte wijst verweerder erop dat de omstandigheden in de ontheemdenkampen op zichzelf nooit de (enkele) grondslag hebben gevormd voor het voeren van het genereuze beleid. Verweerder verwijst in dat verband naar de beantwoording van de vragen van de Tweede Kamer van 5 juli 2019. Tenslotte stelt verweerder zich op het standpunt dat de vraag centraal zou moeten staan of het geldende beleid aanvaardbaar is, nu het verweerder is toegestaan het beleid te wijzigen. Verweerder verwijst in dat kader naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 5 november 2025.

De rechtbank volgt verweerder niet in dit standpunt en verwijst in dat verband naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen van 4 februari 2025. In die uitspraak heeft de rechtbank een overzicht van het beleid en relevante landeninformatie ten aanzien van jezidi’s uit Irak geschetst van 2007 tot 2024. In overweging 7.6. van die uitspraak zijn de antwoorden van de toenmalige staatssecretaris op Kamervragen van 5 en 10 juli 2019 over de situatie in de KAR weergegeven. Deze luiden als volgt:

“Van belang bij de vraag of een gebied waar een jezidi heeft verbleven aangemerkt wordt als de normale woon- of verblijfplaats is of de jezidi daar naar lokale maatstaven gemeten op een normaal niveau heeft kunnen functioneren. Gelet op recente informatie van het Ministerie van Buitenlandse Zaken zie ik dat dit niet geldt voor jezidi’s die uit andere delen van Irak naar de KAR zijn gevlucht. De ontheemde jezidi’s hebben het bovengemiddeld zwaar in de KAR. Dat betekent dat voor jezidi’s die afkomstig zijn uit andere delen van Irak en die zijn gevlucht naar de KAR en daar voor hun komst naar Nederland verbleven hebben, ik bij de beoordeling van hun asielaanvraag de KAR niet (langer) aanmerk als hun normale woon- of verblijfplaats.”

Onder 7.7 van de uitspraak van 4 februari 2025 is vermeld dat in het oude informatiebericht (IB) 2020/9 over jezidi’s afkomstig uit centraal Irak met verblijf in de KAR het volgende is neergelegd:

“Indien een jezidi afkomstig is uit centraal Irak (veelal Sinjar) en hij voorafgaand aan het vertrek uit Irak in de KAR heeft verbleven, wordt de KAR niet als vaste woon- en verblijfplaats aangemerkt. (…) Dat de KAR niet als vaste woon- of verblijfplaats zal worden aangemerkt, betekent dat er in deze gevallen getoetst zal worden aan centraal Irak.”

Onder 7.8 van de eerder genoemde uitspraak is ten aanzien van het Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire (WBV) 2021/113 weergegeven:

“De IND merkt bij de beoordeling van de asielaanvraag de KAR niet aan als de gebruikelijke woon- of verblijfplaats voor jezidi’s als deze:

- afkomstig zijn uit Irak (m.u.v. de KAR);

- zijn gevlucht naar de KAR; en

- daar voor hun komst naar Nederland hebben verbleven.”

Vervolgens heeft de rechtbank in de genoemde uitspraak onder 9.2.3. het volgende geoordeeld:

“Niet inzichtelijk is gemotiveerd wat nu heeft gemaakt dat sinds medio 2024 anders wordt aangekeken tegen het aanmerken van tentenkampen in de KAR als normale woon- of verblijfplaats van jezidi’s die afkomstig zijn uit de Sinjar regio. Het destijds, in 2019, geïntroduceerde beleid vloeit voort uit de conclusie dat ontheemde jezidi’s het bovengemiddeld zwaar hebben in de KAR en daar niet, naar lokale maatstaven gemeten, op een normaal niveau kunnen functioneren.”

De rechtbank is van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd wat maakt dat de situatie in de ontheemdenkampen in de KAR in juli 2024 zou zijn verbeterd en sluit zich aan bij het oordeel van deze rechtbank en zittingsplaats Groningen. De brief van 27 mei 2024 waarin de beleidswijziging is aangekondigd, gaat enkel in op het beëindigen van de aanwijzing van jezidi’s als kwetsbare minderheidsgroep en niet op de beoordeling van de ontheemdenkampen in de KAR als normale woon- of verblijfplaats van een jezidi uit de Sinjar-regio. De verwijzing naar de beantwoording van de Kamervragen van 5 juli 2019 is onvoldoende voor een ander oordeel, nu uit diezelfde antwoorden volgt dat jezidi’s het bovengemiddeld zwaar hebben en hen de KAR niet als normale woon- of verblijfplaats kan worden tegengeworpen. Weliswaar blijkt uit die antwoorden niet dat de situatie in de ontheemdenkampen doorslaggevend was voor het invoeren van begunstigend beleid voor jezidi’s in Irak, maar blijkt daaruit wel dat de omstandigheden in de ontheemdenkampen zijn betrokken en dat verweerder de ontwikkelingen zou blijven volgen. De verwijzing in het verweerschrift naar het AAB Irak van oktober 2021 waaruit bleek dat het jezidisme als religie is erkend, en het AAB Irak van november 2023 waaruit volgens verweerder blijkt dat de situatie voor jezidi’s in algemene zin is verbeterd, acht de rechtbank onvoldoende. In 2007 garandeerde de Iraakse grondwet al vrijheid van godsdienst, maar dit vormde voor verweerder destijds geen reden om jezidi’s niet als kwetsbare minderheidsgroep aan te merken. In het AAB Irak van november 2023 is beschreven dat de situatie voor jezidi’s in de ontheemdenkampen nog steeds slecht is en daarnaast hadden jezidi’s in april 2023 te maken met (online) hate speech tegen de gemeenschap. Ook ter zitting heeft verweerder niet toegelicht in hoeverre de situatie in de KAR in 2024 was gewijzigd en waarom de ontheemdenkampen in de KAR als normale woon- of verblijfplaats kunnen worden aangemerkt. Ten aanzien van het standpunt dat verweerder het beleid mag wijzigen en dat het erom gaat of de beleidswijziging aanvaardbaar is, is de rechtbank van oordeel dat verweerder voor de beantwoording van de vraag of de beleidswijziging aanvaardbaar is gebruik moet maken van landeninformatie die daarvoor voldoende aanknopingspunten biedt. Vervolgens toetst de rechtbank of verweerder op basis van die informatie redelijkerwijs tot de beleidswijziging heeft kunnen komen. Nu echter onduidelijk is welke landeninformatie aan de beleidswijziging ten grondslag ligt, treft dit standpunt van verweerder geen doel. De beroepsgrond slaagt.

Tegenwerpen normale woon- of verblijfsplaats in ontheemdenkamp Kaberto in de KAR 6. Eiser voert aan dat verweerder het ontheemdenkamp Kaberto in de KAR ten onrechte aanmerkt als normale woon- of verblijfplaats voor jezidi’s uit de Sinjar-regio. Eiser verwijst in dit kader naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, van 17 maart 2026. Voor het antwoord op de vraag of eiser kan terugkeren naar het kamp dient verweerder te toetsen of het kamp voor eiser kan worden beschouwd als binnenlands vestigingsalternatief. Ook stelt eiser dat uit recente landeninformatie blijkt dat jezidi’s in Irak nog steeds gevaar lopen en als een risicoprofiel moeten worden aangemerkt. Eiser verwijst in dit kader onder meer naar het AAB Irak van november 2023 en het EUAA-rapport over Irak van november 2024. Deze informatie heeft verweerder onvoldoende betrokken in de besluitvorming. Tot slot stelt eiser dat de situatie in de ontheemdenkampen in de KAR zo slecht is, dat eiser bij terugkeer een risico loopt op ernstige schade in het kader van artikel 3 van het EVRM. Voor de huidige situatie in de ontheemdenkampen verwijst eiser naar het Thematisch Ambtsbericht Irak (TAB).

Verweerder stelt zich op het standpunt dat het ontheemdenkamp Kaberto in de KAR kan worden aangemerkt als normale woon- of verblijfplaats voor jezidi’s uit de Sinjar-regio. Verweerder merkt daarbij op dat dit standpunt ook berust op jurisprudentie van de Afdeling. Humanitaire omstandigheden in de ontheemdenkampen in de KAR zijn op zichzelf onvoldoende voor het aannemen van ernstige schade in de zin van de Kwalificatierichtlijn, nu de humanitaire problemen in de kampen in de KAR immers niet zijn veroorzaakt zijn door handelingen van strijdende partijen. Daarnaast is geen sprake van een schending van artikel 3 van het EVRM. De vergelijking met een situatie zoals bedoeld in het arrest Sufi en Elmi gaat niet op, allereerst omdat in dat arrest een vestigingsalternatief werd tegengeworpen terwijl dat in het geval van eiser niet aan de orde is. Daarnaast wordt in het arrest Sufi en Elmi gesproken over een grote mate van overbevolking in de ontheemdenkampen in Somalië, kwetsbaarheid van vluchtelingen voor uitbuiting en misdaad, slechte toegang tot voeding, water en sanitaire voorzieningen en onmogelijkheid om de kampen te verlaten. Daarvan is in het geval van de ontheemdenkampen in de KAR geen sprake. Een schending van artikel 3 van het EVRM wegens humanitaire omstandigheden doet zich in dit geval niet voor.

De rechtbank is van oordeel dat uit het bestreden besluit niet blijkt dat verweerder de feitelijke situatie in de ontheemdenkampen in de KAR voor jezidi’s heeft onderzocht. Verweerder heeft nagelaten om in het bestreden besluit recente landeninformatie te betrekken, met name het TAB van 7 november 2025 waar eiser naar heeft verwezen. Daarin wordt uitgebreid de situatie in de kampen beschreven: In de verslagperiode leidde het besluit over sluiting van de ontheemdenkampen tot terugtrekking van hulp en het vertrek van verschillende (internationale) humanitaire hulporganisaties. Hoewel het besluit werd uitgesteld beïnvloedde het de financiering van hulp voor de kampen. In 2025 volgden kortingen van de regering van president Trump ten aanzien van de Amerikaanse internationale ontwikkelingshulporganisatie U.S. Agency for International Development (USAID), waardoor de financiering van veel (lokale) hulporganisaties stopte of terugliep. Het financiële tekort dwong velen van hen hun activiteiten te staken. Dit resulteerde in een gebrek aan basisvoorzieningen, gebrek aan medische zorg, gebrek aan psychosociale ondersteuning en slechte leefomstandigheden in de kampen. Zo verslechterde volgens een bron de algehele situatie in enkele ontheemdenkampen (Khanke, Essyan, Sharia, Kabarto I, en Kabarto II) in de omgeving van Duhok tijdens de verslagperiode.Ook meldt het TAB specifiek ten aanzien van het ontheemdenkamp Kabarto II dat er in september 2025 geen drinkwater was en men afhankelijk was van chloor- en watertanks. Dit vormde een gezondheidsrisico. Verweerder heeft in het verweerschrift, noch ter zitting, hierover een standpunt ingenomen. De verwijzing naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam van 6 november 2025 treft geen doel nu daarin het TAB niet is betrokken. Dat geldt ook voor de andere uitspraken waar verweerder in dit verband naar verwijst in het verweerschrift. In het licht van deze informatie is de rechtbank van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de KAR als normale woon- of verblijfplaats van jezidi’s uit de Sinjar-regio kan worden aangemerkt. De rechtbank is ook van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de huidige situatie in de ontheemdenkampen niet maakt dat eiser bij terugkeer een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM zoals volgt uit het arrest Sufi en Elmi. Met de verwijzing naar het TAB heeft eiser aannemelijk gemaakt dat er ernstige twijfels zijn of eiser bij terugkeer naar het ontheemdenkamp in de KAR in staat zal zijn ‘to cater for his most basic needs, such as food, hygiene and shelter, his vulnerability to ill-treatment and the prospect of his situation improving within reasonable timeframe’. Dit betekent dat sprake is van een motiveringsgebrek.

7. Nu reeds sprake is van meerdere gebreken in het bestreden besluit, zal de rechtbank de bespreking van de beroepsgronden die zien op de vraag of jezidi’s als risicoprofiel moeten worden aangemerkt en of eiser op grond van discriminatie en zijn politieke overtuiging gegronde vrees voor vervolging heeft, achterwege laten.

Conclusie en gevolgen

8. Verweerder heeft de aanvraag ten onrechte afgewezen als kennelijk ongegrond. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het motiveringsbeginsel. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing te nemen.

De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat verweerder een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft verweerder hiervoor acht weken.

Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten.

Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit van 9 januari 2025;

- draagt verweerder op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.A.J. van Beek, rechter, in aanwezigheid van mr. A.V. Kostiouk, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand