RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Samenvatting
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.12858
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. C.H. van den Berg),
en
(gemachtigde: mr. D.A.H. van den Tillaar).
1. Referent komt uit Afghanistan en woont al lange tijd in Nederland. Zijn broers en zussen wonen ook niet meer in Afghanistan of zouden daar overleden of vermist zijn geraakt, behalve één broer. Deze broer (eiser) is verstandelijk beperkt en heeft een ontwikkelingsachterstand. Hij werd eerst door zijn ouders verzorgd. Nadat de ouders overleden zijn, heeft een buurman de zorg overgenomen. Die zorg is echter tijdelijk omdat de buurman oud is en inmiddels ook niet meer gezond is. De vraag is of eiser een verblijfsvergunning moet krijgen op grond van artikel 8 van het EVRM.
Verweerder neemt aan dat eiser in het dagelijks leven afhankelijk is van zorg en ondersteuning, dat hij afhankelijk is van financiële steun van referent en dat zij een hechte emotionele band hebben. Verweerder vindt echter dat er geen bijkomende elementen van afhankelijkheid zijn tussen eiser en referent omdat de nodige zorg kan worden verstrekt in Afghanistan door zorginstellingen. Dat is volgens verweerder niet makkelijk te krijgen maar het is ook niet onmogelijk. Verweerder heeft daarom geen beschermenswaardig familieleven aangenomen tussen eiser en referent.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder niet goed uitgelegd hoe die zorg in Afghanistan voor eiser te krijgen is. Daarmee heeft verweerder niet goed gemotiveerd dat er geen bijkomende elementen van afhankelijkheid zijn tussen eiser en referent en kan de conclusie van verweerder dat er geen beschermenswaardig familieleven wordt aangenomen geen stand houden. Eiser krijgt dus gelijk en het beroep is gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag van 19 juli 2023 om verlening van een mvv bij zijn broer Nagib Hamdard (hierna: referent).
Verweerder heeft de aanvraag van eiser met het primaire besluit van 5 december 2023 afgewezen. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Met het bestreden besluit van 5 maart 2025 heeft verweerder het hiertegen ingestelde bezwaar ongegrond verklaard. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft op 26 maart 2026 nog een aanvullend besluit genomen.
De rechtbank heeft het beroep op 13 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben referent en zijn vrouw, de gemachtigde van eiser, [tolk] als tolk en de gemachtigde van verweerder deelgenomen.
Beoordeling door de rechtbank
Achtergrond van de zaak
3. Eiser heeft de Afghaanse nationaliteit en is geboren op [datum] 1988. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een mvv bij referent ingediend. Referent is de broer van eiser. Referent verblijft al lange tijd in Nederland. Hij had hier eerst een asielvergunning en is inmiddels in het bezit van de Nederlandse nationaliteit. Ook heeft referent inmiddels hier een gezin.
Eiser is nog steeds woonachtig in Afghanistan. Hij heeft een verstandelijke beperking en een ontwikkelingsachterstand. Hij werd voorheen verzorgd door zijn ouders, maar die zijn inmiddels overleden. Alle broers en zussen van eiser zijn ofwel niet meer woonachtig in Afghanistan, ofwel, zoals eiser heeft gesteld, overleden of vermist. Eiser woont nu bij zijn buurman, die hem ook verzorgt. De buurman is echter op leeftijd, heeft gezondheidsproblemen en wil mogelijk emigreren. Daarom heeft eiser nu een aanvraag gedaan voor een mvv bij referent in Nederland, zodat hij bij referent kan gaan wonen en referent en zijn gezin de zorg voor eiser kunnen gaan dragen.
Besluitvorming
4. Verweerder stelt in het primaire besluit het volgende. Eiser voldoet niet aan de voorwaarden voor verlening van een mvv met het doel 'verblijf als familie-of gezinslid bij N. Hamdard'. Er is geen sprake van familie- of gezinsleven zoals bedoeld in artikel 8 van het EVRM. Er zijn geen bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen eiser en referent. Eiser en referent wonen al sinds 1996 niet meer samen. Uit de medische informatie volgt niet dat eiser niet zelfredzaam is of dat referent de enige is die de nodige zorg kan bieden. De huidige zorg voldoet en er is niet gebleken is dat geen andere zorg kan worden geboden. Referent kan de financiële ondersteuning blijven bieden, aldus verweerder. In het bestreden besluit blijft verweerder bij deze motivering.
In het aanvullende besluit stelt verweerder het volgende. Eiser heeft een ontwikkelingsachterstand en is dermate mentaal beperkt dat hij in zijn dagelijks leven van zorg en ondersteuning afhankelijk is. Er is echter geen sprake van familie- of gezinsleven zoals bedoeld in artikel 8 van het EVRM omdat geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen eiser en referent. Referent is voorheen niet feitelijk verantwoordelijk geweest voor de zorg voor eiser. Dat mogelijk sprake is van een hechte vertrouwensband tussen referent en eiser leidt niet tot een andere beslissing. Ook is niet gebleken dat eiser exclusief van referent afhankelijk is. Referent kan op afstand financieel voorzien in het levensonderhoud van eiser. Er is sprake van het bestaan van reële zorg- en ondersteuningsalternatieven. De bewijslast dat de noodzakelijke hulp in Afghanistan niet verkrijgbaar is, ligt bij eiser, aldus verweerder.
Juridisch kader
5. Verweerder beoordeelt of er familie- of gezinsleven bestaat in de zin van artikel 8 van het EVRM tussen meerderjarige familieleden op grond van het vereiste van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Verweerder moet een brede beoordeling maken van de vraag of er bijkomende elementen van afhankelijkheid zijn, waarin hij alle individuele omstandigheden van het geval betrekt. Deze elementen kunnen onder meer zijn: samenwoning, de mate van financiële afhankelijkheid, de mate van emotionele afhankelijkheid, de gezondheid van betrokkenen en de banden met het land van herkomst.
De bestuursrechter toetst het onderzoek van verweerder naar de relevante feiten en omstandigheden volledig. Ook toetst de bestuursrechter de motivering van verweerder volledig. Daarbij gaat de bestuursrechter na of de motivering in objectieve zin begrijpelijk is. De bestuursrechter toetst de uitkomst van de beoordeling of familie- en gezinsleven op grond van bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaat enigszins terughoudend, omdat verweerder die uitkomst moet baseren op een weging van de in samenhang bezien betrokken feiten en omstandigheden. Verweerder heeft daarbij namelijk beoordelingsruimte. De uitkomst van de beoordeling is dus niet alleen gebaseerd op een feitenvaststelling.
Wat is (niet) in geschil?
6. Ter zitting heeft verweerder bevestigd dat in beroep niet in geschil is dat eiser financieel afhankelijk is van referent en dat er een hechte emotionele vertrouwensband tussen hen bestaat. In het aanvullend besluit had verweerder zich op het standpunt gesteld dat die vertrouwensband niet meer dan gebruikelijk is tussen broers waarbij één van hen een geestelijk handicap heeft. De gemachtigde van eiser heeft in haar gronden en ter zitting het punt aangevoerd dat dit een onjuist toetsingskader is en zich daarbij beroepen op het EHRM-arrest Martinez Alvarado tegen Nederland van 10 december 2024. Ter zitting heeft verweerder desgevraagd aangegeven dat sprake is geweest van een onjuiste vergelijking in het aanvullend besluit. De rechtbank trekt daaruit de conclusie dat verweerder nu het standpunt inneemt dat de emotionele vertrouwensband tussen eiser en referent juist wel meer dan gebruikelijk is dan bij ‘normale’ broers. De overige motivering van verweerder wijst er namelijk op dat de emotionele band tussen referent en eiser hechter is dan hoe de band van eiser met de andere broers en zussen is (geweest).
Verder heeft verweerder ter zitting desgevraagd bevestigd dat ook niet in geschil is dat de huidige zorgsituatie (de zorg door eisers buurman) tijdelijk is. In het aanvullend besluit staat dat niet is aangetoond dat de zorg door de buurman niet langer meer beschikbaar is. De rechtbank begrijpt dat verweerder dit standpunt heeft verlaten vanwege de in beroep ingebrachte bewijsmiddelen over de gezondheid van de buurman.
Verweerder heeft ter zitting desgevraagd bevestigd dat niet tegengeworpen wordt dat er ook andere familieleden zijn die voor eiser zouden kunnen zorgen. Daarmee behoeft niet te worden vastgesteld of het klopt dat de broers van eiser die in Afghanistan waren gebleven zijn overleden of vermist, zoals eiser heeft gesteld. Overigens zijn er bewijsmiddelen hiervoor in het dossier en heeft referent hier consequent over verklaard.
Verweerder heeft ter zitting aangegeven dat van belang is dat er reële opvang- en zorgalternatieven in Afghanistan beschikbaar zijn voor eiser en eiser dus niet voor zorg exclusief afhankelijk is van referent. De rechtbank zal hierna oordelen of dit standpunt van verweerder juist is.
Heeft verweerder ten onrechte geen beschermenswaardig familieleven aangenomen?
7. Eiser voert aan dat hij stukken heeft overgelegd waaruit blijkt dat hij financieel afhankelijk is van referent. Ook is eiser emotioneel afhankelijk van zijn broer. Eiser begrijpt niet waarom hij niet bij referent kan zijn. Verder is het voor eiser niet mogelijk om in zijn dagelijkse verzorging te voorzien. Hij heeft door zijn mentale beperking sturing en begeleiding nodig. Hij is niet zelfredzaam. Referent draagt de verantwoording voor alle materiële zaken die eiser aangaan. Hij onderhoudt het contact met de buurman, zorgt dat hij alles nodig heeft om voor eiser ter zorgen. Hoewel eisers banden met het land van herkomst sterk zijn, heeft hij er geen mogelijkheden om zelf te overleven. Verder meent eiser dat niet geëist mag worden dat alleen referent de zorg kan dragen. Daarnaast voert eiser aan dat Afghanistan geen zorginstellingen kent zoals in Nederland. Het is dus niet mogelijk om zorg op afstand in te kopen. Eiser wijst erop dat de zorg- en opvangmogelijkheden waar verweerder naar verwijst in het aanvullend besluit (dag)behandelingen voor mensen met psychische problemen aanbieden. In de artikelen gaat het nergens over langdurige opnamen in zorginstellingen. Verder kampt Afghanistan met een humanitaire crisis. Eiser verwijst naar het rapport van de EUAA, COI Report: Afghanistan: Country Focus, January 2026 (het EUAA-rapport). Ook verwijst eiser naar verklaringen over eiser van de Afghan Red Crescent Society (ARCS) en French Medical Institute for Mothers en Children te Afghanistan (FMIC).
Verweerder heeft over de zorg- en ondersteuningsalternatieven gesteld dat niet gebleken is dat er in Afghanistan een gebrek is aan adequate zorg- en opvangmogelijkheden voor eiser. De door eiser overgelegde verklaringen van ARCS en FMIC zijn daartoe ontoereikend. Er is niet aangetoond dat eiser niet kan worden opgenomen in één van de zogenaamde ‘Mental Health and Psychosocial Support’ ziekenhuizen (MHPSS) in Afghanistan. Verweerder verwijst hiervoor ter onderbouwing onder andere naar verschillende stukken van de WHO. Er kan niet zonder meer worden aangenomen dat eiser de voor hem noodzakelijke hulp ook daadwerkelijk in Afghanistan kan verkrijgen, maar de bewijslast hiervoor ligt bij referent en niet bij verweerder, aldus verweerder.
8. De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet goed heeft gemotiveerd dat er geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen eiser en referent. Verweerder weegt bij de beoordeling van de bijkomende elementen van afhankelijkheid namelijk zwaar mee dat er volgens hem in Afghanistan reële zorg- en opvangalternatieven voor eiser zijn. De rechtbank kan dit standpunt niet volgen. Zij volgt eiser in zijn standpunt dat uit de bronnen waarnaar verweerder in het besluit verwijst, blijkt dat het door verweerder genoemde zorg- en opvangalternatief (de MHPSS-ziekenhuizen), (dag)behandelingen aanbiedt aan mensen met psychische problemen. De rechtbank ziet – net als eiser – in deze bronnen nergens staan dat de MHPSS-ziekenhuizen bedoeld zijn voor mensen met een verstandelijke beperking die dagelijkse zorg nodig hebben. Uit de andere bronnen die verweerder noemt kan de rechtbank ook niet opmaken dat er in Afghanistan reële zorg- en opvangalternatieven beschikbaar zijn voor iemand die een verstandelijke beperking heeft en in zijn dagelijks leven van zorg en ondersteuning afhankelijk is. Tot slot leest de rechtbank in het door eiser overgelegde EUAA-rapport juist dat de medische zorg in Afghanistan zeer beperkt is en dat de beschikbaarheid daarvan ook achteruit is gegaan sinds de machtsovername van de Taliban in 2021. Hierom kan de rechtbank de motivering van verweerder, dat er in Afghanistan reële zorg- en opvangalternatieven voor eiser beschikbaar zijn, niet volgen. Hoewel verweerder in het bestreden besluit het standpunt inneemt dat de bewijslast bij eiser ligt, is de rechtbank van oordeel dat eiser voldoende twijfel heeft gezaaid over de motivering van verweerder dat er in Afghanistan reële zorg- en opvangalternatieven beschikbaar zijn voor eiser. Dat eiser bij aankleden en toiletbezoek geen zorg nodig lijkt te hebben en hij ook zelfstandig kan eten, betekent niet dat hij geen behoefte heeft aan zorg en opvang. Het is dan ook aan verweerder om zijn standpunt hierover nader te motiveren.
Nu verweerder niet goed heeft gemotiveerd dat er geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen eiser en referent, heeft hij zich ook niet deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat er geen beschermenswaardig familie- of gezinsleven is tussen eiser en referent.
De rechtbank wijst verder nog op het volgende. Niet in geschil is dat de zorg voor eiser door zijn buurman van tijdelijke aard is. Ook werpt verweerder eiser niet tegen dat er nog andere familieleden zijn die nog voor eiser kunnen zorgen. Als verweerder in een nieuw besluit ook tot de conclusie zou komen dat er geen reële zorg- en opvangalternatieven in Afghanistan beschikbaar zijn voor eiser, leidt dat in beginsel tot de conclusie dat eiser dan (uiteindelijk) wel exclusief afhankelijk is van de zorg van referent. Dat referent, zoals verweerder heeft gesteld, toen de ouders nog leefden niet verantwoordelijk geweest is voor de zorg voor eiser, maakt dit niet anders. Deze verantwoordelijkheid kan namelijk later ontstaan. Verweerder heeft tot nu toe bij de beoordeling van de bijkomende elementen van afhankelijkheid meegewogen dat eiser voor zorg niet exclusief afhankelijk is van referent. Verweerder zal in dat geval dan ook bij de beoordeling van de bijkomende elementen van afhankelijkheid moeten betrekken dat eiser voor zorg wel exclusief afhankelijk is geworden van referent. Daarbij moet verweerder ook de samenhang met de niet in geschil zijnde financiële en hechte emotionele vertrouwensband in acht nemen. In beginsel zal dat tot de conclusie leiden dat sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen eiser en referent.
Conclusie en gevolgen
9. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het motiveringsbeginsel. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing over te nemen. Ook draagt de rechtbank niet aan verweerder op om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus). Het is aan verweerder om een nieuwe beoordeling te maken aan de hand van alle individuele feiten en omstandigheden.
10. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat verweerder een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft verweerder hiervoor – gelet op de urgente zorgsituatie van eiser – vier weken.
11. Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. De rechtbank stelt de proceskosten van eiser met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het deelnemen aan de zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt verweerder op binnen vier weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 194, - aan eiser moet vergoeden;
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.N. van Rijn, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. Poortier, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.