ECLI:NL:RBDHA:2026:11616

ECLI:NL:RBDHA:2026:11616

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 24-04-2026
Datum publicatie 13-05-2026
Zaaknummer AWB - 25 _ 4024
Rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

IB2020. Aanslag is tijdig opgelegd. Verweerder heeft zich in beroep op het standpunt gesteld dat moet worden uitgegaan van door eiser verstrekte gegevens van op de beginbalans 2020. De rechtbank sluit zich daarbij aan. Eiser heeft zjn stellingen dat recht bestaat op toepassing van zelfstandigenaftrek, een hogere proceskostenvergoeding in bezwaar en vermindering van belasting- en invorderingsrente niet aannemelijk gemaakt.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 april 2026 in de zaak tussen

[eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser,

de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.

Team belastingrecht

zaaknummer: SGR 25/4024

en

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2020 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd.

Verweerder is bij uitspraak op bezwaar van 3 mei 2025 gedeeltelijk aan het bezwaar van eiser tegemoetgekomen.

Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eiser heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 februari 2026.

Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. [naam 1] , mr. [naam 2] en mr. [naam 3] .

Overwegingen

Feiten

3. Verweerder heeft eiser met dagtekening 27 februari 2021 uitgenodigd om vóór 1 mei 2021 aangifte IB/PVV voor het jaar 2020 (de aangifte) in te dienen. Eiser heeft op 6 mei 2021 verzocht om uitstel tot 8 september 2021 voor het indienen van de aangifte. Verweerder heeft bij brief met dagtekening 7 juni 2021 uitstel verleend tot 1 september 2021.

4. Eiser heeft op 7 juni 2021 aangifte IB/PVV voor het jaar 2020 gedaan naar een verzamelinkomen van € 27.824. Eiser heeft op 18 september 2023 een herziene aangifte IB/PVV 2020 ingediend naar een verzamelinkomen van € 27.109. In de aangifte is een bedrag onttrokken aan de Fiscale Oudedagsreserve (FOR). Tevens is zelfstandigenaftrek en MKB-winstvrijstelling in aanmerking genomen. Ten aanzien van box 3 heeft eiser de volgende bezittingen in aanmerking genomen:

o Huurwoningenfonds van € 79.514

o Duits-Nederlands supermarktfonds van € 5.870

Daarnaast heeft eiser een schuld ten aanzien van het huurwoningenfonds van € 52.906 in aanmerking genomen, en een vrijstelling voor groene beleggingen van € 55.000.

5. Verweerder heeft naar aanleiding van de aangiften bij brief van 14 december 2023 om informatie verzocht over de afname van de FOR, het urencriterium en de groene beleggingen. Voorts schrijft verweerder in deze brief dat hij over gegevens beschikt waaruit volgt dat eiser per 1 januari 2020 € 2.387.430 aan bank-, giro- en spaartegoeden bezit en een beleggingsproduct van € 704.000, wat meer is dan aangegeven in box 3. Verweerder verzoekt eiser om een toelichting en om de jaarrekening van het Fonds voor Gemene Rekening.

6. Eiser heeft hierop, voor zover van belang, bij brief van 31 januari 2024 als volgt op gereageerd:

“Urencriterium

Uw stelling dat voor 2019 niet is voldaan aan het urencriterium berust kennelijk op een misvatting nu daar in 2019 – net als in de daaraan voorafgaande en de daaropvolgende jaren - wel aan is voldaan. Zoals u stelt, is de omzet van 2020 vergelijkbaar met die van 2019. Dit geldt tevens voor de aan de omzet ten grondslag liggende werkzaamheden c.q. tijdsbesteding. Uit pragmatische overwegingen zij dan ook verwezen naar de over de eerdere jaren aangeleverde gegevens.

Groene beleggingen

Uw stelling dat het als groene belegging aangegeven beleggingsfonds niet wordt aangemerkt als groene belegging kan ik niet plaatsen nu dit door de beheerder ervan is aangeboden als fiscaal groenfonds.

Bezittingen

Net als in de voorgaande jaren is er geen sprake van niet aangegeven bezittingen. Alle bezittingen zijn als zodanig aangegeven in de desbetreffende box (1, 2 of 3). Het lijkt mij inderdaad wel zo pragmatisch dat u, indien de Belastingdienst dat nog altijd betwijfelt, voor de bevestiging van dit e.e.a. de vpb-aangifte erbij neemt.”

7. Bij brief van 5 maart 2024 heeft verweerder aangekondigd voornemens te zijn af te wijken van de aangifte ten aanzien van de FOR, zelfstandigenaftrek en vrijstelling voor groene beleggingen. Verweerder schrijft geen correctie aan te brengen in de door eiser toegepaste MKB-winstvrijstelling, mede door dreigende verjaring van de aanslag. Aan de hand van de aangifte vennootschapsbelasting van het Fonds voor Gemene Rekening heeft verweerder het box 3-vermogen gecorrigeerd met € 540.641.

8. Verweerder heeft op 15 maart 2024 de aanslag IB/PVV 2020 opgelegd naar een verzamelinkomen van € 23.932, rekening houdend met voormelde correcties. Het belastbaar inkomen uit werk en woning is daarbij vastgesteld op € 4.818, het belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang is gehandhaafd op € 14.002 en het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen is vastgesteld op € 5.112. Hierbij is uitgegaan van een grondslag sparen en beleggen van € 608.596. De aanslag resulteert in een te betalen bedrag van € 2.079. Bij gelijktijdig gegeven beschikking is een bedrag van € 24 aan belastingrente in rekening gebracht. Eiser heeft tegen deze aanslag bezwaar gemaakt.

9. Bij uitspraak op bezwaar van 3 mei 2025 is verweerder gedeeltelijk aan de bezwaren van eiser tegemoetgekomen. Zo heeft verweerder de vrijstelling voor groene beleggingen van € 55.000 alsnog geaccepteerd en is de door eiser aangegeven box 3-schuld van € 52.905 in aanmerking genomen. Voorts heeft verweerder naar aanleiding van de rechtspraak in de procedure over eisers aangifte IB/PVV voor het jaar 2018, het begin- en eindvermogen van de eenmanszaak en het box 3-vermogen gecorrigeerd vanwege overtollige liquiditeiten. Verweerder stelt dat voor 2020, net als in voormelde rechtspraak voor het jaar 2018, een bedrag van € 165.000 aan liquiditeiten in de onderneming als werkkapitaal aangehouden kan worden. Verweerder heeft de grondslag sparen en beleggen in bezwaar verminderd tot € 270.777. Verweerder heeft vervolgens het belastbaar inkomen uit werk en woning nader vastgesteld op € 3.723 en het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen op € 3.520.

Geschil

10. In geschil is of de aanslag IB/PVV voor het jaar 2020 tijdig, en zo ja, naar een juist bedrag is vastgesteld. Verder is de vergoeding van de proceskosten in de bezwaarfase in geschil.

11. Eiser stelt primair dat de aanslag IB/PVV voor het jaar 2020 vernietigd dient te

worden, en voert het volgende aan:

Subsidiair stelt eiser dat de aanslag IB/PVV voor het jaar 2020 naar een te hoog bedrag is vastgesteld, en voert daartoe het volgende aan:

12. Verweerder stelt ten aanzien van eisers primaire grond dat de aanslag in stand dient te blijven. Hiertoe voert verweerder aan dat de aanslag tijdig is opgelegd. Ook stelt verweerder dat de proceskostenvergoeding in bezwaar en de verschuldigde belastingrente juist zijn vastgesteld en dat invorderingsrente buiten het bereik van deze procedure valt.

Ten aanzien van de subsidiaire gronden stelt verweerder dat het standpunt van eiser over de MKB-winstvrijstelling gevolgd dient te worden, maar dat de zelfstandigenaftrek terecht niet is toegekend. Ten aanzien van het box 3-vermogen stelt verweerder zich op het nadere standpunt dat naar aanleiding van voornoemde rechtspraak in de procedure over de aangifte IB/PVV 2018 een nadere correctie dient te worden gemaakt. Vervolgens heeft verweerder het voordeel uit sparen en beleggen in beroep berekend aan de hand van de nieuwe methode, met forfaitaire spaarvariant. Als gevolg daarvan komt het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen volgens verweerder uit op € 2.952.

Beoordeling van het geschil

Tijdigheid aanslag

13. Op grond van artikel 11, derde lid, van de AWR vervalt de bevoegdheid tot het vaststellen van een aanslag drie jaar nadat de belastingschuld is ontstaan. In dit geval is de belastingschuld ontstaan op 31 december 2020. Indien voor het doen van de aangifte uitstel is verleend, wordt deze termijn met de duur van het uitstel verlengd. De inspecteur hoeft daarbij niet te onderzoeken of een belastingplichtige daadwerkelijk belang heeft bij zijn uitstelverzoek en of de aangifte niet reeds is ingediend.

14. Eiser stelt dat de aanslag van 15 maart 2024 niet tijdig is opgelegd, omdat hij de brief met dagtekening 7 juni 2021 waarin uitstel is verleend tot 1 september 2021 niet heeft ontvangen. Eiser stelt dat hij er daarom van uit is gegaan dat het uitstel niet was verleend en zo snel mogelijk, namelijk op 7 juni 2021, de aangifte heeft ingediend. De bewijslast dat voor het indienen van de aangifte van eiser uitstel is verleend, rust op verweerder. Nu eiser stelt dat hij de brief van 7 juni 2021 niet heeft ontvangen, is het aan verweerder om aannemelijk te maken dat en op welke datum de brief is verzonden en dat deze aan een postvervoerbedrijf ter verzending is aangeboden. Daartoe zal de inspecteur mede aannemelijk moeten maken aan welk postvervoerbedrijf de brief is aangeboden.

15. Verweerder heeft voor de brief van 7 juni 2021 een verzendrapportage overgelegd. Hieruit volgt dat de brief op 31 mei 2021 tijdig en zonder problemen ter verzending is aangeboden aan PostNL en dat verweerder in 2021 met PostNL contractueel heeft vastgelegd dat dit soort poststukken binnen 48 uren na aanbieding worden bezorgd. De brief is geadresseerd aan het adres [adres] , het door eiser opgegeven adres.

16. Met de verzendrapportage en de daarbij door verweerder ter zitting gegeven toelichting, heeft verweerder aannemelijk gemaakt dat de brief aan PostNL ter verzending is aangeboden. De omstandigheid dat per post verzonden stukken in de regel op het daarop vermelde adres van de geadresseerde worden bezorgd, rechtvaardigt het vermoeden van ontvangst van het stuk op dat adres. Het ligt vervolgens op de weg van eiser om het tegendeel aannemelijk te maken. Hiertoe dient eiser feiten te stellen op grond waarvan de ontvangst of de aanbieding van de besluiten redelijkerwijs kan worden betwijfeld. De ontkenning van de ontvangst van de brief op het adres van eiser ontzenuwt het vermoeden van ontvangst niet. Dat eiser soms problemen heeft met het ontvangen van post, maakt dit niet anders. Eiser heeft overige post naar dit adres, zoals het voornemen om af te wijken van de aangifte van 14 december 2023, wel ontvangen. Daarbij had eiser, nu hij zelf om uitstel heeft gevraagd, zelf ook contact met verweerder op kunnen nemen om te vragen of zijn verzoek was ingewilligd.

17. Gelet op het voorgaande heeft verweerder met de brief van 7 juni 2021 uitstel verleend voor het doen van de aangifte IB/PVV 2020 tot 1 september 2021. Om die reden is de termijn om de aanslag IB/PVV 2020 vast te stellen overeenkomstig met vier maanden verlengd en liep deze tot 1 mei 2024. Nu de aanslag IB/PVV 2020 is opgelegd op 15 maart 2024, is de aanslag naar het oordeel van de rechtbank tijdig vastgesteld.MKB-winstvrijstelling

17. Eiser stelt dat de aanslagregelaar in het voornemen om af te wijken van de aangifte van 5 maart 2024 heeft toegezegd dat zou worden afgezien van de correctie van de MKB-winstvrijstelling. Volgens eiser dient de MKB-winstvrijstelling op grond van het vertrouwensbeginsel dan ook overeenkomstig de aangifte te worden vastgesteld. Verweerder stelt dat terecht vertrouwen is gewekt met betrekking tot de MKB-winstvrijstelling, en dat deze derhalve dient te worden vastgesteld op het in de aangifte opgenomen bedrag van € 2.020. De toepassing van de MKB-winstvrijstelling heeft volgens verweerder tot gevolg dat het belastbaar inkomen uit werk en woning nader dient te worden vastgesteld op € 2.276. De rechtbank sluit zich hierbij aan.

Vergoeding proceskosten in bezwaar

19. Eiser stelt dat de vergoeding van de in bezwaar gemaakte reiskosten te laag is, en dat verweerder ook verletkosten had moeten vergoeden. Eiser heeft in de motivering van zijn bezwaar van 18 juli 2021 verzocht om “vergoeding van de in bezwaar gemaakte kosten”. In de eerste versie van het door verweerder opgestelde hoorverslag van het hoorgesprek van 23 augustus 2024 staat dat eiser tijdens het horen heeft verzocht om “een vergoeding voor zijn reiskosten”. Eiser heeft deze tekst in zijn reactie op het verslag gewijzigd in “een vergoeding voor de in bezwaar gemaakte zijn reiskosten”.

20. Eiser heeft bij zijn reactie op de vooraankondiging uitspraak op bezwaar een uitdraai van diverse reisadviezen gevoegd, van zijn adres naar de belastingdienst, locatie Den Haag, en omgekeerd. Voor de heenreis op 23 augustus 2024 zijn twee reisadviezen genoemd met kosten die € 4,36 dan wel € 3,78 bedragen. Voor de terugreis zijn vier reisadviezen genoemd met kosten die € 4,75 dan wel € 3,50 bedragen (op 21 augustus 2024) en kosten die € 4,75 dan wel € 3,98 bedragen (op 23 augustus 2024). Verweerder heeft in bezwaar een bedrag van € 15,04 aan reiskostenvergoeding aan eiser toegekend voor twee bezoeken aan de belastingdienst. De reiskosten heeft verweerder voor de heenreis en de terugreis telkens bepaald op het laagste door eiser opgegeven bedrag op die datum.

21. Eiser stelt dat verweerder hem voor iedere reis het hoogste opgegeven bedrag aan genoemde kosten toe had moeten kennen. De rechtbank gaat hier niet in mee. Eiser heeft meerdere reisadviezen bij zijn reactie gevoegd, en niet aangeduid van welke reismogelijkheid hij gebruik heeft gemaakt. Daarbij heeft eiser geen betalingsbewijzen overgelegd van zijn reizen. Het stond verweerder daarom vrij om zelf te kiezen welke van de opties hij wilde vergoeden.

22. Voor toekenning van verletkosten in de bezwaarprocedure ziet de rechtbank evenmin aanleiding. Eiser heeft in de bezwaarfase niet om verletkosten verzocht. Daarbij heeft eiser niet onderbouwd dat en in hoeverre sprake zou zijn van verletkosten. Verweerder hoefde uit de algemene omschrijving van “de in bezwaar gemaakte kosten” en zonder nadere toelichting ook niet zelfstandig te concluderen dat sprake zou zijn van verletkosten.

Omvang box 3-vermogen

23. Eiser stelt dat verweerder het ondernemingsvermogen ten onrechte heeft gecorrigeerd vanwege overtollige liquiditeiten. Verweerder heeft deze liquiditeiten, die volgens eiser aan de eenmanszaak toegerekend zouden moeten worden, belast in box 3. Op verweerder rust de last om feiten en omstandigheden te stellen en, bij gemotiveerde betwisting daarvan, aannemelijk te maken waaruit volgt dat en voor welk bedrag sprake is van duurzaam overtollige liquide middelen.

24. Verweerder stelt, onder verwijzing naar de rechtspraak over de aangifte IB/PVV voor het jaar 2018 dat slechts een bedrag van € 165.000 als werkkapitaal van de eenmanszaak kan worden aangemerkt. Een bedrag van € 286.051 (€ 451.050 -/- € 165.000) dient daarom als duurzaam overtollig te worden aangemerkt en in box 3 in aanmerking te worden genomen. Verweerder stelt daarbij dat dit bedrag eerder te hoog dan te laag is, en wijst daarbij op de geringe omvang van de eenmanszaak, de beperkte omzet en de weinig concrete plannen voor de verwerving van zelfstandige kantoorruimte. Eiser stelt dat gerechtshof Den Haag in de procedure over het jaar 2018 slechts de liquide middelen heeft gecorrigeerd en niet de financiële vaste activa, terwijl verweerder nu de financiële vaste activa wil corrigeren. Daarbij stelt eiser dat ieder jaar op zichzelf dient te worden beoordeeld, en dat hij de financiële vaste activa in 2020 nodig had voor een beoogde investering in kantoorruimte. Ter onderbouwing van deze investering heeft eiser onder meer een koopovereenkomst van 4 augustus 2023 (die niet door de verkoper is ondertekend, maar wel door eiser als koper) voor een kavel in Overijssel, een offerte van oktober 2023 voor de bouw van een woning, een begroting en een bouwtekening van het kantoorgedeelte in de te realiseren woning overgelegd.

25. Uit de uitspraak van het gerechtshof over het jaar 2018 leidt de rechtbank af dat in 2018 € 165.000 aan liquide middelen tot het ondernemingsvermogen zijn gerekend (€ 95.000 (dekking van de FOR) + € 60.000 (reservering voor een bedrijfsauto) + € 10.000 (reservering voor zonnepanelen)). Daarbij begrijpt de rechtbank dat de liquide middelen die in die procedure aan de orde waren, vergelijkbaar zijn met de bank- en spaarrekeningen (van in totaal € 451.050) die in deze procedure ter discussie staan. Uit de hofuitspraak leidt de rechtbank eveneens af dat de overbrenging van de duurzaam overtollige liquiditeiten van box 1 naar box 3 voor het jaar 2018 is verwerkt als privé-onttrekking van het overtollige op 31 december 2017. Deze onttrekking werkt naar het oordeel van de rechtbank door naar het ondernemingsvermogen en box 3-vermogen in opvolgende jaren, en daarmee ook naar 2020.

Ook een eventuele storting van liquide middelen na 31 december 2017 en daarmee een verhoging van het werkkapitaal zou, gelet op de beperkte omvang van de onderneming en de beperkte omzet, geen functie in de eenmanszaak hebben. Met betrekking tot de door eiser gestelde reservering van liquide middelen voor de investering in kantoorruimte ziet de rechtbank onvoldoende aanwijzingen dat daarvoor in 2020 voldoende concrete plannen bestonden. Daarbij heeft eiser ter zitting desgevraagd toegelicht dat de beoogde investering in eigen kantoorruimte tot op heden nog geen doorgang heeft gevonden. Ook neemt de rechtbank in aanmerking dat de omzet van de eenmanszaak sinds 2014 flink is gedaald en nog steeds bescheiden is. In 2019 bedroeg deze € 6.298 en in 2020 € 7.855. Ten slotte is het niet aannemelijk dat de omzet in de nabije toekomst aanzienlijk zal stijgen.

26. Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder is geslaagd in zijn bewijslast. Eiser heeft onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld die tot een andere conclusie zouden moeten leiden.

27. Ten aanzien van de berekening van de grondslag sparen en beleggen overweegt de rechtbank het volgende. Verweerder heeft zich in beroep op het standpunt gesteld dat moet worden uitgegaan van door eiser bij e-mailbericht van 31 augustus 2024 verstrekte gegevens van op de beginbalans 2020 van de eenmanszaak opgenomen financiële vaste activa van in totaal € 451.050, en dat hierop de overtollige liquiditeiten in mindering moeten worden gebracht. Aangezien een bedrag van € 165.000 als werkkapitaal aangehouden kan worden, leidt dit tot een toename van het box 3-vermogen van eiser van € 286.051. De grondslag sparen en beleggen is door verweerder als volgt is vastgesteld:

Daarbij heeft eiser een belegging in het Ecowoningenfonds, die door verweerder niet is meegenomen in het overzicht hierboven. Deze bedraagt € 55.000 en valt geheel onder de vrijstelling groene beleggingen.

Eiser heeft in zijn nader stuk gesteld dat een in box 2 vallend deposito per abuis in box 1 is aangegeven, en dat het vermogen van de eenmanszaak daarom € 376.050 had moeten zijn en niet € 451.050. Eiser heeft deze stelling echter niet onderbouwd. De rechtbank zal daarom uitgaan van de door verweerder vastgestelde grondslag.

28. Aan de hand van deze grondslag heeft verweerder onderstaande berekening gemaakt, en het inkomen uit sparen en beleggen bepaald op € 2.952. Een ander werkelijk rendement op het box 3-vermogen is wel door eiser gesteld, maar niet onderbouwd met berekeningen en andere stukken. De rechtbank zal daarom bij onderstaande berekening aansluiten.

Zelfstandigenaftrek

29. Op grond van artikel 3.76 van de Wet IB 2001 heeft een ondernemer die voldoet aan het urencriterium recht op zelfstandigenaftrek. Op grond van artikel 3.6 van de Wet IB 2001 wordt het volgende, onder meer, verstaan onder het urencriterium: het gedurende het kalenderjaar besteden van ten minste 1.225 uren aan werkzaamheden voor een of meer ondernemingen waaruit de belastingplichtige als ondernemer winst geniet. In verband met de coronacrisis heeft de Staatssecretaris van Financiën goedgekeurd dat voor de beoordeling van het urencriterium ondernemers in de periode van 1 maart 2020 tot en met 30 september 2020 worden geacht ten minste 24 uur per week aan de onderneming te hebben besteed. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat hij in 2020 aan het urencriterium voldoet.

30. Eiser stelt dat hij al vele jaren aan het urencriterium voldoet en ook in 2020 meer dan de vereiste 1.225 uren aan de eenmanszaak heeft besteed. Ter onderbouwing heeft eiser in zijn nader stuk de volgende specificatie van zijn werkzaamheden gegeven:

31. De rechtbank is van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in 2020 aan het urencriterium voldoet. De urenadministratie die eiser heeft overgelegd is niet voldoende inzichtelijk en controleerbaar. Zo beslaat de administratie slechts drie maanden van 2020 en maakt deze niet inzichtelijk welke werkzaamheden op welke datum zijn verricht. Ook bevat de administratie geen aanvullende gegevens, zoals facturen of agenda’s, aan de hand waarvan de door eiser opgegeven uren kunnen worden gecontroleerd. Daarbij is de omzet van de eenmanszaak zeer beperkt. In het hoorgesprek heeft eiser toegelicht dat zijn uurtarief voor commerciële activiteiten € 300 bedraagt, en dat dit nog aan de lage kant is. Hoewel het, zoals eiser ter zitting heeft gesteld, mogelijk is dat eiser ook niet-commerciële activiteiten verricht, maakt deze omzet het – ook met inachtneming van voornoemde goedkeuring van de Staatssecretaris – zeer onwaarschijnlijk dat eiser ten minste 1.225 uren aan de eenmanszaak heeft besteed. Eisers stelling dat hij soms niet in hetzelfde jaar kan factureren, maakt het voorgaande niet anders. Eiser voldoet voor 2020 niet aan het urencriterium, en verweerder heeft de zelfstandigenaftrek terecht geweigerd.

Belasting- en invorderingsrente

32. Eiser stelt dat de berekende belasting- en invorderingsrente moeten komen te vervallen. Ter zitting heeft eiser bevestigd dat invorderingsrente in deze procedure niet aan de orde is. Eiser heeft geen zelfstandige beroepsgronden tegen de beschikking belastingrente aangevoerd en ook overigens is niet gebleken dat de rente op een te hoog bedrag is vastgesteld. Wel dient de belastingrente te worden verminderd overeenkomstig de vermindering van de aanslag.

Oordeel

33. Gelet op wat hiervoor is overwogen, dient het beroep gegrond te worden verklaard. Het belastbaar inkomen uit werk en woning dient te worden vastgesteld op € 2.276. Het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen dient te worden vastgesteld op € 2.952.

Proceskosten

34. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Eiser heeft verzocht om € 8,56 aan reiskosten. Verweerder stelt dat deze kosten niet voldoende zijn onderbouwd, omdat eiser geen bonnetjes heeft overgelegd. Het lijkt de rechtbank echter aannemelijk dat deze kosten zijn gemaakt. De rechtbank stelt de vergoeding van de reiskosten daarom vast op het door eiser verzochte bedrag. Eiser heeft daarnaast verzocht om € 291,50 aan verletkosten (2,75 uur en een uurtarief van € 106). Ook deze kosten zijn door verweerder betwist. Eiser heeft naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat hij tijdens de zitting en heen- en terugreis inkomsten uit zijn advies- en auteurswerkzaamheden is misgelopen en dus schade heeft geleden. De rechtbank zal eiser daarom geen verletkosten toekennen. Verweerder dient wel het door eiser betaalde griffierecht te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. van Welie, rechter, in aanwezigheid van mr. L.J.E. Steijvers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 april 2026.

De griffier is verhinderd

te ondertekenen

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht).

Dat kan digitaal via www.rechtspraak.nl, daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.

Bij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het hogerberoepschrift is, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend.

Verder vermeldt u ten minste het volgende:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de datum van verzending;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl Viditax (FutD) 2026073106 FutD 2026-1363 V-N Vandaag 2026/1614 Sdu Nieuws Belastingzaken 2026/908 NLF 2026/1723
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand